Het geheugen van de vakbeweging

Energie

Eeuwenlang is turf de ‘energiedrager’ bij uitstek. In de 19de eeuw gaat deze vooraanstaande positie verloren. Turf als brandstof verliest het van de steenkool en die op zijn beurt weer van het aardgas. Vooral ‘het noorden’ is voor zowel de turf als het gas de energieleverancier.

Turfwinning is een eeuwenoud bedrijf. De vroegste sporen voeren naar het begin van de jaartelling. Met zo’n 15,5 miljoen m3 per jaar – zo’n 700 hectaren uitgebaggerde veengrond – bereikt de turfwinning in de 17de eeuw haar hoogtepunt. In de Gouden Eeuw is het verbruik van turf per hoofd van de bevolking tweemaal zo hoog als in 1850. Na 1700 gaat het minder met de veenderijen, maar tegen het eind van de 19de eeuw is er sprake van een opleving. In 1878 neemt de Drentsche Machinale Turfmaatschappij ‘De Ster’ in Nieuw-Amsterdam een stoombaggermachine in gebruik. Weliswaar gaat door de agrarische depressie het bedrijf zeven jaar later failliet, maar de machinale turfwinning heeft haar intrede gedaan. In het laagveen kan een stoomveentrekmachine, tezamen met tien man personeel en een ‘handelsman’ als ploegleider, een halve hectare veen per dag verwerken. Tegen de eeuwwisseling komt in het hoogveen de persturfmachine in gebruik. Toch blijven ‘turffabrieken’ uitzonderingen. In het laagveen houdt het handmatige ‘slagturven’ de overhand. Met hun baggerbeugels scheppen de ‘baggelaars’ het veen uit het petgat en spreiden het uit op de legakkers om te drogen. Door weer en wind, maar vooral ook door trappen, spitten en mengen, droogt de veenbagger tot turf. De gedroogde veenlaag wordt tot turven gestoken om daarna te worden verhandeld en uitgevent langs huizen, scholen en bedrijven. Naar schatting zijn er in de 19de eeuw ruim twaalf miljard turven afgeleverd. Het ‘bruine goud’ maakt in de eerste jaren van de 20ste eeuw plaats voor het ‘zwarte goud’. De tienduizenden – onder wie veel vrouwen en kinderen – die jarenlang in de turfmakerij een boterham verdienden, slinken tot duizend- en tenslotte zelfs tot honderdtallen.

Bollejagen

Daar waar in groepen wordt gewerkt zoals in het veen of bij de dijk- en kanaalaanleg ontwaakt anders dan bij de meestal alleen werkende boerenarbeider, de gemeenschapszin. De werklieden die gedurende het karwei gezamenlijk gehuisvest zijn, zijn minder afhankelijk van de veenbaas dan de autochtone werklieden met vast werk. Dit wordt versterkt door trekarbeid en het seizoenmatige karakter van het werk. Gedurende de hele 19de eeuw is er in de venen regelmatig sprake van ‘bollejeije’ of ‘bollejagen’. ‘Bolje’ is het Friese woord voor ‘oproerig zijn’. De oudst bekende staking in de veenderij is die te Schoterland in 1810. Stakingen komen daarna wel meer voor, maar vanaf pakweg 1830 is het welhaast elk jaar raak in de een of andere turfwinning. Tot aan de jaren zeventig zijn de ‘haarden van onrust’ vooral te vinden in: Opsterland (Tijnje, Terwispel, Nijbeets) en Steenwijkerwold. In de periode 1870-1885 blijft het betrekkelijk rustig, maar daarna in 1888 en 1890 zijn er zeer omvangrijke stakingen, die niet tot een enkel bedrijf beperkt blijven, maar vrijwel alle veenderijen in het noorden treffen. Dat tussen 1870 en 1885 niet gestaakt wordt heeft alles te maken met een crisis in het veen. De vanaf 1875 dalende lonen worden door de werklieden geaccepteerd aangezien de prijs van de turf ook almaar daalt. Aan het eind van de jaren tachtig van de 19de eeuw beginnen de veenarbeiders looneisen te stellen. In de veenderijen te Terwispel gaan in het voorjaar van 1887 zo’n 400 veenarbeiders in staking. Ze verliezen de strijd. De veenbazen slagen erin voor hetzelfde loon, 65 tot 90 cent per dag, andere werkkrachten te vinden. De stakers zoeken elders werk. De nederlaag schrikt andere veenarbeiders niet af, want op 22 maart 1888 leggen opnieuw zo’n 400 arbeiders het werk neer; nu in het hoogveen bij Appelscha en in het laagveen in de Grote Veenpolder van Weststellingwerf. Ze wensen verbetering van het loon, dat sedert 1877 met zo’n 25% is gedaald en afschaffing van de gedwongen winkelnering waardoor het toch al schrale loon nog eens verder wordt aangetast. De looneis is vrijwel overal hetzelfde: vijf cent meer per roede turf. Na vier dagen komen de veenbazen aan de gestelde eis tegemoet. Het succes is het sein tot een vrijwel algemene staking in de Friese en Drentse venen. Bijna geen dorp, waar in die tijd gebaggerd of turf wordt gegraven, waar niet kortere of langere tijd tussen begin april en half mei het werk wegens staking stil ligt: Oosterwolde, Gorredijk, Donkerbroek, Jubbega, Munnikeburen, Hoornsterzwaag, Terwispel/Tijnje, Beets, Beesterzwaag, Nieuw-Amsterdam, Zuid-Barge, Weerdinge, Valthermond, Schoonoord, Roswinkel, Munsterscheveld, Emmer-Compascuum, Erica, Sleen, Ter Apel, De Krim, Bruchterveld. De regering zendt ‘ter bescherming’ van de werkwilligen politie en honderden militairen. Omstreeks 12 mei is in de meeste plaatsen tussen de veenbazen en de stakers overeenstemming bereikt en worden de lonen iets verhoogd. Op een enkele plaats zoals te Steenwijkerwold duurt de staking nog voort tot begin juni. De omvangrijke staking leidt ertoe dat in een aantal plaatsen w.o. Appelscha werknemersorganisaties worden opgericht. Het leidt er ook toe, wellicht voor het eerst in de geschiedenis, dat er in Tweede Kamer van gedachte wordt gewisseld over de sociale positie van de veenarbeiders.

Gedwongen winkelnering

Een van de eerste politieke handelingen van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die in 1888 na herstemming in Schoterland gekozen is in de Tweede Kamer, is een aanvraag voor een interpellatie over de werkstakingen in de venen. Nieuwenhuis deelt onder meer mee, dat de veenarbeiders bij een arbeidsdag van 14 á 16 uur f6,- per week verdienen. Zijn betoog richt zich echter vooral op de gedwongen winkelnering. Een roggebrood van tien pond kost in de gewone winkels 32 cent, maar bij de veenbaas 39 cent. Een pond spek in plaats van 31 cent 39 cent. Gemiddeld zijn de prijzen bij de veenbaas 25% hoger. De interpellatie van Nieuwenhuis is mede gebaseerd op de aantekeningen van Janus van Emmenes, een ex-onderwijzer die grondwerker is geworden en actief is in de Sociaal Democratische Bond (SDB). Van Emmenes wordt door de Centrale Raad van de SDB in 1888 naar een staking van polderwerkers aan het Tjongerkanaal gestuurd om daar leiding aan te geven. De staking wordt gewonnen. Aansluitend wordt hij geroepen om een staking in de venen bij Hoornsterzwaag, Terwispel en Weststellingwerf te leiden. In 1889 leidt hij nogmaals een staking in Weststellingwerf en één te Appelscha. Tijdens deze stakingen maakt hij nauwkeurig aantekeningen van de mistanden in de venen. Nieuwenhuis verlangt een wettelijke regeling, maar de liberaal Van der Feltz vindt dat de arbeiders maar moeten sparen en het AR-kamerlid Oppedijk meent: “Wanneer aan de bevolking in de venen spaarzaamheid en orde geleerd waren in plaats van socialistische theorieën, zouden er geen werkstakingen hebben plaats gehad.” Op 20 juli 1888 dient Nieuwenhuis een wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering in. Bijna een jaar later – op 15 mei 1889 – deelt de minister van justitie mee dat hij zelf met een wetsontwerp zal komen. Dat doet hij inderdaad, maar het wordt nooit behandeld. Het zal tot 1907 duren aleer er een wet tot stand komt en tot de Tweede Wereldoorlog alvorens deze misstand daadwerkelijk is uitgebannen.

De laatste opleving van het turf

In de Eerste Wereldoorlog is Nederland voor zijn brandstofvoorziening geheel op zichzelf aangewezen. Door het wegvallen van de steenkoolimport stijgt de vraag naar turf sterk. Alles wat maar enigszins wil branden wordt verkocht, ook de lichtere turf van mindere kwaliteit. Gestimuleerd door de overheid trekken vele werknemers naar de verveningen in Zuidoost-Drente, waar voor iedereen wat te verdienen valt. In 1918 bijvoorbeeld zijn er in Emmen 2.500 immigranten op een bevolking van 35.000. De toegenomen vraag naar turf leidt er toe dat er veengebieden van mindere kwaliteit in exploitatie worden genomen. Kenmerkend voor deze veengebieden is een dikke bovenlaag van lichtveen de z.g. ‘bolster’. Deze bolster is onbruikbaar als brandstof, maar wel geschikt voor turfstrooisel. Sedert het eind van de 19de eeuw zijn er enige turfstrooiselfabrieken actief. Onder het bolster bevindt zich het zwartveen. Alleen als de vraag groot genoeg is, zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog, is er belangstelling voor turf van zwartveen. De lonen die betaald worden aan de veenarbeiders zijn behoorlijk, wel twee tot driemaal zo hoog als aan het begin van de oorlog. Door de immigratie is er een schreeuwend gebrek aan huisvesting. Er moet genoegen worden genomen met elke denkbare vorm van huisvesting. Na beëindiging van de Eerste Wereldoorlog bestaat de verwachting dat 1920 het laatste ‘succesjaar’ van de veenwinning zal zijn. De productie wordt tot ongekende hoogte opgevoerd. De steenkolenhandel komt echter sneller opgang dan voorzien, zodat in 1921 nog vrijwel de gehele jaarproductie onverkocht op het veld staat. Het werk in de venen verdwijnt als sneeuw voor de zon en de lonen verschrompelen naar een vooroorlogs niveau. Een staking van grote omvang breekt uit. Is het turfwinnen in de Eerste Wereldoorlog nog even een ‘booming bussines’, daarna gaat het uit als een ‘nachtkaars’. De steenkool neemt definitief de rol van energiedrager over. In de onrustige weken van april gaan vele turfbulten in vlammen op. Soms zijn ze aangestoken door boze arbeiders, in andere gevallen door de veenbazen, die baat hebben bij het verzekeringsgeld. Vooral in de nacht van 9 op 10 april en op 13 april loopt het uit de hand. Er ontstaat door een plotseling opgestoken wind een grote oncontroleerbare brand, die dagen duurt en zich verspreidt over het gehele veengebied. De animo om de brand te bestrijden is niet groot. ‘In de brand, uit de brand’, is voor velen de redenatie. Half mei sluiten bonden en werkgevers een nieuwe overeenkomst en kan eindelijk weer turf worden gestoken. De helft van het seizoen is dan al verloren. Voor de verveners niet zo ongunstig gelet op de voorraden, maar voor grote delen van de veenarbeidersbevolking rampzalig. In de campagne moet immers het geld worden verdiend. De erfenis van de Eerste Wereldoorlog is een grote arbeidsreserve in de veengebieden.

Olie en gas

De Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) krijgt in 1933 het exclusieve recht voor opsporing van aardolie in Noord- en Oost-Nederland. Na tien jaar van proefboringen is er in 1943 succes. Onder druk van de Duitse bezetter is het zoeken naar olie door de BPM voortgezet en zo wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog bij Schoonebeek het grootste olieveld van West-Europa ontdekt. Tijdens de oorlogsjaren wordt de productie zoveel mogelijk gesaboteerd, maar na afloop van de oorlog wordt een concessie gevraagd om de olie te winnen. Niet aan de BPM, maar aan de in 1947 opgerichte Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM) – 50% Shell, 50% Esso – wordt de concessie verleend. De aardgasdistributie is van nog jongere datum. Vóór 1970 draait de gaswereld anderhalve eeuw lang om steenkoolgas, geproduceerd door kolenverhitting. Het vrijkomende gas wordt gezuiverd en opgeslagen in gashouders. De NAM brengt in korte tijd een groot aantal aardgas en aardolievelden in productie. Coevorden is de eerste gemeente die, in 1951, op aardgas overschakelt. In 1960 wordt bekend dat de NAM in de provincie Groningen een grote hoeveelheid aardgas heeft ontdekt afkomstig uit de steenkoollagen van het Carboon op 3000 meter diepte. Een dikke laag zout heeft vele eeuwen lang ontsnapping van het gas voorkomen, maar de NAM ‘prikt’ eind jaren vijftig door de zoutkorst heen. De vondst van de grote gasbel bij Slochteren is een uitnodiging om verder te zoeken. En met succes. Zowel op het vaste land als op het continentaal plat wordt nog menig veld ontdekt. Zowel de NAM als de Staat willen profijt trekken van de vondst. De gasdistributie wordt op grote schaal ter hand genomen. Meespeelt dat in die dagen verondersteld wordt dat de kernenergie elk moment kan doorbreken en in de energiebehoefte zal gaan voorzien. Het is dus van belang het aardgas zo snel mogelijk ‘uit te verkopen’. In 1963 wordt de NV Gasunie opgericht (25% Shell, 25% Esso, 40% Staatsmijnen en 10% Staat). De Gasunie bouwt met voortvarendheid een landelijk distributienet. In de meeste Nederlandse gemeenten wordt in de jaren vijftig van de 20ste eeuw ‘stadsgas’ gebruikt. Afhankelijk van de omgeving is dit stadsgas: cokesovengas, raffinaderijgas of aardoliegas, maar daar merkt de klant in de regel weinig van. Aardgas heeft een hoge verbrandingswaarde en om te voorkomen dat de branders van de huishoudelijke gasapparaten verbranden start er in 1964 een gigantische ombouwoperatie van gastoestellen. De ombouw wordt in vier en een half jaar tijd voltooid. De betekenis van het aardgas laat zich moeilijk overschatten. In 1960 wordt de energie nog voor ruim 50% verkregen uit vaste brandstoffen; aardolie levert ruim 48% en aardgas levert minder dan 2% van de benodigde energie. Vijftien jaar later zijn de rollen omgedraaid en leveren de vaste brandstoffen minder dan 5% van de energie behoefte en dat terwijl het energieverbruik is verdrievoudigd. De ‘bel van Slochteren’ is het grootste gasveld van West-Europa. Aangetoond is een winbare hoeveelheid van 2800 miljard kubieke meter. In 2001 is daarvan iets meer dan de helft verbruikt.

Vadertje NAM

“God kwam, zag en NAM”, is een woordgrap uit Schoonebeek. Het geeft aardig de plaats aan die het bedrijf inneemt in de plaatselijke gemeenschap. Zij annexeert als het ware de plaats. Zelfs aan de voet van het kerkhof overheerst jarenlang het beeld van de ja-knikker. Veel dorpsbewoners zijn al vrij snel ‘in de olie.’ De NAM is hun broodheer. Het bedrijf manifesteert zich als een ‘vadertje staat’ en laat het gemeentebestuur in de schaduw staan. Het creëert ook een soort tweedeling tussen wel en niet ‘NAMmers’. Aangezien er in Schoonebeek geen recreatiecentrum bestaat bouwt de NAM er een met de naam De Boô. De voorziening is echter alleen toegankelijk voor het NAM-personeel en hun gezinnen. Als tegemoetkoming is het sportcomplex en zwembad op zondag ook toegankelijk voor de overige inwoners die daar echter op zondag geen gebruik van kunnen maken vanwege hun orthodox hervormde achtergrond. Het NAM-personeel heeft een streepje voor. Bij tal van bedrijven, zoals bijvoorbeeld bij meubelzaken, krijgen zij personeelskorting en dat geeft bij de overige Schoonebekers scheve ogen. Echter de algemene opvatting is dat de NAM goed voor Schoonebeek zorgt. Illustratief is dat als in november 1976 het dorp door een stoomontsnapping uit een boorput onder een dunne laag bruine smurrie komt te liggen, de NAM meteen schoonmaakploegen en hoogwerkers uit laat rukken. Bovendien wordt meteen de portemonnee getrokken voor schadevergoedingen.
© Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
21 oktober 2001

Geraadpleegde literatuur

M. Aardema, Uit het leven van een veenarbeider (Baarn 1981)
C. Bauer, M. de Boer, Energie (Rotterdam 1981)
P. Bolwerk, ‘Schoonebeek drijft op olie’ in: De Gelderlander (13 februari 1993)
G. Harmsen, T. Berkenbosch en S. Mintjes, Van turf en tabak tot plastic buizen. Uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Steenwijk en omstreken (De Knipe 1991)
J. Frieswijk, Socialisme in Friesland 1888-1900 (Amsterdam 1977)
J. Frieswijk, ‘Dok Jan van’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 5 (Amsterdam 1992)
M.A.W. Gerding, ‘De mythe van de veenarbeid. Het ontstaan van het negatieve beeld van het veenarbeidersleven’ in: B. de Vries e.a., De kracht der zwakken. Studies over arbeid en arbeidersbeweging in het verleden (Amsterdam1992)
J. Hilgenga, 40 Jaren Nederlandse Landarbeidersbond (Utrecht 1940)
P.J. Meertens, P. van Emmenes,’Emmenes, Adriaan van’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 2 (Amsterdam 1987)
J. v.d. Noort, ‘De verrassend veelzijdige geschiedenis van overheidsbedrijven’ in: Openbare nuts- en communicatiebedrijven. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993)
B. Tammeling, ‘De Nederlandse Aardolie Maatschappij’ in: AO No. 1725 (Lelystad 1978)
‘Energie uit eigen land’ in: J.G. Constant (eindred.) Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)