Het geheugen van de vakbeweging

En toen … werden we Bondgenoten!

De vorming van een bond die van alle markten thuis is

Op donderdag 29 januari 1998 vond in Amsterdam een opmerkelijke en historische bijeenkomst plaats. Of beter gezegd 4 bijeenkomsten. Vier FNV bonden besloten op die dag gezamenlijk verder te gaan onder de naam FNV Bondgenoten.

Henk Krul, eerste voorzitter van FNV BondgenotenHenk Krul, eerste voorzitter van FNV Bondgenoten

Een bond met 500.000 leden, die in welhaast alle sectoren van de markt opereert ja je mag wel zeggen van alle markten thuis is, begon op die donderdag met zijn bestaan. De oprichting van FNV Bondgenoten betekent tegelijkertijd vier bonden met een roemrucht verleden er mee ophouden. Althans in hun eentje. Deze vier bonden: FNV Dienstenbond, Industriebond FNV, Vervoersbond FNV en Voedingsbond FNV, hebben stuk voor stuk een lange geschiedenis. We kunnen rustig stellen dat de geschiedenis van bonden een aaneenschakeling is van fusies. Ze zijn voortdurend op weg naar grotere eenheid.
De oudste verenigingen van metaalbewerkers zijn in de zestiger jaren van de negentiende eeuw opgericht in Den Haag (1862), Arnhem (1866), Amsterdam (1867) en Rotterdam (1869). De oudste landelijke organisatie als voorloper van FNV Bondgenoten is die van de metaalbewerkers. Op 17 januari 1886 wordt de Nederlandsche IJzer- en Metaalbewerkersbond opgericht door metaalbewerkers verenigingen uit Amsterdam en Den Haag. Nog in hetzelfde jaar sluiten zich verenigingen uit Dordrecht en Arnhem aan. Na enige jaren wordt de bond omgedoopt tot Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB). Ook andere beroepsgroepen in- of verwant aan de metaalindustrie gaan zich aan het eind van de negentiende eeuw landelijk organiseren. We noemen: de diamantbewerkers in 1894, de vormers en de koper- en blikslagers in 1896 en de elektriciens in 1897. Al deze organisaties gaan vroeger of later op in de ANMB. De diamantbewerkers (ANDB) in 1956. Bij de Rooms-Katholieke werknemers is er een soortgelijke ontwikkeling met St. Eloy.
Bij de fabrieksarbeiders, die pas aan het begin van de 20ste eeuw tot een landelijke organisatie komen, is er eveneens sprake van een opeenvolging van fusies. Met de glas- en aardewerkers, de sigarenmakers, de drankbereiders en uiteindelijk ook met de mijnwerkers. De sigarenmakers komen voor de eerste maal tot een landelijke organisatie in 1867. Het stakingsconflict waar deze bond in het begin van de zeventiger jaren in terechtkomt loopt uit op een nederlaag. De organisatie is nog te zwak en het werkgevers front te hecht De sigarenmakersorganisatie gaat teniet. Eerst in 1887 is er weer sprake van een landelijke sigarenmakersbond. De drankbereiders (branders en brouwers) en mijnwerkers komen aan het eind van de negentiende eeuw tot organisatie. De landelijke organisaties van fabrieksarbeiders zijn de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale en St. Willibrordus.
De textielwerknemers kennen plaatselijke verenigingen vanaf 1872. Eerst in de laatste jaren van de 19e eeuw komen er landelijke organisaties. De textielbonden in Twente moeten wel het hardste gevecht leveren voor erkenning. Stakingen, die soms maanden duren, waarbij de werkgevers voor het eerst het hongerwapen van de uitsluiting toepassen, gaan om beter loon, maar vaker nog om het voorkomen van loonsverlaging. De meest opmerkelijke fusie van alle bondsfusies is mogelijk die van de Algemene Nederlandse Bond van Textielarbeiders en De Eendracht. De eerste is een socialistische- de tweede een katholieke organisatie. Deze fusie, in 1903, loopt dus ruim driekwart eeuw vooruit op de fusie van NVV en NKV in 1981. De bonden die tot 1971 werkzaam zijn in de textiel zijn de ABTK ‘De Eendracht’ en St. Lambertus.
In 1972 gaan de Metaalbedrijfsbond NVV (voorheen de ANMB), de ABC en de ABTK ‘De Eendracht’ een fusie aan en vormen de Industriebond NVV. Op het zelfde tijdstip doen dat ook St. Eloy, St. Willibrordus en St. Lambertus en vormen samen de Industriebond NKV. In 1979 besluiten de beiden Industriebonden, na korte tijd een federatie te hebben gevormd, samen verder te gaan als Industriebond FNV.
De handels- en kantoorbedienden en de handelsvertegenwoordigers kennen sedert de jaren zestig van de negentiende eeuw plaatselijke verenigingen. Veelal niet met een grotere doelstelling dan om met vakgenoten bijeen te komen, maar soms ook met de doelstelling van beter vakonderwijs, verzorging van logementen voor de reizigers en van verzekeringsfondsen. Soms ook met als doel wijziging te brengen in de arbeidsomstandigheden van vakgenoten zoals de Amsterdamse vereniging Vervroegd Beursuur die als doelstelling heeft de arbeidstijd van de bedienden te bekorten door de beurs een uur eerder te laten sluiten. De handelsreizigers kennen al vroeg een landelijke vereniging. Reeds in 1874 komt deze tot stand. In een groot aantal wat grotere plaatsen kent deze bond afdelingen. In 1883 wordt in Rotterdam Mercurius opgericht. Aanvankelijk een plaatselijke vereniging die later zijn vleugels uitslaat over omliggende gemeente en zo uitgroeit naar een meer landelijke organisatie waar Rotterdam overigens onmiskenbaar het middelpunt in blijft vormen. Deze organisatie is vooral sterk gericht op opleidingen van kantoorpersoneel. De hedendaagse bemoeienis van de bond met het vakonderwijs in de dienstensector grijpt hierop nog steeds terug. Mercurius heeft zijn conservatieve kanten. Hij ziet geen plaats voor vrouwen in het vak en wenst ze derhalve ook niet te organiseren.  In 1896 wordt met als bakermat Amsterdam de Nationale Bond voor Handels en Kantoorbediende opgericht. De Nationale en Mercurius zijn een aantal jaren ‘concurrenten’ van elkaar totdat zij 1907 fuseren. De  Algemene Bond voor Handels en Kantoorbedienden verschijnt in 1905 op het toneel. Deze bond ontstaat als het ware uit verzet tegen het conservatisme van De Nationale. Het is de Algemene die zich aansluit bij het NVV.
De Rooms-Katholieke handels- en kantoorbedienden kennen plaatselijke verenigingen vanaf 1890 wanneer in Amsterdam St. Nicolaas wordt opgericht. Eerst in 1908 komt er een Nederlandsche R.K. Bond voor Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden tot stand. Tussen 1890 en 1908 zijn er wel in een groot aantal plaatsen verenigingen ontstaan die allemaal vernoemd zijn naar een heilige zoals St. Olof, St. Vitus en St. Augustinus.
Ook andere beroepsgroepen in de diensten sector kennen plaatselijke en landelijke organisaties zoals pakhuisknechts, winkelbediende en boekverkopers.Gedurende de twintiger jaren van de twintigste eeuw zijn er meerdere pogingen tussen de De Algemene en Mercurius om tot fusie te komen. In 1945 besluiten De Algemeene en Mercurius door te gaan verenigd in de Algemene Nederlandse Bond voor Handels- em Kantoorbediende en Handelsreizigers ‘Mercurius’. De organisatie van verzekeringsagenten sluit zich daar in 1947 bij aan. In 1952 moet Mercurius als gevolg van de invoering van de bedijfstaksgewijze organisatie veel leden overschrijven naar de andere bonden. Vanaf 1977 wordt de naam Dienstenbond NVV. Een dergelijke naamswijziging is er ook bij St. Franciscus de Nederlandsche R.K. Bond voor Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden. Diens naam wijzigt in Dienstenbond NKV. In 1981 gaan beide Dienstenbonden samen verder als Dienstenbond FNV.
In de voedings- en genotmiddelenindustrie is de beroepsgroep die zich het eerst organiseert de bakkers. Ze hebben daar reden toe. De lange arbeidstijden vooral ‘s-nachts zijn heel lang het centrale thema geweest waar de verenigingen van bakkers verzet tegen aan tekende te beginnen met Een doel, een wil uit Amsterdam opgericht in 1869. Nog voor het einde van de negentiende eeuw komt de Nederlandsche Bakkersgezellenbond tot stand. De land- en veenarbeiders ‘regelen’ hun lonen lange tijd zonder een geregelde organisatie. De veenwerkers krijgen in het begin van het seizoen te horen wat hun loon is. Beviel dat niet dan werd in staking gegaan, het z.g. ‘Bollejagen’. Stakingen in de venen zijn dan ook sedert het midden van de negentiende eeuw welhaast een jaarlijks terugkerend gebeuren. De landarbeiders organiseren zich voor het eerst op grote schaal in 1889 in de verenging Broedertrouw in Friesland. Deze organisatie heeft aanvankelijk veel succes, maar gaat ten onder aan innerlijke tegenstellingen in een groot conflict met de werkgevers. Het zaad is echter gestrooid en in 1890 en daarop in 1897 komt een landelijke organisatie van Landarbeiders tot stand. Een derde loot aan de stam van de Voedingsbond FNV is de Cacao-, chocolade- en suikerbewerkers. Deze beroepsgroep is vooral sterk vertegenwoordigd in Amsterdam en de Zaanstreek. Ons Vakbelang is de oudste vereniging van cacaobewerkers. Deze vereniging komt in 1895 tot stand in Amsterdam. In 1899 komt een landelijke organisatie tot stand die voornamelijk steunt op Amsterdam en de Zaan met een enkele afdeling elders zoals Rotterdam.
De Rooms-Katholieke werknemers kennen van aanvang af een landelijke organisatie – opgericht in 1897 – waarin bakkers en cacao-, chocolade en suikerbewerkers in een organisatie zijn samengebracht. In 1904 komt er ook een Rooms-Katholieke organisatie van landarbeiders: St. Deusdedit.
In de loop van de jaren gaan steeds meer beroepsgroepen samen in wat uiteindelijk de Voedingsbond FNV zal heten we noemen: de slagersgezellen, de werknemers in de zuivel en bloemisten en tuinlieden. Al deze groepen hebben landelijke organisaties gekend. Na al deze fusies zijn de Voedingsbonden van het NVV en NKV de eerste die in 1976 een FNV bond worden.
Zonder transport staat alles stil. Deze slogan die zeker hout snijdt gaat vooral op in de tweede helft van de twintigste eeuw. Een eeuw geleden was het toch meer: in het transport gaat het vooral rustig. De oudste organisaties in het transport moeten we dan ook vooral zoeken bij het transport over water. De oudste bond is die van de schippers en schuitenvoerders die in 1868 in Amsterdam ontstaat. De eerste landelijke organisatie in de binnenvaart is van 1900. De bootwerkers in de haven organiseren zich met vallen en opstaan vanaf de tachtiger jaren van de negentiende eeuw. De Rooms-Katholieke werknemers vormde in Rotterdam in 1896 eigen verenigingen. Opmerkelijk is dat zij zich niet noemen naar een heilige, maar zich sieren met de naam van Leo XIII en Kardinaal Manning. Vele organisaties van aparte beroepsgroepen in het vervoer zijn terecht gekomen in de Vervoersbond FNV. Machinisten en Stokers gaan in 1913 samen met verenigingen van dekpersoneel en die van de Rijnvaart. In 1918 gaan zij weer samen met de Centrale Bond van Transport – en Havenarbeiders (CBT). De Kuipersgezellenvereniging is bij deze fusie ook betrokken evenals de organisaties van loopknechten, bezorgers en pakhuisknechten. De Vlaardingse vissers sluiten zich aan in 1918. Eensgezindheid uit Zaandam, een bootwerkersvereniging doet dat in 1919. Er volgen tussen 1920 en 1940 meer aansluitingen van vaak plaatselijke verenigingen van werknemers in het transport. Een belangrijke groep is natuurlijk het spoorwegpersoneel. De oudste verenigingen van spoorwegpersoneel dateren uit 1870 en 1871 respectievelijk in Utrecht en Tilburg. De zelfstandige organisatie van Spoor- en Tramwegpersoneel bestaat tot 1956 wanneer zij fuseert met de CBT tot de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel (NBV). Onder de Rooms-Katholieke werknemers is een zelfde gang van zaken weer te geven. In 1903 ontstaat St. Raphael de Nederlandsche R.K. Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel. In 1963 fuseert St. Raphael met St. Bonifacius de Katholieke Bond van Werknemers in het Transportbedrijf. St. Bonifacius is in 1902 gestart onder de naam: St. Leonardus. In 1972 zijn er naamswijzigingen en krijgen we de Vervoersbond NVV en de Vervoersbond NKV. In 1974 gaan deze twee een federatie aan om in 1982 door een fusie Vervoersbond FNV te worden.
En dus nu allemaal samen op 29 januari 1998 in FNV Bondgenoten…
Dik Nas