Het geheugen van de vakbeweging

VHV-SBI-Vriendenbijeenkomst van 21 april 2018 – Van links naar rechts Lodewijk de Waal (VHV), Kitty Jong (FNV) en Jan-Willem van den Braak (SBI)

VHV-SBI-Vriendenbijeenkomst 21 april 2018

Einde van ‘wheelen en dealen’ in de polder in zicht                                                              

Het Nederlandse poldermodel had buiten onze grenzen een naam en faam die die van de molens en tulpen naderde. Maar het model vertoont slijtageplekken en akkoorden worden steeds minder gemakkelijk gesloten. De VHV en het SBI (Samenwerking, Bezinning en Inspiratie) belegden op 21 april in Doorn een bijeenkomst over de rol van de polder door de jaren heen. Lodewijk de Waal (oud-voorzitter FNV en nu voorzitter van de VHV) sprak er vanuit het perspectief van de werknemers en heeft als hij terugkijkt ‘gemengde gevoelens’. Jan Willem van den Braak (VNO-NCW) belichtte de positie van de werkgevers en ziet de postpolder al komen. En Kitty Jong, vicevoorzitter van de FNV zette in een reactie de toon met een citaat van Arie Groenevelt.

‘Wheelen en dealen ligt in onze aard,’ aldus Lodewijk de Waal. En de verhouding tussen werkgevers en werknemers is daardoor voor de internationale buitenwereld een bijzondere. De Waal herinnert aan de relatie die er bestond tussen de voorman van het NVV (Kupers) en de voorman van de werkgevers (Stikker). Een gebeurtenis in de Tweede Wereldoorlog zou de voorbode kunnen zijn van de samenwerking in de naoorlogse herstelperiode. Citaat Stikker: ‘Kort na de opheffing van de werkgeversorganisaties (door de Duitse bezetter, redactie) kwam Kupers bij ons op kantoor. Uit het gesprek bleek dat tal van oud-bestuurders van het NVV in persoonlijke moeilijkheden verkeerden. Ik wist onmiddellijk wat mij te doen stond: de werkgevers hadden hun eigen mensen geholpen en het was volkomen normaal dat ik ook zou trachten het ontbonden NVV van middelen te voorzien’. (…) ‘ en het NVV  – dat in vroeger jaren dikwijls een strijdorganisatie tegen het grootbedrijf was geweest – ervoer nu juist dat het grootbedrijf zich onmiddellijk geroepen voelde de moeilijkheden voor het geheim voortzetten der organisatie op te vangen’. De Waal spreekt van ‘ongebruikelijke solidariteit, maar met een scherpe blik op welbegrepen eigenbelang….’

Instituten

Na de oorlog kwam de Stichting van de Arbeid (1945) tot stand en kwam het tot de Grote uitruil (zeggenschap op centraal niveau en niet op het niveau van de onderneming) en werd de geleide loonpolitiek ingevoerd: een heel bijzondere vorm van samenwerking in de driehoek overheid, vakbeweging en werkgevers. In 1950 werd de  Sociaal Economische Raad (SER) opgericht, waar door de Kroon benoemde leden wetenschappelijke inzichten konden inbrengen, en vaak een brug vormden tussen werkgevers en werknemers. Lodewijk de Waal wil de rol van de institutionele vormgeving van het overleg niet onderschatten. ‘Het betekent veelvuldig contact, uitwisseling van argumenten en er ontstaan persoonlijke relaties die informeel overleg mogelijk maken. Eigenlijk is het ook heel moeilijk om lang boos op elkaar te blijven als je steeds door de instituties gedwongen wordt elkaar te ontmoeten’. Zijn conclusie luidt ‘dat we, ook in tijden van falend overleg, zuinig moeten zijn op die instituties als SER en Stichting van de Arbeid.’

Meer welvaart

Lodewijk de Waal: “Ook in tijden van falend overleg moeten we zuinig zijn op instituties als SER en Stichting van de Arbeid.’

Door de toenemende welvaart, ontstond van onderop druk om de loonteugels te laten vieren. In 1970 was sprake van onrust op alle fronten: havenstakingen, forse loonsverhogingen en een loonmaatregel. De Waal: ‘Ik werkte bij de RVS en beleefde zo mijn eerste stakingsdag (1971). Als kaderlid van Mercurius (later Dienstenbond FNV) wist ik van geen poldermodel: mij ging het om behoud van de automatische prijscompensatie. De economie verslechterde in rap tempo en de werkloosheid verdubbelde. De instituties konden moeilijk greep krijgen op de situatie: de vakbeweging was sterk, maar niet sterk genoeg om hun oplossingen voor de werkloosheid door te drijven (ADV), en de werkgevers waren niet sterk genoeg om de lonen onder druk te zetten.’ Een poging om tot overeenstemming te komen mislukte in 1979 maar lukte in 1982 met het roemruchte Akkoord van Wassenaar, het vlaggenschip van het poldermodel. De Waal was inmiddels bestuurder bij de Dienstenbond FNV en was niet enthousiast. ‘Anderhalve pagina vage tekst, waaruit alleen duidelijk werd dat we de lonen moesten matigen. Ik stemde tegen in de ledenraadpleging van de Dienstenbond. Was het, achteraf bezien toch een goed akkoord, en zoals velen beweren, het ijkpunt voor wat later de naam ‘poldermodel’ kreeg? De ruil tussen loon en ADV (die kwam er wel al stond het niet zo duidelijk in de tekst van het akkoord) leidde zeker tot banen (vooral baantjes) en vergemakkelijkte de opkomende arbeidsparticipatie van vrouwen. De economie herstelde, dus dat was de succesvolle kant.’ Maar in de collectieve sector ontstond grote onrust door de loondruk van (semi-)ambtenaren.

Selectief winkelen

De Waal signaleert ook een zwakte van het tripartite karakter van het overlegmodel. Als werkgevers en werknemers een akkoord sluiten, gaat de politiek er selectief in winkelen, zoals gebeurde in het WAO-advies van minister de Geus. ‘Dan neemt uiteraard de neiging om tot akkoorden te komen, snel af.’ Hij waarschuwt voor een heiligverklaring van het poldermodel: ’Overleg heeft zeker voordelen, structureel overleg is goed, maar geen doel op zich.’ De Waal concludeert ten slotte: ‘Voor de VHV zijn verleden, heden en toekomst onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het verwaarlozen van de aandacht voor (de verworvenheden uit) het verleden leidt onvermijdelijk tot verschraling van huidig en toekomstig beleid (…)’ Als ik naar dat verleden in de periode 1945-2005 kijk, zie ik de waarden van de instituties die het poldermodel gezicht gaven’. (…) ‘Dat leert ons dat je er ook in tijden van crisis voorzichtig mee moet zijn. Je kunt het overleg opzeggen, de SER blokkeren, de Stichting van de Arbeid als zwemvest zien, maar breek het instituut niet af: het kan altijd weer gebruikt worden om tot akkoorden te komen.’ Onmisbaar is het vertrouwen tussen sociale partners dat ‘verdiend moet worden, maar als het er is, is het erg waardevol. De politiek noemt De Waal in dit verband ‘notoir onbetrouwbaar; ze houden zich op termijn aan geen enkel gesloten akkoord.’

Nieuw partnerschap

Jan Willem van den Braak: ”Akkoord van Wassenaar‘ betekende een keerpunt in ons stelsel van arbeidsverhoudingen sinds 1945′.

Jan Willem van den Braak was in november 1982 persoonlijk getuige van de totstandkoming van het Akkoord van Wassenaar. ‘Ik mocht de tas vasthouden van Chris van Veen,’ zegt hij. Van den Braak herinnert aan het dreigement van het kabinet Lubbers van CDA en VVD om een nieuwe loonmaatregel op te leggen omdat economie en werkgelegenheid er slecht voor stonden. ‘Die dreiging werd door sociale partners ervaren als een nekschot voor het stelsel van vrije loonvorming’. Onder die druk gingen werkgevers en werknemers vanaf 17 november in overleg. Een dag later lag er een conceptakkoord van nog geen anderhalve bladzijde dat door Van Veen (VNO) en Wim Kok (FNV) werd ondertekend.’ Van den Braak bestrijdt de eerdere opmerking van Lodewijk de Waal dat er in de tekst slechts sprake zou zijn van loonmatiging. Er was wel degelijk ook sprake van arbeidsduurverkorting. ‘Anders had Kok het niet aanvaard,’ zegt hij. Hij noemt het Akkoord van Wassenaar ‘een vernieuwend partnerschap avant la lettre’ dat een keerpunt betekende in het midden van de ontwikkeling van ons stelsel van arbeidsverhoudingen sinds 1945, op weg naar verdere decentralisatie’.


Moeilijk

Van den Braak maakt de bloeiperiode van de overlegeconomie mee en de erodering ervan. Het eerste paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 zette steeds meer vraagtekens bij de ‘corporatistische overlegstructuren’ uit de jaren vijftig. In 1993 lanceerde de VVD een initiatiefwetsvoorstel waarin de adviesplicht aan de SER, ‘het plechtanker van de overlegeconomie’ werd geschrapt. Desondanks kwam in 1996 ondanks de ‘corporatismekritiek van de paarse partijen’ nog een bipartite akkoord op het gebied van flexibiliteit en zekerheid (Flexakkoord) tot stand, gevolgd door specifieke vervolgakkoorden gesloten in de Stichting van de Arbeid. De 60ste verjaardag van de Stichting in 2005 werd in Wassenaar gevierd in aanwezigheid van Koningin Beatrix. Van den Braak herinnert zich een feestelijke bijeenkomst en een borrel in een zonnige kasteeltuin in Wassenaar maar ‘het kon toch niet verhullen dat er zich donkere wolken samenpakten boven de polder. Onvermijdelijk dienden twee nog resterende onopgeloste onderdelen van de sociale agenda aan de orde moeten komen namelijk de verhoging van de AOW-leeftijd en het ontslagrecht. Het was duidelijk dat de rek er bij de vakbeweging uit was en dat temeer omdat een deel van de FNV-achterban radicaliseerde in de richting van de SP, die in dat jaar groeide van 9 naar 25 zetels. Iedereen begon te voelen dat er een definitief einde was gekomen aan een jarenlange rally van poldersuccessen. De polder had het moeilijk’. In het najaar van 2006 vond voor het eerst geen regulier Najaarsoverleg meer plaats wegens gebrek aan een gemeenschappelijke agenda.

Postpolder

Het poldermodel raakte rond 2012 definitief in verval maar Van den Braak ziet nieuwe vormen van overleg ontstaan ‘over onderwerpen in relatie tot de globalisering. Er ontstaat een postpolder met vele, soms wisselende spelers en coalities in een nieuw overlegspel. Een spel zonder vast omlijnde regels en tradities, zoals de overlegeconomie die in de verschillende gedaanten altijd had. Het is een netwerk waarin de vele partijen er in vrijheid voor kiezen om al dan niet met anderen in het netwerk te overleggen, samen te werken of afspraken te maken.’ Als voorbeeld wijst hij op de ondertekening van het Energie-akkoord in september 2013 maar ‘de tijden van het poldermodel zullen niet meer terugkeren.’

Kritisch constructief

Kitty Jong: “Een duurzame, menswaardige en sociale toekomst wordt niet bereikt met voortdurende flexibilisering van de arbeidsmarkt”.

Kitty Jong, vicevoorzitter van de FNV trapt af met een citaat van Arie Groenevelt uit de nota Fijn is anders (1971). ‘Wat we niet willen is een soort van schijnzeggenschap waaraan verantwoordelijkheid is gekoppeld. De vakbeweging is verantwoordelijk voor de belangen van de werknemers en dient dat als uitgangspunt voor zijn beleid te nemen.’ Daarna citeerde zij uit De precaire Polder, een recente studie van het Internationale Instituut voor de Sociale Geschiedenis. Onderzoeker Sjaak van der Velden concludeert daarin dat ‘de uitruil die de kern was van het Akkoord van Wassenaar – het matigen van de lonen en verkorting van arbeidstijd om meer banen te creëren – niet het gewenste resultaat opleverde. De arbeidstijd gemeten naar het aantal te werken uren in een voltijdbaan daalde van 1829 in 1982 naar 1770 drie jaar later. Het werkloosheidspercentage bleef echter ongewijzigd hoog.

Positie

Met deze twee citaten zette Kitty Jong de toon omdat zij ’de kaders aangeven waartoe de FNV zich in het huidige tijdsgewricht nadrukkelijker dan ooit heeft te verhouden, wat mij betreft. Terugkijkend op de akkoorden van 1982, 1993, 1996, 2003, 2010 en 2013 en de constatering van het IISG dat zowel werkgevers als overheid zich in het verleden onwelwillend en soms zelf onbetrouwbaar hebben betoond, maakt dat het animo om een veelomvattend centraal akkoord af te sluiten, te verwaarlozen is. We dienen te leren van het verleden en dat doen we ook.’Volgens Jong zien de leden van de FNV ‘een toekomst voor zich die duurzaam, menswaardig en sociaal is, met een 32-urige werkweek en met wellicht een basisinkomen als er in de periode na de transities van energie en robotisering onverhoopt veel minder banen voor handen zijn. Die wordt niet bereikt met voortdurende flexibilisering van de arbeidsmarkt’.

Organisatiegraad

Doekle Terpstra had eerder die middag in een videoboodschap het gevoelige thema van de dalende organisatiegraad aangeroerd en verweet de vakbeweging daarom soms vast te zitten in ‘gestolde belangen’. Jong bestreed de opvatting dat de vakbeweging pas daadkrachtig is bij een organisatiegraad van 80%. ‘Een organisatiegraad is in mijn optiek echter alleen of voornamelijk van belang om eisen die de vakbeweging stelt aan werkgevers en politiek fysiek kracht te kunnen bijzetten. Daarbij wordt het collectief ingezet om de belangen van het individu te behartigen. Om de belangen van het collectief als zodanig te behartigen is een organisatiegraad van 20% nog steeds zeer relevant. Met meer dan anderhalf miljoen leden die een dwarsdoorsnede van de samenleving vormen, kan de vakbeweging niet worden genegeerd of worden gereduceerd tot groepsbelangenbehartiger.‘ Zij  wees erop dat de vakbeweging in de folder voortdurend wordt geconfronteerd met bewindspersonen en werkgeversorganisaties die op een ander niveau opereren. ‘Een abstracter niveau, en een heel stuk verder verwijderd van een achterban, als die er überhaupt al is. Een ongelijk speelveld dus om het in termen van de FNV te duiden. Dat ongelijke speelveld van onwelwillende werkgevers, een onbetrouwbare overheid en een naïeve vakbeweging is daarmee in potentie een recept voor een maatschappelijke catastrofe.’

Kritisch en constructief

‘En dat brengt ons terug bij de principiële kaders van Arie Groenevelt. Wat moet de houding van de vakbeweging dan zijn in het overleg? Misschien hebben we daarvoor een nieuwe standaard nodig: een kritisch constructieve houding innemen, meepraten, ideeën aandragen maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten waar hij hoort: bij de democratisch gekozen partijen, zeker als het gaat om korte en iets langere termijnplannen. Daar behoort de politiek ten volle de verantwoordelijkheid voor te nemen. En die behoort ze niet af te wentelen op de sociale partners.’ Volgens Jong was het Sociaal Akkoord van 2013 een valkuil. ‘Zo zou dat akkoord de doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt aanpakken: niets van terechtgekomen, het is alleen maar erger geworden’.

Niet dood

Jong verzekert haar gehoor dat de FNV zich verre zal te houden van compromisgedrag. ‘Dat geef ik u op een briefje.’ Maar dat betekent niet dat de polder voor haar dood is. ‘Op decentraal niveau, in bedrijven en binnen organisaties, is en blijft overleg om te komen tot overeenstemming cruciaal. De regionale arbeidsmarkt is in opmars en aan de tafels van de arbeidsmarktregio’s en in de werkbedrijven vindt constructief overleg plaats van werknemers en werkgevers die dicht op de werkvloer weten waarover ze praten. ‘ Er zijn ook onderwerpen waar het cruciaal is dat daarover wel centraal overleg plaatsvindt. En dat dat overleg vanuit de sociale partners wordt geïnitieerd. Onderwerpen waarbij het goed zou zijn als de politiek daarin een ondergeschikte rol zou spelen, vanwege het belang voor veel komende generaties bijvoorbeeld. ‘In 2013 hebben milieuorganisaties, vakbonden, decentrale overheden en andere partijen een energieakkoord gesloten. Dat akkoord is er mede de oorzaak van dat in de congresresolutie van de FNV is opgenomen dat we als FNV allianties sluiten op het gebied van energie en duurzaamheid. Dat biedt weer hele andere kansen voor de polderakkoorden.’

Betrouwbare partner

Jong erkent dat het ledental van de vakbeweging terugloopt maar ‘met anderhalf miljoen leden die een dwarsdoorsnede vormen van de samenleving kan die niet worden genegeerd of worden gereduceerd dot groepsbelangenbehartiger.’ (…) De cruciale vraag is of dit kabinet de sociale partners de rol doet toekomen die hen toekomt. De rol van serieuze overlegpartner met verstand van zaken en met een vanzelfsprekend draagvlak. Tot overleg zijn wij altijd bereid. En dat overleg voeren wij zelf natuurlijk in de SER en de Stichting van de Arbeid.’ Als er onder het klimaatakkoord geen handtekening van de FNV komt ‘zal dat dus niet zijn om mijn verantwoordelijkheid te ontlopen, maar om de verantwoordelijkheid te leggen waar die hoort. En dan is het aan de politiek om zich een waarlijk betrouwbare partner te tonen, en een besluit te nemen dat duurzaam is en niet bij de eerste de beste electorale tegenwind weer onder druk staat’. Volgens Kitty Jong gaat het nu niet zozeer om de toekomst van het centrale overleg maar is ‘onze democratie in het geding.’

April 2018

Kees van Kortenhof

Foto’s: Wim de Vrind

Lees verder