Het geheugen van de vakbeweging

Een eeuw Vereniging Hendrick de Keyser

In 1918 namen enkele Amsterdammers onder leiding van de wijnkoopman Jacobus Boelen en de kunstcriticus Jan Veth het initiatief tot de oprichting van De Vereniging Hendrick de Keyser. De oprichters constateerden dat sloop, nieuwbouw en verpaupering het beeld van de Nederlandse dorpen en steden ernstig aantastten. Wat deze monumentenliefhebbers dreef was hun boosheid over de roekeloze en onnodige teloorgang van veel belangrijke en beeldbepalende huizen. Maar ze waren praktisch ingesteld: door aankoop huizen/gebouwen redden en daarna verhuren. De inkomsten uit verhuur moesten het onderhoud mogelijk maken. Dat economische principe werkt een eeuw later nog steeds.

Al in het eerste jaar van haar bestaan bepaalden de leden van de Vereniging dat het werkterrein heel Nederland zou moeten omvatten. De organisatie is sindsdien uitgegroeid tot de grootste landelijk werkende restaurerende instelling in ons land. Van een handjevol leden in 1918 tot ongeveer 4500 in 2018. De Vereniging is vernoemd naar de Amsterdamse stadsarchitect en stadssteenhouwer Hendrick de Keyser (1565-1621), de beeldhouwer van het grafmonument van Willem van Oranje in Delft en bouwmeester van tal van gebouwen in Amsterdam (zoals de Westerkerk, Zuiderkerk en Noorderkerk), Delft, Deventer en Hoorn. Hij werd door de oprichters beschouwd als een kunstenaar van nationale betekenis, vergelijkbaar met Rembrandt voor de schilderkunst.

De eerste aankoop

Nieuwebrugsteeg 13 Amsterdam
foto Harry Peer

De eerste aankoop was een groot 17de-eeuws huis in het oude hart van Amsterdam, de Nieuwebrugsteeg 13 bij de Warmoesstraat. Vroeger het atelier van een hoedenmaker, hetgeen we nog aan de gevelsteen zien. Een ambachtsman, maar wel een welvarende. Geen arbeiderswoning. Het huis moet bij de bouw kostbaar zijn geweest. De hoedenmaker was waarschijnlijk een voorname middenstander. Het pand werd aangekocht aangezien het op dat moment 300 jaar oude gebouw vrijwel ongeschonden bewaard was gebleven: de typisch Amsterdamse trapgevel met geblokte bogen boven de vensters en lijsten en afdekplaten van natuursteen.

Het bezit van de Vereniging groeit gemiddeld met vijf tot tien gebouwen per jaar. Het omvat 421 panden en complexen, waaronder huizen, boerderijen, buitenplaatsen, hofjes, villa’s, vissershuisjes en raadhuizen, verspreid over 108 plaatsen in heel Nederland. Het aantal verhuurde eenheden is vele malen groter. Het huizenbezit is zeer divers: van renaissance tot art deco, van de Amsterdamse stadsarchitect Abraham van der Hart (1747-1820) tot de architect en stedenbouwkundige Hendrik Petrus Berlage (1856-1934).

In een eeuw is een collectie opgebouwd die een representatief beeld geeft van de Nederlandse architectuur- en interieurgeschiedenis. Veel historische huizen, ooit gebouwd als redelijke belangrijke panden, werden in desolate staat aangekocht. Vaak waren ze in de tijd van de oprichting van de Vereniging als ware huurkazernes bewoond door verschillende grote gezinnen en daarnaast gebruikt als bedrijfjes. Een voorbeeld is Prinsengracht 36 in Amsterdam (verworven in 1918, het oprichtingsjaar van de Vereniging). Dat was in de arme 19de eeuw in zes apart verhuurde kamerwoningen gesplitst en op de begane grond was er zelfs een chocoladefabriekje. Veel van deze panden zouden nu onbewoonbaar worden verklaard.

Arbeidershuisjes

De Vereniging telt schitterende panden, maar voor vakbondsleden staat de Burcht aan de Henri Polaklaan in Amsterdam natuurlijk op de eerste plaats. Naar verluidt is het zelfs het enige vakbondsgebouw in bezit van de Vereniging. Om die reden verbreden we onze blik naar ‘arbeidershuisjes’.  Een snelle blik levert het volgende op:

  • Molenstraat 63 in Den Helder (een arbeidershuisje uit 1845, met bedsteden op de zolder, verworven in 2006)
  • Grote Oost 82-84 in Hoorn (twee arbeiderswoningen gebouwd tussen 1829 en 1842, verworven in 1987)
  • Seewei 49 in Moddergat (een visserswoninkje uit 1835, bewoond door twee gezinnen, ieder met een kamer met bedsteden, verworven in 1995)
  • Molenstraat 8-10 in Warnsveld (een klein huisje uit 1878 waarin lange tijd zelfs twee grote gezinnen ieder in een kamer woonden, ze moesten de pomp delen, verworven in 2001)
  • De Karwijhof in Nagele (een compleet wijkje in Nagele, gebouwd in 1956, voor landarbeiders in de nieuwe Noordoostpolder, verworven in 2016 en nu in restauratie)
  • Een ‘Kolonistenwoning’ uit Frederiksoord (een arbeiderswoning uit 1818 in de landbouwkolonie, bestaande uit een kamer en een stal voor 1 of 2 koeien, verworven in 1992).

Daarnaast heeft de Vereniging veel hofjes in bezit, die werden echter meestal gebouwd voor oudere mannen en vrouwen en niet altijd arm. Een goed voorbeeld is het Hofje van Belois in Schiedam, een hofje uit 1926 met 36 woninkjes voor behoeftige vrouwen, het is een fraai voorbeeld van een sociaal initiatief uit de vroege 20ste eeuw. We vestigen ook nog de aandacht op de Derde Ambachtsschool in Scheveningen, een ontwerp van Jan Duiker, de architect van het beroemde sanatorium Zonnestraal bij Hilversum uit 1931, verworven in 2004. Tegenwoordig is het een verzamelgebouw met kleine bedrijfjes.

De Burcht

De gerestaureerde Burcht van Berlage

De Diamantbewerkersbond had recht op een eigen kantoor, waar de arbeiders, de diamantbewerkers, trots op konden zijn. Niet zomaar een gebouw. Henri Polak, de voorzitter van de bond, wilde een monument voor de arbeidersbeweging tot stand brengen. Daarom trok hij de socialistisch gezinde architect Berlage aan, die de opdracht kreeg het pand te ontwerpen. Hiervoor werkte deze samen met Richard Roland Holst die de muurschilderingen in de Bondsraadzaal en de Bestuurskamer voor zijn rekening nam. In de bestuurskamer beeldde Roland Holst in een drieluik de gewenste evenwichtige dagindeling voor de arbeiders uit: de Krachtige Uren van de Arbeid, de Zachte Uren van de Ontspanning en de Diepe Uren van de Slaap. In het monumentale trappenhuis hang een monumentale lamp uit 1919 van Jan Eisenloeffel.

Vanaf 1991 tot 2008 huisde er het Vakbondsmuseum. Voor de aanwezigen was de opening van een nationaal vakbondsmuseum door koningin Beatrix op 1 mei 1991 een mijlpaal. Ze konden niet bevroeden dat het nog geen twintig jaar later ter zielen zou zijn. In 2008 nam de Vereniging Hendrick de Keyser het  historische pand over van Stichting De Burcht, de collectie ging naar het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en een grondige restauratie volgde. Vanaf  2011 huist er het onderzoeks- en documentatiecentrum van de Nederlandse vakbeweging.

Het uit handen geven door de FNV van het met de hele geschiedenis van de vakbeweging verbonden gebouw deed pijn. Met het resultaat zijn we niettemin blij. Henri Polak was op vele terreinen actief: in de vakbeweging, in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, in het culturele leven. Zo was hij ooit ook bestuurslid van de Vereniging Hendrick de Keyser; hij zou zich in de overdracht hebben kunnen vinden. De Burcht is in goede handen bij Vereniging Hendrick de Keyser, die we hierbij feliciteren met de eeuwviering en veel succes toewensen voor de toekomst. Het honderdjarig bestaan wordt gevierd met concerten, openstelling van museumhuizen, jubileumuitgaven en nog veel meer activiteiten.

Harry Peer

juni 2018

Met dank aan drs. Niek Smit van de Vereniging Hendrick de Keyser voor de verstrekte informatie. Zie ook: Wouter van Elburg, Verzameld verleden. Episodes uit een eeuw Vereniging Hendrick de Keyser, in Jaarverslag Hendrick de Keyser, 2017.