Het geheugen van de vakbeweging

Omslag proefschrift Bert Breij
Omslag proefschrift Bert Breij

Oud-FNV-medewerker Bert Breij in proefschrift

Eerder weg om gezond actief te blijven

“Op gezag van de Rector Magnificus en met machtiging van het College van Decanen, en volgens besluit van de promotie commissie van de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde sta ik gereed mijn proefschrift dat de titel heeft: “Eerder weg om gezond actief te blijven”, te verdedigen, ten einde de graad van Doctor te verwerven.

“Fijn dat u er bent, maar ik zal het u eerlijk zeggen:

·       Het is genoeg geweest
o   Ik voel me nog gezond
o   Ik houd van werken omdat ik van mijn vak hou
o   Ik kan het goed vinden met mijn collega’s
o   Ik ben erg goed inzetbaar. Ik heb wat pijn in mijn nek, maar dat maakt me niet uit
o   Ik besef wel – eerlijk gezegd – dat ik de jongste niet meer ben
o   Ik voel dat ik op tijd – nú ik nog goed gezond ben, en niet écht oud – bij deze baas weg moet

·       Het is genoeg geweest!
o   Ik voel dat hier alles nog alleen om productie en winst draait
o   Ik ben hier zelf verantwoordelijk, maar ze zitten me op de huid
o   Ik word doodziek van die nieuwe managers, van die wijsneuzen
o   Ik weet niet eens meer wie hier de echte baas is

·       Het is genoeg geweest!
o   Ik ben een harde werker, altijd geweest, maar niet op deze manier
o   Ik zie wat er gebeurt met oudere collega’s die doorwerken
o   Ik vrees dat ook voor mezelf, maar dat laat ik niet gebeuren
o   Ik werk al zo lang, maar dat zeg ik misschien omdat ik mezelf opvreet

·       Het is genoeg geweest!
o   Ik heb het er met mijn bedrijf over gehad. Over hoe verder te gaan
o   Ik raakte in gesprek met een vriendelijk ijskonijn, ik kende hem niet
o   Ik kreeg te horen dat er begrip was dat ik als oudere man eerder weg wilde
o   Ik kreeg – die lieverds – een centje daarvoor aangeboden
o   Ik kreeg nog niet eens de vraag voorgelegd wat ik hierna zou gaan doen

·       Het is genoeg geweest!
o   Ik heb natuurlijk alles met mijn bezorgde vrouw – die schat -besproken
o   Ik zie dat ze bezorgd is om mij én minder om ons geld
o   Ik ben samen met haar gaan tellen. Het is krap, maar genoeg
o   Ik ga met vroegpensioen, dat kan van mijn pensioenfonds
o   Ik had dat vijf jaar geleden niet gedacht
o   Ik slaap nu al beter
o   Mijn vrouw – dat zult u wel begrijpen – ook

Uit zelfbescherming

“Ik vertel jullie dit vrij verhalend. Over een van de verhaallijnen die tot mij kwam. Er zijn sterke indicaties dat juist gezonde vaklieden eerder vertrekken. Uit zelfbescherming. Angst om ziek te worden, psychisch zowel fysiek, speelt wel degelijk mee. Let wel: bij de baas waar ze werken.

Bert Breij was eerder auteur van de VHV-uitgave Twee miljoen leden. VHV-voorzitter Jaap van der Linden ontving destijds het eerste exemplaar ervan.
Bert Breij was eerder auteur van de VHV-uitgave Twee miljoen leden. VHV-voorzitter Jaap van der Linden ontving destijds het eerste exemplaar ervan.

“Ik zal u daar meer over vertellen, want het zit wat complexer in elkaar. Waarom stoppen oudere technische werknemers, die lager en middelbaar zijn opgeleid, die zeggen gezond te zijn, van werken te houden en inzetbaar, vroegtijdig vrijwillig met betaald werken? Het was deze paradox – de ogenschijnlijke tegenstelling – die mij boeide. Ze hebben een heel positief beeld over zichzelf, houden van werken, waarom gaan juist zij dan niet gewoon door? Het kost hen nog veel geld ook. De overheid dwingt hen nota bene om door te werken. In dit land waarin vijftigers gemiddeld – let wel gemiddeld, dus niet iedereen – ouder worden dan vroeger! De een gezonder dan de ander. Lager opgeleiden aanzienlijk minder oud worden dan hoger opgeleiden.

“Van betekenis voor deze promotiestudie is de voorstudie. De studie naar hoe de hazen in dit veranderd pensioenland lopen. Hoe voelen werknemers zich? Voelen zij zich in hun vrijheid belemmerd om te kiezen wanneer ze met pensioen gaan? Of juist niet? Daar is weinig over bekend. Tom van Oosterhout en ik vergaarden daarvoor kennis. We bestudeerden de literatuur, interviewden diepgaand werknemers, maar ook werkgevers, én 7 hoogleraren. Vooral economen. Die kennis bracht ook motieven, thema’s en factoren voor theoriekeuze en verder onderzoek. Het liet onder meer zien hoe zeer werknemers, maar ook werkgevers, zich ergeren aan de overheid. Ze noemen de overheid onbetrouwbaar als het gaat om het moment van de uitkering en de hoogte ervan. Het brengt niet alleen de werknemers in een disbalans, maar ook de bedrijven. Het laat ook zien hoe diep daardoor onzekerheid ingrijpt in het persoonlijk leven, maar ook in de werkgevers- en werknemersrelatie. Het laat ook zien dat wat wettelijke en collectief geregeld wordt grote invloed heeft, maar dat de zelfbewuste werknemer uiteindelijk zelf beslist en de regie meer naar zichzelf toetrekt.

Besef van tijd

“Ik zal u vertellen over twee theorieën die verklarend zijn voor het eerdere vrijwillig stoppen. De eerste is die van de Amerikaanse Laura Carstensen. Zij stelt dat de voorkeur om eerder te stoppen hardnekkig is en allerlei redenen kan hebben. Carstensen stelt dat het besef van tijd doorslaggevend is. Carstensen: Als mensen ouder worden, dan willen ze geen tijd meer verspillen, ze willen bijtijds de juiste keuzen maken, keuzen die sterk emotioneel zijn geladen.

“De tweede theorie is, dat onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat werknemers vinden dat ze over voldoende financiële middelen beschikken, de volgende mechanismen aanzetten tot vrijwillig, vervroegde uittreding: de veranderde opvattingen over de ervaring van tijd, de veranderde sociaal-culturele waarde van werk, de ervaren gezondheid en vitaliteit, de ervaring van het einde van de carrière en het ervaren gebrek aan steun van de werkgever. Op basis daarvan heb ik vier stellingen geformuleerd, die voor mij richtinggevend en toetsstenen zijn geweest. Vervolgens ben ik met het empirisch onderzoek verder gegaan. Daarbij één wet accepterend, en dat noem ik de wet van de geïnterviewde: diens perceptie gaat boven alles.

“Het onderzoek vond plaats in fasen. Eerst een kwalitatief onderzoek, daarna een kwantitatief onderzoek. Kwalitatief omdat ik daarmee rijke en diepgaande informatie kon vergaren. Meer informatie uit het echte leven. Motieven en argumenten. Gedachtegangen. Zelfargumentaties. Dit onderzoek vond plaats onder lager en middelbaar opgeleide technici, die vrij kort geleden zijn gestopt in de leeftijd van 62 jaar en 8 maanden. Het bestond uit diepte-interviews met focusgroepen en individuen. Allen geworven via PME en PMT, de 2 grote pensioenfondsen in de techniek, metaal en elektro die aan dit onderzoek meewerkten.

“Het kwantitatief onderzoek diende vooral om het profiel van de onderzoeksgroep in vergelijking met andere groepen scherp te krijgen. Er werd in dit kwantitatief onderzoek een vergelijking gemaakt tussen werkende en niet meer werkende oudere technici, tussen vrijwillig eerder gestopte technici én hen die niet vrijwillig eerder zijn gestopt. Lager en middelbaar opgeleid, en ook werd hoger opgeleid meegenomen. Het onderzoek vond digitaal plaats bij 448 werknemers met een technisch beroep, in de leeftijd van 55-69. Met een speciaal daarvoor geschikt gemaakt TNS/NIPO panel. En bestond uit een vragenlijst die hoofdzakelijk is ontstaan vanuit de bevindingen van het kwalitatief onderzoek en de antwoorden die werden gegeven.

“Wat blijkt uit de studie? Persoonlijke en tijdsfactoren zijn het meest bepalend voor de vroege uittreding. Kortom wat de hoge heren willen is geen wet. Hoezeer ook hun wetten en regelingen van invloed zijn op het gedrag. Als doorslaggevende redenen om vervroegd vrijwillig uit te treden worden aangegeven dat het genoeg is geweest en dat het tijd is voor iets anders. Achter deze redenen schuilen verschillende factoren en motieven. Uit het kwantitatief onderzoek blijkt wat invloed heeft op de beslissing om eerder te stoppen. Zoals leeftijdsbesef, het besef van gezondheid en vitaliteit, en de afweging van geld tegen vrijheid. Daar draait alles om! Dit geldt voor mensen van alle opleidingen, ook hoger opgeleid. Op de beslissing om eerder te stoppen heeft de partner een grote invloed gehad. Er is duidelijk sprake van wederzijdse lotsverbondenheid.

Behoefte aan vrijmaking

Toch nog even naar het proces. Wat speelde zich rond de vrijwillig vroegtijdig uitgetreden werknemers af? Men voelde zich gezond, hield van werken, en achtte zich inzetbaar. De als negatief ervaren werkomstandigheden versterkten de behoefte die gezondheid op tijd te beschermen. De behoefte aan vrijmaking groeide. Wat te doen met dit vrije leven werd steeds aantrekkelijker. De zoektocht naar mogelijkheden en kansen voor vervroegde uittreding kwam in volle gang. Bij en na vertrek wordt er nog steeds van werken gehouden, omdat er van het vak, maar ook van collega’s, gehouden wordt.

“Enige adviezen die ik meegeef op basis van deze studie: werkgevers, overleg bijtijds – dat wil zeggen al vijf jaar voor het vertrek – met uw oudere werknemer als u deze wilt behouden. Doe dit niet te laat, want anders is het proces van de afname van het psychologisch commitment al op gang, zo ook die van het proces van de vroegtijdige uittreding. Aan die gedachte raakt de oudere werknemer dan gewend, en zal dan nog maar weinig open staan voor alternatieven, bewust en onbewust. Werkgevers die een betere werksituatie kunnen bieden, grijp uw kans, maar weet wel dat de werknemer u harde voorwaarden voorlegt. Niet zozeer materieel, maar vooral wat betreft de werkomstandigheden en wat men wel of niet van elkaar mag en kan verwachten. Misschien leidt dit in dit land ook tot meer deeltijdarbeid onder oudere mannen. Er is geen land in Europa waar zo weinig deeltijdarbeid onder deze mannen plaatsvindt.

“De economen adviseer ik dat het tijd wordt er meer rekening mee te houden dat immateriële factoren, zoals persoonlijk psychologische en ook sociale factoren, uiteindelijk voor degene die zich in overgang bevindt van werken naar pensionering, het zwaarst wegen. Uw adviezen winnen dan aan rijkdom en vooral ook realiteit. En, aansluitend hierop, de overheid: faciliteer oudere werknemers die eerder willen stoppen, maar ook hen die willen doorwerken. Ga niet tegen de stroom in van wat mensen zelf willen en ook als gevolg van hun eigen beslissingen accepteren.

Bert Breij bij aanvang promotieplechtigheid
28 september 2017

Download Eerder weg om gezond actief te blijven (pdf)

Over de Jonge Doctor Bert Breij

Omslag De mijnen gingen open, de mijnen gingen dicht
Omslag De mijnen gingen open, de mijnen gingen dicht

Bert Breij, zoon van een Amsterdamse slager, heeft van 1970 tot 1981 gewerkt bij de Industriebond NKV, als hoofd voorlichting, propaganda en marketing. Vanaf 1979 vormt zijn bond een federatie met de Industriebond van Arie Groenevelt. In 1982 volgt een volledige fusie.
Breij heeft op verschillende momenten in boekvorm teruggeblikt op belangrijke vakbondshistorische momenten. In 1973 verschijnt van zijn hand ‘Een kwestie van principe’ over de vakbondsstrijd in 1973.  Kort voor zijn vertrek bij de vakbeweging in 1981 wordt het boek ‘De mijnen gingen open, de mijnen gingen dicht’. Nog steeds een standaardwerk over de mijnindustrie in Nederland. Na zijn vakbondstijd stapt hij over naar de Belastingdienst, waar hij de dienst een menselijker gezicht is gaan geven. De langjarige campagne ‘Leuker kunnen we het niet maken, makkelijker wel…‘ is op zijn initiatief tot stand gekomen. Daarna is hij zelfstandig communicatieadviseur geworden.

Omslag Twee miljoen leden
Omslag Twee miljoen leden

Zijn betrokkenheid bij de vakbeweging en de historie ervan heeft hem echter nooit verlaten. Zo interviewt hij ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Vrienden van de Historie van de Vakbeweging (VHV) de voorzitters van alle bonden van de vakcentrales, uitmondend in het boek Twee miljoen leden. Het boek en (afzonderlijke) interviews zijn op deze website na te lezen.
Ook zijn proefschrift komt uit zijn betrokkenheid bij de vakbeweging voort. Aan de basis daarvan staat zijn samenwerking met Ruud Vreeman, die destijds – ‘in de qua arbeids- en politieke verhoudingen roerige jaren zeventig’ – een collega van hem was bij de Industriebond.