Het geheugen van de vakbeweging

Een schets van de katholieke arbeidersjeugdbewegingen

Vorming door actie

In Nederland werd in 1912 in Heerlen de eerste afdeling van De Jonge Werkman opgericht naar het idee van de priester H. Poels. Na de Tweede Wereldoorlog zagen de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ) en de Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd (VKAJ) het licht, opgevolgd voor de Katholieke Werkende Jongeren (KWJ). Een korte geschiedenis van de katholieke arbeidersjeugdbewegingen.

De KAJ was een voortzetting van vijf vooroorlogse diocesane arbeidersjeugdorganisaties: De Jonge Werkman in de bisdommen Breda, Den Bosch, Limburg en Utrecht en de Sint Josephsgezellenverenigingen (naar het model van de Duitse priester Kolping) in het bisdom Haarlem. In de eerste naoorlogse statuten voor de Katholieke Arbeiders Jeugd in Nederland (KAJ) werd de voortzetting van het R.K. Verbond De Jonge Werkman en van het Centraal Verband van St. Josephsgezellenverenigingen verankert.
In Limburg werd in 1931 door Poels de Katholieke Arbeiders Meisjesvereniging (KAMV) opgericht. Een jaar later gewijzigd in Katholieke Arbeiders Jeugd Vereniging (KAJV). De standsorganisatie voor arbeiders was al verwezenlijkt in de vier Diocesane Werkliedenbonden voor Limburg, het aartsbisdom Utrecht, het bisdom Breda en het bisdom Den Bosch. De R.K. Volksbond in het bisdom Haarlem organiseerde naast werklieden ook kleine zelfstandigen, voornamelijk ambachtslieden.
Al vanaf 1890 kenden de Roomsch Katholieke Werklieden een onderscheid in stands- en vakorganisaties. De laatste kregen in 1925 binnen het Rooms Katholieke Werklieden Verbond (RKWV) hun landelijke centrale, het R.K. Vakbureau. Standsorganisaties waren gericht op de ‘algemene verheffing van de arbeidende stand en op de behartiging van diens godsdienstig-zedelijke belangen’. Vakorganisaties hadden de materiële belangenbehartiging tot doel.

R.K. Patronaten

Voor het R.K. Vakbureau en de daarbij aangesloten katholieke vakbonden was het destijds een uitgemaakte zaak, dat de patronaten in het jeugdwerk de eerste plaats zouden innemen. In haar eigen belang steunde de centrale het patronaatswerk. Men was er zich van bewust dat de vakbeweging ‘een eigen taak heeft te vervullen en daadwerkelijk aan het jeugdwerk moest gaan deelnemen. Bij de opkomst der vakbeweging bleek toch reeds heel spoedig, dat de jeugdige arbeiders op kantoor, fabriek of werkplaats het niet alleen stellen konden met hun lidmaatschap van patronaat of gezellenvereniging, doch vooral veel behoefte hadden aan de steun hunner katholieke vakvereniging’.
Het R.K. Vakbureau koos niet voor een eigen jeugdorganisaties. Het had voor een dergelijke organisatie niet voldoende mankracht, financiële middelen en tijd beschikbaar. Een doeltreffende samenwerking met de reeds bestaande patronaten en aspirantenafdelingen bij de vakbonden leek daarom kennelijk een betere oplossing. Dus werd een kerkelijk goedgekeurde samenwerking tot stand gebracht tussen het R.K. Vakbureau en het Centraal Comité ter behartiging patronaatsbelangen. De R.K. jeugdbeweging was geen kerkelijke organisatie maar stond wel onder leiding van de kerk.

Grondslag

De grondslag voor de samenwerking tussen de rooms katholieke vakverenigingen en de patronaten van 7 oktober 1915 is uitvoerig beschreven in ‘Uit het rijk van de arbeid’, deel I, van C. J. Kuiper. In die grondslag werd onder meer de oprichting van aspirantenafdelingen geregeld. Het doel was, de leden van deze afdelingen te “vormen tot bekwame vaklieden en goede leden der r.k. vakorganisatie”.
De grondslag had echter maar een kort leven. Het Bisschoppelijk Communiqué van 1916, dat de taakverdeling tussen de standsorganisaties en vakverenigingen binnen de rooms katholieke arbeidersbeweging regelde, had ook gevolgen voor de aspirantenafdelingen.
Bij besluit van 27 mei 1918 werd de grondslag vervallen verklaard. Daardoor kon deze vorm van ‘vakbonds’-jeugdwerk feitelijk niet meer worden voortgezet. Bovendien had eerder dat jaar het R.K. Vakbureau van de aartsbisschop het verzoek gekregen niet door te gaan met de oprichting van aspirantenafdelingen. Voortaan zouden De Jonge Werkman en de St. Josephsgezellenverenigingen de enige ‘erkende’ rooms-katholieke arbeidersjeugdbewegingen in ons land worden.

Organisatie voor jonge arbeiders

Het duurde echter tot begin 1929 eer het episcopaat (de gezamenlijke rooms-katholieke bisschoppen) een uitspraak zou doen over de meest gewenste vorm voor de organisatie van de katholieke arbeidersjeugd. Uit het ‘Plan van Jeugdorganisatie voor jonge arbeiders’, (opgenomen in ‘Uit het rijk van de arbeid’, deel II – 1953, van C. J. Kuiper) blijkt dat de bisschoppen een onderscheid maakten tussen jongens tot 17 jaar en jongens van 17 tot en met 21 of 23 jaar.
‘Als regel gelde, dat de jongens in de patronaten blijven tot 18 jaar (in het bisdom Haarlem was al vastgesteld tot 17 jaar); individuele uitzonderingen zijn toegelaten. Daarna worden de jonge arbeiders lid van De Jonge Werkman of de St. Josephsgezellenvereniging. Of zij daarvan lid blijven tot 21 jaar of 23 jaar regelt de interdiocesane jeugdcommissie zonodig in overleg met het R.K. Werkliedenverbond;.
Ingevoerd worde een wederzijds verplicht lidmaatschap van De Jonge Werkman en de St. Josephgezellenvereniging enerzijds en vakorganisatie anderzijds;. De Jonge Werkman, 1e afdeling van de arbeidersstandsorganisatie staat onder rechtstreekse leiding van de Kerk en beschouwt als haar voornaamste taak de katholieke opvoeding van haar leden.
Aan het hoofd van De Jonge Werkman staat een priester (directeur) met een in meerderheid uit en door de leden zelf gekozen bestuur, waarin echter steeds zitting zullen hebben twee leden, aangewezen door het bestuur van de Tweede afdeling, waartoe alle andere reeds oudere werknemers behoren.’
Als regel werd door de jongeren afzonderlijk vergaderd, maar zij hadden toegang tot de vergadering van (de standsorganisatie) der oudere – katholiek georganiseerde – arbeiders.

Aspirant-leden

De parochiële afdelingen van De Jonge Werkman vormden plaatselijke verbanden en een diocesaan verbond. Tussen de vijf diocesane verbonden werd een federatie nationaal verband gelegd. De voorzitter-directeuren waren in alle gevallen priesters. De St. Josephsgezellen kenden ook gehuwde leden en er was in die vereniging ook plaats voor ‘bazen, meesters en patroons’.
Jonge arbeiders beneden 18 jaar konden aspirant-leden van de katholieke vakbonden zijn. De hoofd- en afdelingsbesturen konden deze aspirant-leden alleen met toestemming van de directeur van De Jonge Werkman in vergadering bijeenroepen. De bisschoppelijke beslissing van mei 1918 dat de vakverenigingen hun jeugdleden niet in aspirantenafdelingen konden verenigen, bleef gehandhaafd.
Deze nieuwe grondslag bracht meer eenheid in het arbeidersjeugdwerk. De Jonge Werkman werd een zelfstandige afdeling van de arbeidersstandsorganisatie. Deze organisatiestructuur bleef bestaan. Voor de vrouwelijke katholieke arbeidersjeugd liep de ontwikkeling verre van parallel.

Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ)

Na de bevrijding in 1944 (Zuid-Nederland) en 1945 (Midden- en Noord-Nederland) werden de jeugdstandsorganisatie De Jonge Werkman en de St. Josephsgezellenverenigingen vervangen door de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ).
Evenals bij de standsorganisatie voor de oudere katholieke arbeiders werd veel nadruk gelegd op het bewegingskarakter. In artikel 1 van de statuten van de Katholieke Arbeiders Jeugd in Nederland (bij velen bekend als kajottersbeweging) werd bij de oprichting op 21 juli 1945 de heroprichting en omzetting als volgt beschreven: ‘Er bestaat in Nederland een beweging van Katholieke jonge arbeiders, genaamd De Katholiek Arbeidersjeugd in Nederland. Zij is de voortzetting van het R. K. Verbond De Jonge Werkman in Nederland en het Centraal Verband van St. Josephsgezellenverenigingen in Nederland. De zetel van de KAJ is gevestigd te Utrecht.’
Het gewijzigde karakter van de KAJ, ten opzichte van de voorgangers, werd in artikel 2 van de statuten als volgt geformuleerd: ‘De KAJ in Nederland, die wil zijn een veroverende apostolische massabeweging, heeft ten doel:

  • a. de behartiging van alle belangen, zowel op geestelijk als stoffelijk gebied, der jonge arbeiders in het algemeen en die der leden in het bijzonder;
  • b. de herkerstening van het maatschappelijk leven.

Daardoor is zij een hulpinstituut, dat onder leiding van de diocesane kerkelijke overheid met het gezin meewerkt aan de totale vorming van de arbeidersjeugd. De KAJ in Nederland is de centrale van diensten, die in de behoefte en noden der arbeidersjeugd tracht te voorzien. De KAJ in Nederland is het vertegenwoordigend lichaam, dat alle persoonlijke en gemeen-schappelijke belangen der arbeidersjeugd te allen tijde en overal bepleit.’ Bij het nastreven van het doel en bij de keuze der middelen zal de KAJ in Nederland zich laten leiden door de katholieke beginselen, de geest van de Katholieke Actie en de door de kerkelijke overheid gegeven of nog te geven richtlijnen.
Als standsorganisatie voor de Katholieke jonge arbeiders is de KAJ in Nederland een zelfstandig deel van, verbonden met en geordend in de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging en zal de lijn van deze haar leden vormen en zo mogelijk doen uitgroeien tot volwaardige leden dier beweging en medewerkers aan de geestelijke en stoffelijke verheffing van de arbeidersstand.’
Innige samenwerking met de Katholieke Arbeiders Beweging, bevordering van het lidmaatschap van de katholieke vakorganisaties en deelname aan instellingen van de KAB werden statutair geregeld.
Alle ongehuwde katholieke jonge arbeiders konden vanaf de 17-jarige leeftijd tot het bereiken van de 23-jarige leeftijd lid van de KAJ zijn. Indien bij het bereiken van deze leeftijd het betrokken lid uitdrukkelijk te kennen gaf lid van de KAJ in Nederland te willen blijven, werd het lidmaatschap tot het bereiken van de 25-jarige leeftijd verlengd.
Vanaf 19 jaar was het dubbellidmaatschap van de KAJ en de katholieke vakbonden verplicht. Vakbondsleden tot 23 jaar waren automatisch lid van de KAJ. De KAJ-leden werden gegroepeerd in parochiële afdelingen. Die afdelingen vormden samen een zelfstandige diocesane bond met eigen rechtspersoonlijkheid en bestuur.
De diocesane bonden vormden (federatief) het Nationaal Verbond der KAJ. Op alle niveaus was een priester als aalmoezenier en een vertegenwoordiger van de KAB lid van de KAJ-besturen. De meerderheid in de besturen werd altijd gevormd door KAJ-leden. De voorzitters en secretarissen moesten ten minste 21 jaar zijn.

School voor het leven

De KAJ was een organisatie van, voor en door jonge arbeiders. De aalmoezenier had een bijzondere en belangrijke functie in de KAJ maar was geen voorzitter-directeur zoals bij De Jonge Werkman. Hij had geen verantwoordelijkheid voor het financiële beheer.
De KAJ wilde nadrukkelijk een ‘school voor het leven’ zijn door het bevorderen van zelfwerkzaamheid en stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid. KAJ-pioniersgroepen, gevormd door militante strijdbare kajotters, waren hiervoor veel belangrijker dan de structurele verbanden.
‘Pioniers in de KAJ zijn kajotters, die in de milieus waarin ze verblijven, ondanks alle moeilijkheden strijden voor de christelijke verheffing van alle jonger arbeiders. Het pionierschap van de KAJ is geen functie in de organisatie van de beweging. Pioniers zijn gewone kajotters; alleen is in hen het ideaal van de KAJ meer tot volwassenheid gekomen.’ (‘Arbeidersjeugd in de zending van de kerk’, pagina 91).
Het Kolpingwerk voldeed volgens Cardijn, de stichter van de KAJ, niet. “Zij doen schoon werk, maar zoals de patronaten bij ons, vormen die geen mensen en helpen niet het levensmidden te veranderen”. Dat schreef hij in een niet gepubliceerde nota. De pioniersgroep was niet bedoeld als een discussiegroep zonder meer. Er werd van gedachten gewisseld aan de hand van de praktische methode zien, oordelen en handelen zoals Cardijn dat al deed in zijn studiekringen met jonge arbeiders en met bedienden in Laken.

Vorming door actie

Op basis van feiten, ervaringen en gebeurtenissen en vormingsartikelen in de leidersgids werd ook in ons land een oordeel gevormd en tot concreet handelen besloten. De pioniersgroep was dus vooral een actiegroep. ‘Vorming door actie’ was meer dan een slogan. Het was een realiteit bij de KAJ wereldwijd.
Bij de acties was het uitgangspunt dat andere leden en niet-leden (sympathisanten) werden ingeschakeld. Het ‘jaarprogramma’ bevatte voor twaalf maanden onderwerpen die in de leidersgids nader werden uitgewerkt in vormingsartikelen, pioniersstof en suggesties voor de pioniersgroepen. Later werd een en ander ook omgewerkt voor de Jong-KAJ; de kajotters van 14 tot 17 jaar.
Bij het verwezenlijken en concretiseren van de ‘centrale van diensten’ vormde persoonlijke dienstverlening aan de mede jonge arbeiders feitelijk de basis. Dat kwam op de eerste plaats vaak als actie van de pioniersgroepen. Die beperkte zich in principe niet tot kajotters. De structurering en institutionalisering van dienst kwam op het tweede plan. Die was vooral nodig voor de ondersteuning van de persoonlijke dienstbaarheid en voor de continuďteit van de dienstverlening.
Bij de vertegenwoordiging werd voornamelijk de zelfwerkzaamheid van werkende jongeren gepraktiseerd. Uiteraard werd daarbij risico genomen, maar het was een bewuste keuze, en van fouten werd geleerd. De ervaring leerde dat velen door die de KAJ werden gevormd, veel waardevolle kennis en ervaring opdeden en daardoor naderhand in de vakbeweging en de politiek een rol van betekenis konden vervullen.

KAJ en katholieke vakbonden

De wederzijdse vertegenwoordiging en de relatie van de KAJ met de standsorganisatie KAB was verankerd in de statuten. Het dubbellidmaatschap van KAJ en van de katholieke vakbonden lag eveneens vast. Het vormgeven aan de relatie van de KAJ met de KAB-vakbonden was niet concreet voorgeschreven. De samenwerking kwam in goed overleg tot stand. De ‘ontmoetingsdagen’ voor jeugdige vakbondsleden, op districts- of diocesaan niveau, werden op verzoek van de bonden vaak georganiseerd door KAJ-leiders of er werden KAJ-leiders bij ingeschakeld voor een aantal programmaonderdelen.
Op landelijk niveau werd een permanent overlegorgaan gevormd, de Sociaal Economische Jeugdraad. In deze Jeugdaad waren de (V)KAJ en katholieke vakbonden vertegenwoordigd. De voorzitter en secretaris waren leiders van de nationale KAJ. Het secretariaat was gevestigd in het kantoor van de Nationale KAJ.
In de Jeugdraad kwamen voornamelijk sociaal-economische activiteiten, belangen, en wensen van werkende jongeren aan de orde. De voorbereiding van de sociaal-econonmische congressen en de activiteiten die daarmee samengingen, werden in de Jeugdraad besproken. Vakbondsbestuurders werkten mee aan de organisatie en uitvoering. Op deze wijze werd een goede aansluiting tussen de activiteiten van (V)KAJ en vakbonden gerealiseerd.

Jong-kajotters en Levensscholen

De KAJ presenteerde zich bij de oprichting in 1945 als een organisatie voor alle (katholieke) werkende jongeren van 14 tot en met 23 jaar. Daar werd echter door de bisschoppen een stokje voor gestoken. Pas vanaf 17 jaar mocht men lid worden van de KAJ. Daarvoor was de Kaholieke Jeugdbeweging (KJB) voor alle jongeren de aangewezen organisatie.
Pas tien jaar daarna werd de oprichting van een Jong-KAJ toegestaan. De KAJ had toen al in veel plaatsen initiatieven genomen voor het oprichten van Levensscholen. Dit waren vormingsinstituten voor werkende jongeren vanaf 14 jaar waarbij ook de KJB werd betrokken.
Voordat een landelijk vrijgestelde leider kon worden aangesteld, die ‘verantwoordelijke’ werd genoemd, waren door de KAJ al een landelijke en vijf regionale stichtingen als overkoepelende organisaties voor de Levensscholen opgericht. Ook waren door de KAJ al verschillende activiteiten zoals schoolverlatersancties en ontmoetingsdagen voor 14-17 jarigen georganiseerd.
Voor de Jong-KAJ betekende de Levensschool, met een scala aan gesubsidieerde activiteiten, eigenlijk een concurrent. In vrijwel alle plaatsen was er overigens sprake van een goede samenwerking. Veel KAJ-leiders werden levensschoolleider. De pioniersstof (voor ouderen geschreven) ‘vertalen’ voor de Jong-KAJ en het ontwikkelen specifieke activiteiten was vaak geen eenvoudige zaak voor het landelijke team waarin ook de diocesane verantwoordelijken waren opgenomen.

Vrouwelijk Katholieke Arbeidersjeugd (VKAJ)

De eerste vorm van katholiek jeugdwerk voor werkende meisjes is waarschijnlijk het meisjespatronaat geweest. Voordien lijkt er voor hen niets anders te hebben bestaan dan wat jeugdzorg en bemoeienis van dames die de zorg op zich namen om jeugdige meisjes op de goede weg te houden of van verkeerde wegen af te houden.Evenals bij de jonge arbeiders het geval was, werden de meisjespatronaten niet alleen voor fabrieksmeisjes, maar ook voor meisjes uit andere standen opgericht.
Eerst kwamen ze tot stand in de bisdommen Den Bosch en Haarlem. Daarna volgden het Aartsbisdom Utrecht en het bisdom Breda. In Limburg kwam deze vorm van meisjesjeugdwerk het laatst van de grond. Hier had men eerder een experiment met een jeugdstandsorganisatie voor arbeidersmeisjes gekend.
De jeugdzorg en bevoogding door midden en hogere klassen bleef zelfs tot na de Tweede Wereldoorlog kenmerkend voor de organisaties voor meisjes, dat gold ook voor vrouwelijke katholieke arbeidersjeugd. Een goede moeder worden was kennelijk belangrijker dan aandacht te schenken dan aan het arbeidster zijn.
De R.K. Volksbond en R.K. Werkliedenverenigingen schikten zich in deze kerkelijk goedgekeurde situatie. Het gezin was hoeksteen en die lag voor een belangrijk deel in handen van moeders. Dat gold voor alle standen.
Had de RKWV in vier bisdommen nog enige inspraak en invloed op de organisatievorm, in het bisdom Haarlem was daarvan echter geen sprake. Ook na de bevrijding zou het bisdom Haarlem een van de laatste zijn waar de Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd voet aan de grond kreeg.
De VKAJ kwam het eerst – in 1946 – in het bisdom Breda tot stand. Het bisdon Den Bosch volgde in 1947 en het bisdom Roermond in 1948. De Belgische VKAJ stond in de zuidelijke bisdommen en vooral in het Bredase, model voor deze arbeidersjeugdbeweging.
In de bisdommen Haarlem en Utrecht werd de oprichting van de VKAJ pas in 1954 toegestaan. Daardoor kon tien jaar nadat een nationale KAJ was opgericht ook een nationale VKAJ tot stand komen. De grote achterstand ten opzichte van de KAJ was vooral merkbaar in beide laatstgenoemde bisdommen. De VKAJ begon in deze bisdommen met slechts een vrijgestelde leidster, terwijl de KAJ al een aantal betaalde leiders kende.
In het Haarlemse diocees was de wens om plaatselijk en parochieel afdelingen op te richten bijzonder groot. Daar kwam bij dat de bestaande KAJ-afdelingsbesturen – goed bedoeld – graag een handje wilden helpen om ook een ‘meisjes-KAJ’ te realiseren. Maar die ‘helpende hand’ kwam de zelfstandigheid van de VKAJ-afdelingen niet altijd ten goede. Bij de vele leidstertrainingen moest daarom de zelfstandigheid van de VKAJ en de zelfwerkzaamheid van de werkende meisjes sterk worden benadrukt.
‘Gemengde afdelingen’ werden om diezelfde reden niet opgericht. Het gebrek aan vrijgestelde leidsters had overigens het voordeel dat alle afdelingsbesturen, districtsbesturen en zelfs het diocesane bestuur werden gevormd door meisjes die elke dag in loondienst werkzaam waren.
Het touwtrekken met het (algemeen) vrouwelijk jeugdwerk werd uiteindelijk in het voordeel van de jeugdstandsorganisatie beslist. Er kwamen namelijk ook organisaties voor jonge boerinnen tot stand.
De opheffing van de diocesane bonden van de KAB in 1965 had ook gevolgen voor de jeugdstandsorganisaties. Over de bevoegdheden van de diocesane besturen en het nationaal bestuur van de KAJ was eind 1949 een conflict ontstaan. Het nationaal bestuur trad af maar de organisatiestructuur bleef gehandhaafd. Tot 1953 werden de leidersvorming en het uitgeven van de leidersgids(en) een taak van de diocesane bonden. Daarna werd weer een landelijke leidersgids uitgegeven en werden weer nationale propagandisten (bijeenkomsten voor vrijgestelden) gehouden.

KWJ

In 1965 gingen de KAJ en VKAJ op in een nieuwe ‘gemengde’ organisatie, de Katholieke Werkende Jongeren (KWJ). De KWJ was niet langer een hulpinstituut van de bisschoppen in Nederland. De rol van de aalmoezeniers werd gewijzigd en het verplichte lidmaatschap van katholieke vakbonden verdween evenals de ‘standsorganisatorische’ bijdrage.
De christelijke beginselen en richtlijnen van de kerkelijke overheid bleven vooralsnog richtsnoer voor het handelen. De samenwerking met het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) werd op een andere leest geschoeid dan tot dan toe gebruikelijk was met de KAB. Een aantal oud-gedienden zag in de KWJ geen wezenlijke voortzetting van de KAJ en VKAJ. Voor hen was dit het begin van het einde van ‘hun’ arbeidersjeugdbeweging.
Geert Wagenaer Secretaris Vakbondshistorische Vereniging VHV

Bron, indien niet anders vermeld, ‘Het uur van de arbeidersjeugd : de Katholieke Arbeiders Jeugd, de Vrouwelijke Katholieke Arbeidersjeugd en de emancipatie van de werkende jongeren in Nederland, 1944-1969 (Baarn, 1987)’, door Jan Peet -1987-, een publicatie van het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, uitgegeven door Uitgeverij Anbor te Baarn.