Het geheugen van de vakbeweging

“Een onafhankelijke vakbeweging hier en in de derde wereld is onmisbaar”

Gerrit Pruim (CNV): .”.. maar moet zich wel nadrukkelijker laten gelden”

Gerrit Pruim (1946) kwam in 1980 bij het CNV. De jongerenorganisatie wilde meer actie op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Die actie is er ook gekomen en toen hij in 2006 als Secretaris Internationale Zaken afscheid nam van het CNV ‘was de betrokkenheid van de bonden gegroeid en waren de weerstanden afgenomen’. Over de toekomst durft hij geen uitspraken te doen want ‘ik ben nu minder optimistisch over de vakbeweging dan toen ik er zelf werkte.’ Hij had én heeft twee ergernissen, namelijk de fusie tussen de internationale vakbondsorganisaties IVVV en het WVA waar hij een felle tegenstander van was en de pogingen van de Nederlandse overheid het projectenbeleid van de vakbeweging in de pas te laten lopen met het buitenlands beleid.

Gerrit Pruim: Gerrit Pruim: “Minder optimistisch over vakbeweging dan toen ik er zelf werkte”

Gerrit Pruim: “Minister Jan Pronk heeft ooit bepaald dat men verantwoordelijkheid moest geven aan de Nederlandse vakorganisaties en hen de vrijheid moest bieden zelf te beslissen wie men in de derde wereld zou steunen. Dat viel in deze minister te waarderen, maar op het ministerie groeide jaren daarna vooral onder juristen weerstand. Daar huldigde men de opvatting dat het om overheidsgeld ging en dat het volgens de normen van Buitenlandse Zaken besteed zou moeten worden. Het CNV wilde dat niet omdat het onze onafhankelijkheid zou aantasten. Mijn collega Willy Wagenmans van de FNV had daar minder moeite mee en er dreigde verdeeldheid. Besloten werd de zaak te bespreken in een gesprek met de toenmalige minister van Ontwikkelingssamenwerking, Eveline Herfkens en de voorzitters van CNV en FNV, Doekle Terpstra en Lodewijk de Waal. Tot onze verrassing reageerde Herfkens direct en duidelijk en benadrukte ‘natuurlijk heeft de vakbeweging een eigen verantwoordelijkheid,’ en daarmee was de kous af. Maar desondanks is de onafhankelijkheid van de vakbeweging afgenomen en is de onafhankelijkheid die we destijds van Jan Pronk kregen verdwenen. De keuze van landen die we steunen is nu helaas stevig gekoppeld aan het beleid van het ministerie.”

Handelsmissies

“Dat verwijt treft niet alleen de overheid, wij zijn als vakbeweging zelf ook verantwoordelijk en laten ons onvoldoende gelden. Neem de handelsmissies. Volgens het CNV zouden niet alleen overheid en ondernemers deel moeten uitmaken van dergelijke missies maar ook de vakbeweging. Staatssecretaris Ybema stemde daar mee in toen hij een handelsmissie naar Cuba leidde. Daarna volgden nog missies naar Midden-Amerika, India, China en Zuid-Korea waar beide vakcentrales aan deelnamen maar dat is daarna verwaterd. Je moet daar voortdurend attent op zijn, het elke keer aan de orde stellen en agenderen. Het Ministerie van Economische Zaken zal het niet uit zichzelf doen.
Affiche CLAT Nederland

Actie

Een van de oorzaken is volgens Pruim de toenemende bureaucratisering van de vakbeweging en dat botst maar al te vaak met snelle actie. ‘Er wordt teveel vergaderd en gebakkeleid’, zegt Pruim die in 1970 zijn werkzaam leven begon in de Raadskelder, een bekend en berucht politiek actiecentrum onder het Utrechtse stadhuis. Daar werden acties voorbereid tegen de afbraak van Amelisweerd en de bouw van Het Muziekcentrum van Herman Hertzberger en gaf de KEN (Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland) er zijn ‘indoctrinatiecursussen’. Ook startte de boekwinkel De Rooie Rat er zijn werkzaamheden. ‘Ik behoorde tot de gematigden’ en in 1969 besloot Pruim zich daarom helemaal te wijden aan de opbouw van CLAT-Nederland, de solidariteitsbeweging met de onafhankelijke vakbeweging in Latijns-Amerika. Toen hij in 1980 bij het CNV kwam, nam hij dat actieverleden plus de kennis van de vakbeweging in Latijns-Amerika mee. Aan de samenwerking tussen de drie vakcentrales was een einde gekomen en daardoor was de Stichting Ontwikkelingssamenwerking Vakbeweging (SOSV) ook opgeheven.

Professionalisering

“Bij Henk Hofstede bestond de wens om het werk op het gebied van ontwikkelingssamenwerking serieus aan te pakken. Hij was bestuurder ontwikkelingssamenwerking en de aanjager op een moment dat ook minister Pronk meer wilde samenwerken met de vakbeweging. Er kwam geld vrij voor steun aan ontwikkelingsprojecten van de vakbeweging. Arnold van Dam was inmiddels onze medewerker bewustwordingswerk geworden en ik werd secretaris van de CNV-Actie Kom Over. We hadden wat contacten met bonden in Indonesië, Suriname, in de Filipijnen en met de Latijns-Amerikaanse vakcentrale CLAT. Verder was er weinig. Bij het NKV was men het verst gevorderd en dat kwam door de Actie Wij & Zij, bestuurder Jacques Alders, de journalist Jan Glissenaar en de filmmaker Peter Pennarts. Met het NKV konden we lezen en schrijven en die waren het CNV en NVV ver vooruit.”
In 1987 protesteerden op initiatief van het CNV vertegenwoordigers van een groot aantal ontwikkelingsorganisaties én professor Tinbergen (met megafoon) op het Binnenhof tegen verlaging van ontwikkelingshulp.

Weerstanden

“Vanuit CLAT-Nederland was ik altijd sterk activistisch bezig geweest, maar de vakbeweging was op het terrein van ontwikkelingssamenwerking niet zo militant. Ik begon met het opzetten van kaartenacties als weer een vakbondsvrouw of – man gevangen was gezet. Wat veel voeten in aarde had was het benaderen van de leden van bonden en hen vragen om financiële steun. Dat gebeurde dan door een brief met acceptgiro te versturen, liefst ondertekend door de voorzitter van die bond. Wim van der Jagt van de Industrie- en Voedingsbond bond CNV maakte de opening en vervolgens gingen de Jongerenorganisatie CNV, de Dienstenbond CNV, de Hout-en Bouwbond CNV en de CFO overstag. Een positief bijeffect was ook dat we daardoor ‘eigen fondsen’ kregen en niet langer alleen afhankelijk waren van Den Haag. Ik ben er wel trots opdat we dat bereikt hebben en dat binnen het CNV nog steeds dergelijke mailingen worden verzonden.”
Gerrit Pruim bezocht in 1991 de krottenwijk Solidaridad, Chili

Te radicaal

‘Aanvankelijk ging het vooral om projecten uit Latijns-Amerika; met dat continent hadden we het meest contact. Het CNV heeft op dat punt ook wel een draai gemaakt. CLAT was in de ogen van sommige bestuurders ‘te radicaal, te marxistisch’. Een mening die trouwens gedeeld werd door oud-NVV-voorzitter André Kloos die schreef dat CLAT eigenlijk een marxistische club was geleid door radicale priesters. Binnen het CNV verdween die kritiek naarmate meer bestuurders zelf op bezoek gingen in Latijns-Amerika. Een van de eersten was een bestuurder van de Voedingsbond CNV, Age IJska. (zie onderschrift) Hij schreef een notitie over de landbewerkers in Latijns-Amerika en hij beschreef dat in halfmarxistische termen zoals ’uitbuitende klasse’. Ondertussen gaf hij ook de Nederlandse regering een veeg uit pan omdat deze een landbouwschool had gefinancierd met ontwikkelingsgeld waar enkel de zoontjes van grootgrondbezitters naar toe konden. Het zijn de bezoeken van Age IJska en later van Jan Lanser, Harm van der Meulen, Arie Hordijk en Henk Hofstede geweest, die scharnierpunten waren voor het ontstaan van het internationale solidariteitswerk. Men begon de radicale taal van CLAT beter te begrijpen en men werd met de neus op de werkelijkheid van dictaturen, de uitbuiting en de vervolging van vakbondsmensenmensen, gedrukt.”

Gevoelig: Indonesië en Zuid-Afrika

“Vanouds bestonden er banden tussen het CNV en de vakbeweging in Indonesië, vaak waren dat oudere vakbondsleiders die ook nog Nederlands spraken. Tot we in de jaren tachtig via de Gereformeerde Kerken in contact kwamen met een jongere generatie vakbondsleiders, geleid door Mochtar Pakpahan. Uiteindelijk zijn we zelf naar Indonesië gegaan en hebben we de vakbondssituatie ter  plekke onderzocht. Pakpahan was toen al verschillende malen in de gevangenis gegooid en we ervoeren de repressie ook aan den lijve. Ik was er samen met CNV-voorzitter Anton Westerlaken en projectmedewerker Jan Ridder. Op elke bijeenkomst was een agent van de geheime politie aanwezig.
De situatie rondom Zuid-Afrika was destijds in Nederland veel explosiever. Je was vóór of tégen de apartheid en als je tegen was, moest je alles boycotten. Arie Hordijk, destijds bestuurder Internationale Zaken zat daar tussenin en was tegenstander van een boycot. Het CNV steunde het Urban Training Project (UTP), een instituut waar zwarte vakbondsleiders werden geschoold die later een rol zouden spelen bij de NACTU, de vakbond van de zwarte bewustzijnsbeweging, die los stond van het ANC. Uniek waren de 14-daagse oriënteringsprogramma’s die we ten tijde van de apartheid in Nederland organiseerden voor zwarte vakbondsleiders. Dat was vooral in het begin een hele klus want visa werden daar niet gemakkelijk voor verstrekt. Het was het initiatief van Arie Hordijk die vooral van de actiegroepen in Nederland de wind van voren kreeg. Soms vond ik hem ook te voorzichtig tot ik met hem en professor Henk van Zuthem, Zuid-Afrika bezocht en we met de jonge UTP-vakbondsleiders de Minister van Arbeid bezochten. Op een subtiele manier las Hordijk deze minister van het apartheidsregime keihard de les, eerder als een vakbondsdiplomaat dan als een activist maar heel indrukwekkend.”
Actie voor Cuba op 27 maart 2004 op
Schiphol met oud-ambassadeur Coen Stork, Gerrit Pruim en CNV voorzitter Doekle Terpstra

Grootste teleurstelling

“Mijn grootse teleurstelling – en toen ben ik  ook afgehaakt – was het moment dat de meerderheid van de bondsraad  van het CNV ‘ja’ zei tegen de fusie van het IVVV en het WVA.  (Bij het IVVV was aanvankelijk het NVV en later ook de FNV aangesloten en bij het WVA het CNV en destijds ook het NKV, redactie), Dat ben ik nog altijd want het is slecht voor de internationale vakbeweging. Pluralisme is op alle terreinen noodzakelijk, alleen al om scherp te blijven. Het zou de dood in de pot zijn wanneer in Nederland een eenheidsvakbeweging zou ontstaan. Ik zie dat in andere landen waar een eenheidsvakbeweging functioneert, dat werkt niet. Dat zijn geen vakbondsmensen maar bureaucraten. Ik was fel tegen de fusie en heb daar intern geweldig voor gestreden maar ik heb dat verloren. Doekle Terpstra is door de bocht gegaan en de enige bonden die zich verzetten tegen de fusie waren de Dienstenbond CNV en de CFO. ”

(…)
Maar de financiële positie van beide vakbondsinternationales was toch allerbelabberst?
“Van het WVA zeker, maar met een kleine club en weinig middelen kun je veel ondernemen. Dat heb ik wel bij CLAT-Nederland geleerd. Zonder grote kapitalen kun je gemakkelijk een hele goede internationale opzetten. Dat is een kwestie van aanpakken en de juiste mensen op de juiste plaats; geen bureaucraten maar actievoerders die met weinig veel kunnen aanpakken. Dan had het WVA kunnen blijven bestaan, ongeacht de financiële afhankelijkheid van ACV en CNV. Maar dan moet je er wel activisten neer zetten en geen bestuurders.”
Kees van Kortenhof
Jeroen Sprenger

Campesinos niet in tel in Latijns-Amerika

Ontwikkelingsgeld komt zelden bij arme landarbeiders

Age IJska: “Dat er armoede heerst en men onder slechte omstandigheden moet leven, wist ik wel. Maar dat het alllemaal zo erg is, daarvan had ik geen flauw vermoeden. Je mag grerust weten, dat ik er geschokt vandaan ben gekomen en een hele tijd nodig heb gehad om alles, wat ik gezien heb, persoonlijk te verwerken.”
Dit zegt de heer A. IJska, die als president van de Wereldfederatie van Agrarische Arbeiders (WFA) een werk- en studiereis gemaakt heeft door een aantal landen in Latijns-Amerika. IJska concludeert dat ‘de ontwikkelingsgelden waarmee in Zuid-Amerika agrarische hervormingen worden gefinancierd slechts zelden ten goede komen aan de arme landarbeiders, voor wie ze eigenlijk bestemd waren’.

Bron: Trouw, 19 mei 1972