Het geheugen van de vakbeweging

Eén Mei-viering in Leeuwarden

Beschouwing over de moderne betekenis van de Dag van de Arbeid

De eerste Mei-meeting in Nederland vond plaats in Leeuwarden, op een stuk land aan Achter de Hoven. Geen zaalhouder in de stad was bereid een zaal aan de socialisten te verhuren. Het was niet alleen de eerste maar ook de grootste meeting die dag in Nederland. Tien- tot twaalfduizend mensen waren er, uit alle delen van Friesland. Uit het Bildt een stoet van 600 mannen in rijen van vier en daarachter vijftien rijtuigen met vrouwen en kinderen. Ze maakten diepe indruk, omdat zij midden in een grote staking stonden, gevoerd door hun landarbeidersbond ‘Broedertrouw’. In een lezing voor de PvdA in 1999 op de Dag van de Arbeid, roept de sociaalhistoricus Johan Frieswijk aan de eerste viering herinneringen op. En stelt hij vragen bij de moderne betekenis van de Eerste Mei.

Omslag van Der Klang der Fanfare van Johano StrasserOmslag van Der Klang der Fanfare van Johano Strasser

De Duitse hoogleraar Johano Strasser, die in Leeuwarden geboren werd, beschreef in de roman Der Klang der Fanfare een Eén Mei-optocht uit zijn jeugd, voor de oorlog. Een passage daaruit:

Precies om zes uur geef ik wachtmeester Muntingh van de gemeentepolitie een teken. Hij stelt zich aan het hoofd, het muziekcorps zet de Marseillaise in: , en de stoet komt in beweging. Rond het brede plein, dan het Zaailand, langs een stuk Nieuwe Weg, in oostelijke richting tot aan de Wirdumerdijk. De verdere route: Wirdumerdijk, St.Jacobstraat, Eewal, Voorstreek, Tuinen, Oostergrachtswal, Zuidergrachtswal, over de Beursbrug terug naar het Zaailand. Vandaar zijn het dan nog maar een paar stappen naar de Harmonie, waar stipt om 20 uur de avondbijeenkomst begint.

Zoals Johano Strasser, nog steeds de klank van de fanfare op Eén Mei hoort, is mijn historisch beeld van Leeuwarden van de jaren vijftig niet compleet zonder de herinnering aan de Eerste Mei. Ik ging die dag niet naar school maar ’s middags naar het rode kinderfeest in de – inmiddels ook al afgebroken – Harmonie. Die dag manifesteerde zich op die plaats de Leeuwarder rode familie. ’s Morgens was de wijdingsbijeenkomst met dominee David Bender, het zangkoor ‘De Dageraad’ en de dansgroep van de AJC. En ’s avonds na de Eén Meibetoging werd in De Harmonie het rode familiefeest gevierd. Bij al die rode herinneringen horen onvermijdelijk de rode tulpen die we bij oude en zieke partijgenoten brachten, het portret van Troelstra bij opa thuis aan de wand, en de stapels folders met Stemt Drees, die op de avond voor de verkiezingen in de bus moest worden gestopt.
Johan Frieswijk, sociaalhistoricus, auteur van dit artikel

In 1889 werd door de Socialistische Internationale besloten de Eerste Mei internationaal te vieren. Het werd de Dag van de Arbeid. De dag immers dat op veel plaatsen de arbeidscontracten werden vernieuwd. Die dag zou een rustdag moeten zijn voor de arbeiders čn een toogdag, ten gunste van de acht-urige werkdag. Of zoals een van de Meikiederen dat zei:

De eerste Acht uur werken,
Acht uur rusten,
Acht uur vorming van ‘t verstand.

Acht uur werken, acht uur rust en acht uur vrij – dŕt was het ideaal dat de arbeiders voor de toekomst voor ogen stond. Maar hoe nabij die toekomst was, was in 1890 nog onduidelijk. Voorlopig waren werkdagen van 12 uur of meer, vooral in de zomer, beslist geen uitzondering.

Eerste en grootste meeting

De eerste Mei-meeting in Nederland vond plaats in Leeuwarden, op een stuk land aan Achter de Hoven. Geen zaalhouder in de stad was bereid een zaal aan de socialisten te verhuren. Het was niet alleen de eerste maar ook de grootste meeting die dag in Nederland. Tien- tot twaalfduizend mensen waren er, uit alle delen van Friesland. Uit het Bildt een stoet van 600 mannen in rijen van vier en daarachter vijftien rijtuigen met vrouwen en kinderen. Ze maakten diepe indruk, omdat zij midden in een grote staking stonden, gevoerd door hun landarbeidersbond ‘Broedertrouw’.
Waarvoor stond die Eerste Mei? Het is sinds 1890 in tal van liederen en toespraken uitgedragen. De viering van de Eerste Mei drukt in de eerste plaats een gevoel uit. Een gevoel van samenhorigheid en van eensgezindheid, van mensen die streden voor dezelfde zaak. Saamhorigheid, niet alleen met al die mensen die bijelkaar kwamen, maar ook nationaal, ja, zelfs internationaal. Het was de metaalbewerker Adamas, die in 1895 dichtte:

De dag waarop de proletaren
Begrensd door staatsverdrag of taak
zich om de rode vaandels scharen,
vereend, als internationaal

De Eerste Mei was een toogdag, waarop je demonstreerde en liet zien, dat het om een ideaal ging, het socialistisch ideaal. Dat socialisme – daar waren we heilig van overtuigd – zou eens een ander soort maatschappij brengen. Socialisten geloofden heilig in de komst van die toekomstige samenleving, waarin de arbeidersklasse een materieel beter en rechtvaardiger bestaan zou krijgen. Of zoals een traditioneel Meilied van een onbekend dichter uit de vorige eeuw het verwoordde:

Een maal zal een meidag komen
als er nimmer is geweest.
Dan zal d’armoe zijn verdwenen
zo voor groten als voor klenen.

Een samenleving, waar aandacht zou zijn voor de armen en onterfden, waarin de maatschappelijke productie eerlijk verdeeld zou worden, waar welvaart zou heersen een geluk. Waarin vrijheid in de plaats zou zijn gekomen van onderdrukking. Waarin arbeiders het kiesrecht zouden bezitten, en arbeidsbescherming en sociale wetgeving genieten. Een samenleving, waarin er nooit meer oorlog zou zijn. En die wens werd op de Eerste Mei door miljoenen mensen, overal ter wereld, uitgedragen. Ton Oosterhuis dichtte in 1950,

Strijdend voor vrijheid, welvaart en vrede
heffen wij hoog de vlammende vaan,
breken de muur van angst en bedreiging
en bouwen op aarde een nieuw bestaan.

De verdwenen rode familie

De Eerste Mei, zoals die zo lang is gevierd, lijkt geschiedenis te zijn geworden. Zoals veel uit het rode verleden geschiedenis is geworden. Verdwenen is de ‘rode familie’, die nog in de jaren vijftig zijn boeken kocht in de Arbeidersperswinkel op de Tweebaksmarkt, geabonneerd was op de daar gedrukte Friese editie van Het Vrije Volk, bij wie de bezorger de Naar het Licht-kalender bracht, en die niet elders durfde te kopen – ook al waren de producten elders goedkoper en beter – dan in de winkels van de eigen Coöperatie Excelsior. 
Wat betekent die Eerste Mei vandaag nog voor ons? Willen we daar nog iets mee duidelijk maken? En zo ja, wat? Moeten we de Eerste Mei eigenlijk nog wel vieren? Daar gaat natuurlijk een vraag aan vooraf: hebben wij socialisten de mensen nog wel een boodschap te brengen? Iets anders gesteld: heeft het internationale socialisme de mensen nog wel iets te vertellen, zoals dat vroeger was? We moeten constateren dat onze samenleving er anno 2000 geheel anders uitziet dan honderd jaar geleden. Geconstateerd kan worden dat sinds het optreden van de socialistische beweging veel onderdrukking verdwenen is, en dat we de vrijheid van vereniging en vergadering hebben gekregen. Dat de mensen in Nederland het materieel zoveel beter hebben gekregen dat bijna ieder gezin zijn auto heeft en ver weg op vakantie kan, al dan niet met een eigen caravan. Dat we al zo aan het feit dat iedereen kiesrecht heeft, gewend zijn geraakt, dat nauwelijks nog de helft van de bevolking gaat stemmen. Dat we nu al de invoering van een werkweek van 36 uur hebben meegemaakt. Dat zaken als sociale voorzieningen, arbeidsbescherming en ouderdomspensioen al een eeuw geleden lijken te zijn ingevoerd. Dat ieder kind het recht en de mogelijkheid heeft om het onderwijs te volgen, waarvoor het gekozen heeft. Waar moeten wij socialisten dan nu in hemelsnaam nog voor strijden?
Sinds 1900 is er in Nederland veel veranderd. In materieel zowel als in immaterieel opzicht. In de eerste plaats verdween door de mechanisering langzaam maar zeker het rekruteringsveld van de socialistische beweging: de arbeidersklasse. Feitelijk zijn er in Nederland nog nauwelijks arbeiders in traditionele zin te vinden. Van een arbeidersklasse zoals die er vroeger was – een proletariaat zoals dat toen werd genoemd – kan nauwelijks meer worden gesproken. Wie wenst er nu nog als proletariër aangesproken te worden? En misschien heeft die solidaire klasse van mensen in eenzelfde sociale positie wel nooit echt bestaan en was het niet meer dan een trefwoord, een aanspreekpunt, een strijdcategorie. Want dat die eenheid vroeger beleefd werd, was wel zo? Natuurlijk zijn er nog zaken te noemen waar wij ons voor kunnen inzetten. Ik noem enkele voorbeelden:

  • het bestrijden van de tweedeling tussen actieven en niet-actieven in deze samenleving
  • de zorg voor het toenemend aantal ouderen
  • de zorg voor zieken, gehandicapten en andere groepen
  • het opvangen en beschermen van vluchtelingen
  • de zorg voor het milieu
  • de zorg voor een beter onderwijs
  • het uitbannen van de oorlog
  • het bestrijden van de uitbuiting van de Derde Wereld.

Dat zijn echter allemaal zaken, die geld kosten, dus waarvoor solidariteit nodig is tussen mensen. Er moeten offers worden gebracht door de gemeenschap om anderen – die er slechter aan toe zijn – te helpen of om op bepaald terreinen gemeenschapsvoorzieningen te kunnen realiseren. De vraag in onze huidige samenleving is: hoe ver gaat onze solidariteit. Horen deze voorbeelden niet feitelijk tot een ver van mijn bed show? Zijn we echt bereid daarvoor materieel iets in te leveren of op te offeren? Zal, wanneer de Partij van de Arbeid zich sterk maakt voor deze zaken, zodat er meer gedaan wordt dan nu, niet aanhang en kiezers verliezen? Want, hoe ver-individualiseerd is eigenlijk onze maatschappij? Hoe ver-materialiseerd? Zijn we immers niet allemaal kleine kapitalistjes geworden? Is de Partij van de Arbeid niet een partij van leden en vooral kiezers uit de middenklasse geworden?

Ouderen en onderwijs

Ik weet het, dergelijke opmerkingen klinken natuurlijk niet leuk, maar het gaat wel om feiten. En om feiten die we onder ogen moete zien. Daarbij moeten we er rekening mee houden dat de roep om lastenverlichting blijft klinken en dat ook de PvdA doet daar aan mee. De voorbeelden die ik hiervoor noem zal ik op twee punten van beleid toespitsen, in mijn ogen twee maatschappelijke problemen van deze tijd: het ouderenbeleid en het onderwijs. De maatschappelijke ontwikkeling heeft met zich meegebracht dat mensen steeds ouder worden. En dat kost veel geld dat door een kleiner wordend deel van de bevolking moet worden opgebracht. Dus werd er vanwege de lastenverlichting bezuinigd en werd de vraag niet voldoende bijgehouden. We zien grote problemen ontstaan in de gezondheidszorg, in de ouderenzorg, in de woonvoorziening voor ouderen. Die problemen betreffen in de eerste plaats de kwaliteit van de zorg aan ouderen. Het moet in heel snel tempo gedaan worden en daarvoor komen steeds anderen. Maar ook de hulpverleners zelf voelen zich afgeknepen. Ze worden opgejaagd om te veel in te korte tijd en te snel te doen en ze worden daarvoor ook nog eens onderbetaald. De problemen die over enkele jaren op dit terrein ons afkomen, moeten worden aangepakt, anders wordt het ouder worden in Nederland een ramp. En dat zal offers vragen.
Een ander punt betreft de jongeren. Toen de PvdA bij de laatste verkiezingen bij ons in Beetsterzwaag op tournee kwam, zei een van mijn kinderen, de folder bekijkend: het gaat alleen over ouderen. Wat doen ze eigenlijk voor ons? Ik moest het antwoord schuldig blijven. Want wat de laatste jaren is gebeurd op het terrein van het onderwijs is ronduit rampzalig. Ook dat onderwijs kostte te veel en dus werd het afgeknepen: de studieduur werd verkort, men mocht minder lang studeren, de individuele begeleiding werd afgeschaft, de studiebeurzen werden verlaagd en de prestatiebeurs werd ingevoerd. Nieuwe leerkrachten werden voortaan in een lagere salarisschaal gezet. Daarentegen nam de werkdruk zeer sterk toe. We zijn zo bezig ons onderwijs om zeep te helpen. Wat nu afstudeert heeft nauwelijks nog enige algemene kennis, want daar is geen tijd voor, nauwelijks geoefend voor de praktijk, niet goed gekwalificeerd en is vaak niet direct inzetbaar. Maar ja, beter onderwijs kost geld en daarvoor moeten offers worden gebracht.
Het zijn twee voorbeelden van groepen, waar zorg aan besteed moet worden. Ik stel twee vragen:

  1. Wat is het voor maatschappij, die te beroerd is om genoeg geld op tafel te leggen om jongeren fatsoenlijk op te leiden en ouderen een fatsoenlijke oude dag te bezorgen?
  2. Zijn wij bereid koopkracht in te leveren voor beter onderwijs en voor betere hulp- en andere voorzieningen voor ouderen? Zijn we bereid hulpverleners, verpleegkundigen, onderwijzers en leraren beter te betalen en te bevrijden van hun werkdruk?

Ik noemde twee voorbeelden, er zijn er veel meer te bedenken. Maar meer geld voor voorzieningen en zwakkeren vraagt offers. En offers brengen vraagt solidariteit. Daarmee zijn we terug bij de centrale gedachte van de Eerste Mei: de broederschap voelen in de strijd voor een betere samenleving. Een dag om stil te staan bij het vele dat nog mis is in deze maatschappij, om stil te staan bij de zwakkeren in deze samenleving en de middelen om die uit naam van het socialisme iets te doen aan misstanden. Zoals dat meer dan honderd jaar lang op de Eerste Mei is gedaan.
Pieter Jelles Troelstra, advocaat, oprichter van de SDAP
en dichter

Op die eerste Meidag die gevierd werd kwam het tot een breuk tussen een jonge Leeuwarder advocaat en zijn vader de wethouder, wiens huis die dag door de politie bewaakt werd. Het kwam tussen beiden tot een felle woordenwisseling. De zoon, die naar de meeting was geweest, koos definitief voor het socialisme. Hij beet zijn vader de volgende woorden toe: ’Denk niet, dat ik die zaak ooit ontrouw zal worden. Ik moet, het is mijn roeping’. Pieter Jelles Troelstra – ja, want om hem ging het – schreef een lang gedicht, om de Friezen te laten weten dat hij de roep der duizenden die naar vrijmaking van de arbeid streefden, had verstaan. Het heet In nije tiid. Met een fragment daaruit zou ik vandaag willen eindigen:

Der giet in rop oer alle lannen,
In rop om frijdom, witnis, ljocht;
Der rűst in wurd lâns alle strannen,
Dat seit, wat mannich herte tocht;
Der skynt in sinne oer tűzen knoppen,
Dy’t tsjuster hindre om har t’űntjaan,
En skrouske fűgels wurde roppen
Om ek de wjukken út te slaan;
Der waait in wyn mei foarske twjirren
Oer hiel de triljende ierde rűn;
Wat fęststie lange, lange jierren,
Falt no, fermôge, tsjin ’e grűn.