Het geheugen van de vakbeweging

Arie Groenevelt, een vakbondsloopbaan in drie beleidsnota’s, van ‘Fijn is anders’, naar ‘Breien met een rode draad’ tot ‘Doormodderen of durven’…


Een crisiskind in de naoorlogse vakbeweging

De lotgevallen van Arie Groenevelt (1927-2017)

Meer dan menig andere vakbondsleider is Arie Groenevelt het gezicht van de Nederlandse vakbeweging in de jaren zeventig en tachtig. Hij heeft bijgedragen aan de omvorming van een vakbeweging die inhoud geeft aan de naoorlogse sociale harmonie, naar een meer maatschappijkritische vakbeweging. In ‘De lotgevallen van een crisiskind’ schetst hij zijn eigen ontwikkeling, illustreert die met kenmerkende gebeurtenissen die daar een grote invloed op hebben gehad, en plaatst die tegen de achtergrond van de sociaaleconomische ontwikkeling. De polarisatie waaraan hij mede inhoud geeft, heeft hem zelf ook een man gemaakt met fervente medestanders, maar ook met stevige tegenspelers.
Op 24 december 2017 is hij, 90 jaar oud, in zijn woonplaats Houten, “na een leven waarin solidariteit en strijd volop aanwezig waren, in alle rust overleden”.

Arie Groenevelt in een kenmerkende posie op een congres van de Industriebond NVV

Arie Groenevelt beleeft zijn eerste kinderjaren in het gezin van een landarbeider in Alphen aan de Rijn, met alle armoede van dien. Als hij vier jaar is verhuist het gezin, waarin nog twee oudere zussen zijn en een jongere broer, naar Utrecht. Vader gaat daar werken in een betonfabriek aan de Groeneweg. Ze gaan daar niet al te ver vandaan wonen in de Kanonstraat, nabij het Centraal Station. Het is de wijk die tegenwoordig beter bekend is als Lombok. Daar groeit Arie op, daar gaat hij naar openbare lagere school ‘om de hoek’.  De armoede is niet veel minder dan in Alphen, maar desondanks kan de contributie voor de SDAP, de bond en de premies voor de verzekeringen ervan af. “Bij ons kwam er een heel leger van mensen aan de deur. De bode van de Centrale kwam de premies voor de verzekeringen innen; er werd gevent met Vrijheid, Arbeid en Brood – een blad van de SDAP – de krantenman kwam zijn geld halen; de bode van het Ziekenfonds kwam om zijn centjes en zo waren er nog wel een paar die bij ons aanbelden.” Geld voor een HBS-opleiding kan met al deze vaste lasten er dan niet meer af. Na een verlengde lagere school gaat Arie op 14-jarige leeftijd werken en daarnaast naar de Burger Avond School. Daar krijgt hij aspecten van het HBS-onderwijs aangeboden naast vaktechnische vakken voor de opleiding tot instrumentmaker. Het diploma krijgt hij pas in 1947, omdat de school in de oorlog enige tijd gesloten is geweest op last van de NSB-burgemeester van Utrecht.

Militaire dienst

Na de oorlog wordt Arie snel lid van de AJC en van de bond. Collega’s binnen de aan de Muntkade gelegen fabriek waar hij werkt, de Elektrotechnisch Mechanische Industrie (EMI), hebben de gesprekken met oudere collega’s de interesse daarvoor bij hem gewekt. Ook de gesprekken met hen over politiek hebben een grote indruk op hem gemaakt. Van de AJC wordt hij al snel kaderlid. Daardoor krijgt hij uitstel van militaire dienst, maar in 1949 – hij is dan 22 jaar oud – moet hij er toch aan geloven. Na de eerste opleiding wordt hij via loting als ‘vrijwilliger’ aangewezen om in Nederlandse Indië zijn diensttijd voort te zetten. “In de AJC en de SDAP werden heftige debatten gevoerd over de rechtmatigheid en de morele kanten van de taak die de Nederlandse militairen in de tropen te vervullen kregen. Aan die debatten nam ik natuurlijk ook deel en ik heb mij in een grote bijeenkomst voor het kader van de AJC door Koos Vorrink, de voorzitter van de PvdA, laten overtuigen dat ons land in Indië een missie te vervullen had, gericht op het ordentelijk en geleidelijk verlenen van zelfstandigheid aan het volk van Nederlands-Indië.
Eenmaal daar wordt hem de werkelijke reden voor de politionele acties helder. “Gaandeweg kreeg ik door dat ik niet in de tropen was gekomen om de belangen van het Indische volk te dienen, maar dat ik deel uitmaakte van een schild voor de Hollanders die poogden hun posities in de toekomst veilig te stellen en dat daar het hele conflict in alle voorgaande jaren om had gedraaid. De oude Drees had zich door de legerleiding en de roomse en christelijke partijen een oor aan laten naaien en wij, militairen, waren daar ook slachtoffers van. Drees verdedigde zich met het argument dat hij en zijn medeministers van PvdA huize met het Indië beleid waren meegegaan om te voorkomen dat, bij de terugtrekking van de PvdA-ministers uit de regering, de opbouw van de sociale voorzieningen in Nederland gevaar zou gaan lopen.” Het is niet de laatste keer dat Arie het dilemma van de ‘burgemeester in oorlogstijd’ voor sociaaldemocraten signaleert.
In zijn jeugd heeft Arie een flinke aversie tegen religie opgebouwd en tegen iedere vorm van decadentie. Het geloof is er naar zijn mening ‘letterlijk uitgeslagen’ tijdens een logeerpartij bij de zwaar gelovige ‘Oom Kees’. “Na de avondmaaltijd las hij steevast uit de Bijbel voor en deed dat zo slaapverwekkend, op een dominees toon en zonder acht te slaan op leestekens, waardoor het een brij van woorden werd, dat ik al snel werd afgeleid door b.v. een vlieg op de vliegenvanger of door de stofjes in een baan zonlicht en niet luisterde naar oom Kees die voor mij onbekende, oninteressante en niet te volgen verhalen ten gehore bracht. Dat werd me noodlottig! Plotseling vroeg hij: ”Wat was het laatste woord?” Al had ik er mijn eeuwige zaligheid mee kunnen verdienen, ik wist het niet en een dreun voor mijn kop was mijn ‘beloning’.” Hoewel hierop voorbereid lukt het hem ook de volgende dagen niet het laatste woord te herinneren. Het is een ervaring waaraan hij in zijn boek verschillende mate refereert.

Districtsbestuurder

Het geloof in de door de naoorlogse vakbeweging van harte nagestreefde sociale harmonie sneuvelt in een ontmoeting met Hoogovens-topman Schoemaker. Arie, dan districtsbestuurder van de Algemene Nederlandse Metaal Bedrijfsbond (ANMB), doet in onderhandelingen een appčl op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van dit staalbedrijf. Daarvoor is hij bij Schoemaker aan het verkeerde adres. “Mijnheer Groenevelt, wij maken momenteel staal met 22.000 mensen, maar als wij morgen dezelfde hoeveelheid staal met 10.000 mensen kunnen maken, dan zullen wij die 12.000 mensen, die we niet meer kunnen gebruiken, graag aan de zorg van de maatschappij overdragen”. Voor Arie heeft daarmee het vertrouwen in werkgevers afgedaan. “Het conservatief-liberale vrijheidsdenken was niet dood, het had zich in de opbouwfase na de oorlog alleen maar een beetje gedeisd gehouden!
De heftige ervaringen met ‘Oom Kees’ en de Hoogovens-directeur gevoegd bij zijn weerzin tegen decadentie werken bij de geheelonthouder Arie Groenevelt ook door binnen zijn directe werkkring. Vanaf 1959 is dat het Utrechts districtskantoor van de ANMB. Niet altijd tot genoegen van zijn collega’s. Als hij als districtsbestuurder eerst lang moet wachten tot het de werkgever behaagt eindelijk eens aandacht aan de vakbondsvertegenwoordigers te besteden om hen vervolgens aan een rijkelijk gevulde lunch te noden, zegt hij daar het zijne van. “Ik bracht onder zijn aandacht dat ik nu al ruim een uur binnen was, er nog geen woord was gewisseld over de zaak waar wij voor waren gekomen en dat ik niet gewend was om op deze manier zaken te doen en ook niet van plan was daar een gewoonte van te maken. Van het zakelijke deel kwam die dag niet veel terecht, daar was ik schuldig aan en dat werd mij steeds weer in bedekte termen duidelijk gemaakt.” Later heeft hij daar een pittig onderhoud over met zijn districtshoofd en de NKV- en CNV-collega’s. “Ik heb hen duidelijk gemaakt dat het niet aanging om op deze manier met de belangenbehartiging van de leden om te gaan. Een bestuurder met een beetje zelfrespect behoorde zich niet op kosten van een werkgever vol te laden met dure hapjes en drankjes, terwijl de mensen in de werkplaats het nakijken hadden.” De relatie met zijn districtshoofd verslechtert daardoor ernstig. Dat verergert als tijdens zijn vakantie bij Werkspoor een hoogoplopend conflict ontstaat over de indeling van vaklieden in functieklassen. De districtschef blijkt het betreffende dossier maanden voor zich uit te hebben geschoven. Tot een definitieve breuk komt het als NVV-leden massaal in opstand komen tegen een loonmaatregel. Weer is het districtshoofd met vakantie. Het kost Arie en zijn collega’s de grootste moeite om de woede van de leden te beteugelen. Als daarna blijkt dat hun chef gewoon thuis is gebleven, is voor Arie de maat vol. Met enkele collega’s dringt hij bij het bondsbestuur op zijn vertrek aan. Het bondsbestuur vraagt hem de functie op zich te nemen.

Bondsbestuurder

Niet veel later, in het najaar van 1967, sommeert voorzitter Maarten Zondervan Arie op stel en sprong naar het hoofdkantoor in Den Haag te komen. Hij is er niet van gediend en eigenlijk ook niet van Zondervan, met wie hij op zeer vriendschappelijke voet staat, gewend. Met grote tegenzin laat hij alle afspraken afzeggen en aanvaardt hij boos en verongelijkt de reis naar Den Haag, zich constant afvragend wat er zo dringend kan zijn. Tot zijn grote verrassing zegt Zondervan hem dat hij wordt voorgedragen voor het bondsbestuur. Een nieuwe wereld ontvouwt zich voor hem.
Arie wordt voorzitter van de Beambtenvakgroep, een overblijfsel van de fusie met de Bond van Werkmeesters, Technici en Opzichthoudend personeel (BWTO). Een fusie die is voortgevloeid uit de doorvoering in de jaren vijftig van de aanbevelingen van het Blauwzwarte boekje binnen het NVV. Verder krijgt hij het voorzitterschap van de Vrouwencommissie, de portefeuille Medezeggenschap en Bedrijvenwerk, toegewezen. Daarnaast valt hem het Jongerenwerk en de propaganda voor de bond ten deel; een lot dat de jongste bestuurders wel vaker is overkomen.
Nauwelijks drie jaar later overlijdt Maarten Zondervan onverwachts, op 51-jarige leeftijd. Zijn opvolging heeft iets weg van ‘de tien kleine negertjes’. Alle oudere collega’s voelen zich om verschillende redenen niet gekwalificeerd. Bondssecretaris Kees de Hay stelt dan vast dat Arie als jongste geen andere keuze rest dan bondsvoorzitter te worden. Na een halfuurtje bedenktijd en een telefoontje met zijn vrouw Gerrie aanvaardt hij het voorzitterschap. Daarna breekt het deel van zijn loopbaan aan waarvan iedereen hem kent.

Bondsvoorzitter

Arie moet snel enkele taken overnemen die Zondervan tot zijn plotselinge overlijden heeft vervuld. Hij gaat de fusiebesprekingen leiden met de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC, met leden in voornamelijk chemische bedrijven) en De Eendracht (textielbedrijfsbond), die in 1971 snel uitmonden in de Industriebond NVV. Ook wordt hij eerste onderhandelaar van de bond en daarmee ook werknemersvoorzitter van de Raad van Overleg Metaalnijverheid (ROM). Dat brengt hem in conflict met de voorzitter van de Industriebond NKV, Piet Brussel. Zijn voorstel die functie te vervullen om hem zo de kans te geven zich in te werken in zijn zware functie, wordt helder van de hand gewezen. Die functie valt de grootste bond in de sector toe. Dat heeft Brussel hem nooit vergeven. Als in 1972, 1973 in verschillende sectoren gesprekken op gang komen tussen NVV- en NKV-bonden om tot verregaande vormen van samenwerking te komen, wil ook Arie contact opnemen. “Maar om tot een gesprek met de Industriebond NKV te kunnen komen kon ik niet om hem heen. Dat gesprek over nadere samenwerking vond plaats op 12 april 1972. De koffie in Restaurant Den Hommel in Utrecht smaakte goed, maar het gesprek leek nergens op! Toen ik mijn verhaal had gehouden en hem had voorgesteld na te willen denken over een verdergaande samenwerking en op den duur mogelijkerwijze ook een volledig in elkaar opgaan van onze beide bonden, keek hij mij verbijsterd aan. Ik had hem beter kunnen voorstellen om samen de Nederlandse Bank te gaan beroven, daar had hij nog wel over willen nadenken, maar wat ik hem nu voorstelde was voor hem een onzinnige en zelfs perverse gedachte en liet mij weten dat hij persoonlijk ernstige en principiële bezwaren had tegen een verdergaande samenwerking tussen de beide bonden.” De fusie komt dan ook pas jaren later na bemiddeling van Wim Kok en Wim Spit tot stand en als Brussel met pensioen is gegaan.
In 1972 zoekt Arie de confrontatie met NVV-voorzitter Harry ter Heide. Ter Heide wil een centraal akkoord sluiten, waarin naar de mening van Arie geen rekening is gehouden met de uitkomsten van de raadpleging over het arbeidsvoorwaardenbeleid binnen de bonden. Hij weigert ermee in te stemmen. Het gevolg is dat Ter Heide aftreedt en Wim Kok hem na enige tijd opvolgt.
Arie hecht grote waarde aan een goede relatie met zijn achterban. Dat blijkt aan de inzet van de clash met Ter Heide. Bij een grote staking in de metaal in 1973 kan hij niet aan zijn eigen opvattingen voldoen. Tegen Pasen dreigt de staking vast te lopen. Veel districtsbestuurders van de drie bonden hebben de vrees dat de staking niet over de feestdagen heen kan worden getild. SER-voorzitter Jan de Pous wordt bereid gevonden op Goede Vrijdag voor de televisie een oproep aan de strijdende partijen te doen om het conflict te beëindigen en na Pasen de onderhandelingen te hervatten. “Op het moment dat ik zijn gezicht op de tv zag verschijnen en in gevoelvolle woorden zijn oproep zag uitspreken, besefte ik dat dit door de werkgevers als een zwaktebod zou worden beschouwd en dat het middel erger was dan de kwaal waarvoor werd gevreesd. Ik had op dat moment wel in de muur willen weg kruipen. Alle partijen reageerden met de mededeling dat er een bestand kon worden gesloten en dat de onderhandelingen na de Paasdagen konden worden hervat, maar onder de stakers ontstond grote woede over het feit dat dit allemaal was geregeld zonder dat zij er over mee hadden kunnen praten. Van enige stakingsmoeheid was geen sprake geweest, zo zeiden zij en ik werd aan alle kanten belaagd, ook door de mensen die mij er tevoren op hadden gewezen welke gevaren onze staking bedreigden! Een goede actie om een betere cao eindigde in een kleine ramp, omdat wij het recht op inspraak van kaderleden en leden met voeten hadden getreden. En dat is me nog lang nagedragen.”

Fijn is anders en Breien met de rode draad

Op de ledenontwikkeling heeft dit alles geen negatieve invloed. Beleidsnota’s als ‘Fijn is anders’ en ‘Breien met de rode draad’, die Arie’s vakbondsbeleid goed onder woorden hebben gebracht, oefenen een grote aantrekkingskracht uit op werknemers in de industrie, maar ook in andere bedrijfstakken. Veel van de gedachten krijgen ook hun doorwerking in het beleid van de andere bonden. Maar als de economische wind na de oliecrises van de jaren zeventig uit een andere hoek gaat waaien, wordt het minder. Industriële bedrijfstakken die na de Tweede Wereldoorlog een grote bloei hebben gekend, zakken geleidelijk aan in. “Ik heb toen een paar jaar leiding gegeven aan een bond die vele, vele leden in de WW en de WAO zag verdwijnen en dat tastte de slagkracht van de bond geweldig aan. De bestuurders in de districten holden van de ene reorganisatie naar de andere bedrijfssluiting en de aandacht voor bredere maatschappelijke vraagstukken kwam op een laag pitje te staan. De werkgevers hielden de geldbuidels dicht, onderhandelingen over CAO-en kwamen onder de druk van de economische malaise maar moeilijk op gang en we moesten alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat moeizaam verkregen rechten uit de CAO-en zouden verdwijnen. In de politiek wist men ter rechterzijde de oplossing voor de problemen! De broekriem moest worden aangehaald en als iedereen een stapje terug zou doen dan zou alles weer goed komen.” Tegen die achtergrond komt de bond in 1982 met de beleidsnota ‘Doormodderen of durven’, waarin in belangrijke mate afscheid wordt genomen van de eerdere beleidsnota’s. “Er stak een storm op in vakbondsland en toen die storm was uitgewoed, werd de nota door de bondsraad verworpen. De analyses klopten, zo was het oordeel van het hoogste orgaan binnen de bond, maar de twijfels waren zo groot dat de bondsraad de inhoud van de nota niet tot bondsbeleid wilde verheffen. Tot mijn teleurstelling waren wij als Industriebond het initiatief kwijt en namen anderen de regie in handen.” Na meer dan tien jaar in de frontlinie te hebben gestaan schuift Arie zichzelf geleidelijk aan wat naar een minder prominente positie. In 1983 besluit hij zijn functie neer te leggen. In de luwte maakt hij zich nog tot najaar 1987 in de luwte voor de bond verdienstelijk.

De tijd heelt alle wonden

In ‘de lotgevallen van een crisiskind’ beschrijft Arie Groenevelt niet alleen zijn persoonlijke ontwikkeling. Hij geeft een aardige tekening van de naoorlogse sociaaleconomische ontwikkeling en licht die toe vanuit zijn eigen praktijk. Hij laat daarbij meer facetten van zichzelf zien, dan het eendimensionale beeld dat de publiciteit van hem als vakbondsleider heeft gevormd. Ook geeft hij zo een aardig inzicht in de ontwikkeling van de vakbeweging. Voor veel van zijn generatiegenoten is het heel herkenbaar, voor de nieuwe lichting vakbondsbestuurders en kaderleden uitermate leerzaam. De charme van zijn lotgevallen is extra groot voor mensen uit Utrecht, zoals ik, die zijn opgegroeid in de omgeving waar Arie is groot geworden en zijn eerste stappen op de arbeids- en later stappen op de woningmarkt heeft gezet.
Veel blijft ongezegd, omdat die pijnlijk kunnen zijn voor oud-collega’s. “De tijd heelt vele wonden. Naarmate ik ouder word, heb ik er steeds minder behoefte aan, om de mantel der liefde weg te trekken, waaronder ik die zaken heb weggestopt.” Desondanks wast hij enkele oud-collega’s nog even onbarmhartig de oren, zoals ‘Oom Kees’ hem dat ooit heeft gedaan. “Ik heb mij enorm gestoord aan de schandelijke zelfverrijking die Johan Stekelenburg in zijn burgemeestersperiode ten toon spreidde, waardoor hij meer aan die nevenfuncties overhield dan aan zijn wedde als Burgemeester. Maar hij deed daarmee niet onder voor Wim Kok. Ook die liet zich na zijn vertrek uit de landspolitiek een aantal zeer lucratieve nevenfuncties toe bedelen waardoor de kassa luid begon te rinkelen.

Jeroen Sprenger
Maart 2015

Arie Groenevelt, De lotgevallen van een crisiskind, Pharos Uitgevers, Utrecht 2015

Arie Groenevelt – Radikaal en Rechtlijnig – een film van Remy Vlek