Het geheugen van de vakbeweging

Edith Snoey

In 2008 interviewde Bert Breij op verzoek van de VHV alle voorzitters van de bonden die bij FNV, CNV en MHP zijn aangesloten. Hij vroeg hen naar hun visie op de toekomst en de betekenis van de historie. Hier het interview met toenmalig AbvaKabo FNV-voorzitter Edith Snoey.

Edit Snoey, voorzitter AbvaKabo FNVEdit Snoey, voorzitter AbvaKabo FNV

De macht van het getal

‘Dat ABVAKABO FNV 350.000 leden heeft in de publieke en de private sector, geeft mij het besef dat het er veel zijn en dat is heel belangrijk. Het is de macht van het getal. Het aantal is ook wel een aanwijzing dat je het goed zou doen, maar aantal en kwaliteit moet je tegenwoordig zeer gedifferentieerd bezien.’

Ander vaarwater

‘Van ABVAKABO FNV is ruim 30% ambtenaar, vroeger was dat 100%. Dat komt door de privatisering. Er is nu een grote schakering aan werksoorten en leden. Er was een groot verschil in de rechtspositie van de ambtenaren en de werknemers in de marktbonden. De ambtenaren waren tot 1983 voornamelijk trendvolger van de private sector, konden niet ontslagen worden en hadden geen stakingsrecht. De rechtspositie van de ambtenaren is nog wel anders, want de wetgever is ook de werkgever. We zijn echter nu mede door de privatisering een gewone bond geworden. Vroeger was ABVAKABO FNV meer een categorale bond binnen de FNV, dat is ze nu zeker niet meer, en ze voert rechtstreekse en vrije onderhandelingen. Werd echter vroeger vanuit de ontwikkeling van de marktsector bepaalt wat de ambtenaren kregen, nu wordt het alleen sterk in de gaten gehouden. Vooral ook demogelijkheid tot staken heeft ambtenaren in een heel ander vaarwater gebracht.’

Terugval

‘Vanuit die geschiedenis krijg je ook het besef dat het vroeger veel massiever, collectiever en harder was dan nu, maar het waren ook tijden waarin je elkaar heel hard nodig had vanwege de zwakke positie. Maar je moet wel beseffen dat hoewel alles nu beter is of lijkt, er zeker weer belangrijke aanwijzingen zijn dat er een grote terugval dreigt. Ook in betere tijden moet je bij elkaar blijven. Kijk maar naar de rechtsposities die minder sterk worden en dreigen te worden uitgekleed. Vroeger kroop men vanwege de omstandigheden tegen elkaar aan en vanuit nieuwe tijden en in nieuwe vormen is dat nog steeds nodig, maar nu meer ook vanuit de individuele kracht.’

Extra aandacht

‘Ik kan me min of meer vinden in de gedachte extra aandacht op de geschiedenis van de vakbeweging van de laatste dertig jaar te richten. Omdat dit voor de oudere en jongere generaties nog te bevatten is, en ook omdat ouders er nog over kunnen vertellen aan hun kinderen.’

Grote onzekerheid

‘Ik vind dat ambtenaren vroeger op een aantal punten duidelijk bevoorrecht waren, vooral wat betreft werkzekerheid. Daar stonden nadelen tegenover, zo was er weinig of geen medezeggenschap. Je hoort over de voor- en nadelen van vroeger nogal verschillende verhalen, maar één ding was duidelijk: de dictaten kwamen van bovenaf, vaak ook met averechts effect. De ambtenaar had wel een aparte status, dat werkte in alles door, en die bijzondere status heeft hij in feite nog steeds, ook juridisch gezien. Ik geef toe dat de rechtspositie van de ambtenaar eigenlijk, gemiddeld gezien, ‘altijd wel goed’ is geweest. Verschil is dat vroeger ambtenaren ‘gewenst’ waren, vandaag de dag is dat wel anders. Dat veroorzaakt een grote onzekerheid. Er zijn nu pogingen aan de gang om de overheid af te slanken omdat dit kwalitatieve winst zou opleveren. Ik zie dat daar tot nu toe weinig van terecht komt. Er zijn heen en weer bewegingen in wat de overheid nu wil.’

Omslagmoment

‘Ik kan me ook niet echt voorstellen hoe het was om vroeger voorzitter te zijn. Vroegere voorzitters hebben me daar vooral spannende anekdotes over verteld, over de overwinningen, de leuke roddels, bijzondere zaken. Vooral 1983 staat te boek als het grote omslagmoment. De slag werd in feite verloren, er kwam een verlaging van 3% in plaats van 3,5%. Maar er kwam wel gelijkwaardigheid in overleg tot stand en normalisatie van de ambtenaren. Verder ontstond er bijzonder belangrijke jurisprudentie, de basis voor het huidige stakingsrecht van ambtenaren. Er werd massaal gestaakt, ook door vuilnismannen en verpleegsters. Mensen beseften ineens dat ambtenaren ook met hun handen werken. Ze ontdekten de ambtenaar als een gewoon mens, als een gewone werknemer, onder moeilijke omstandigheden. Overigens is de vraag naar goede publieke diensten er ook debet aan geweest, dat veel ambtenaren dichter bij de burger zijn komen te staan.’

Kooltjes uit het vuur halen

‘Als u zegt dat de marktbonden geen poot hebben uitgestoken in 1983 om de ambtenaren te helpen in de strijd, dan kan dat inderdaad komen omdat de marktbonden altijd al de kooltjes uit het vuur haalden waar de ambtenaren van mee snoepten. Maar zeker weet ik dat niet. Ik weet dat er een gezonde spanning moet blijven tussen markt en wat ‘publiek’ is, dat het er ook altijd wel was. Er is natuurlijk verschil tussen marktbonden en ambtenarenbonden als het gaat om de ruimte van de arbeidsvoorwaarden en ik wijs hierbij op de specifi eke situatie van de wetgever als werkgever, de grotere eenzijdigheid in de relatie dan bij niet-ambtenaren. Maar als het om de uitwerking gaat, dan lijkt het veel op hoe de marktbonden dat doen.’

Procesbeheersing

‘Ambtenaren moeten nu zeer procesmatig bezig zijn. Er is natuurlijk niets tegen goede procesbeheersing, maar het lijkt wel of het daar om gaat. Er moet ook enorm veel verantwoording worden afgelegd. In dit alles slaat de overheid door. Er wordt veel te weinig ook aan de burger getoond waarom dit nu allemaal nodig is, wat voor resultaat dit oplevert. De ambtenaren worden veel te veel gericht op van wie ze ambtelijk de opdracht krijgen en te weinig op en vanuit de burger zelf. Ik noem als voorbeeld de Sector Zorg. Men is er 30 tot 40% van hun tijd bezig om verantwoording af te leggen. Er is in feite sprake van een georganiseerd wantrouwen.Dat geeft een bijzonder onrustig gevoel. Dat is voelbaar en merkbaar. Het is bepaald geen goed wervingsinstrument, en laat ook goede mensen vertrekken. Je moet een professional de ruimte geven om zijn werk te kunnen doen. Als je geen foutje mag maken, dan krijg je risicomijdend gedrag. Men is minder geneigd om de nek uit te steken en je vooral ook niet aan de burger te tonen. Het is alom heersend verschijnsel, niet alleen in de zorg.’

Minder te kiezen

‘Is Nederland er door de privatisering beter op geworden? Of door de marktwerking? Is er nu beter management bij de overheid? Leidt het tot een voordeel voor de  ‘klant’, de burger? Ik zie – uitzonderingen daargelaten – weinig verschil in kwaliteit van het management. Het is er eigenlijk alleen erger door geworden. Kijk weer naar de zorg, de Thuiszorg bijvoorbeeld, maar ook naar de NS. Er is overal veel overleg en bureaucratie. De marktwerking heeft er ons ook niet gelukkiger op gemaakt, dat wil niet zeggen dat het vroeger nu zoveel beter ging. Het lijkt erop dat er voor de klant meer te kiezen is, maar in werkelijkheid juist minder. Allesoverheersend zijn ook de megafusies en de kolossen van organisaties die er zijn ontstaan en dat wordt volgens mij steeds erger. De achterliggende gedachte van die megafusies is dat je beter elkaar kunt opeten, dan opgegeten worden. Kijk eens naar de megagiganten in de thuiszorg. Men wil de markt inpakken. Maar je weet bij voorbaat dat vrijwel alles duurder wordt. Een ander voorbeeld. Middelgrote ziekenhuizen doen het juist heel goed en kennen minder bureaucratie. De giganten hebben een legio aan functies en ze verdelen vrij monopolistisch de markt en spelen hun eigen dominant spel.’

Internationale solidariteit

‘Ik vind dat Nederland wat in Europa gebeurt, meer naar zichzelf op maat moet invullen en in Europa meer haar invloed moet laten gelden. De energiewereld, de post, et cetera. zijn werelden waarin we veel leden hebben. Die opereren nu steeds meer internationaal. Is internationale solidariteit tussen ambtenaren mogelijk? Bijvoorbeeld ook internationale stakingen? Ik zie dat als mogelijk, maar nu dan nog als vrij theoretisch, want we zijn nog lang niet zover. Maar binnen de internationale organisaties van ambtenaren wordt wel gesproken over marktwerking en privatisering.’

Beroep of vak

‘Ook als vakbeweging kun je de mensen niet meer op één hoop gooien, dat heeft geen enkele aantrekkingskracht. ‘Ambtenaren’ is een te breed begrip. Mensen voelen zich weer veel meer aangesproken als we hen op hun professie of vak aanspreken. Daar ligt onze toekomst. Daar moet ook veel harder en gerichter aan gewerkt worden. Je werkt bij de brandweer of bij justitie of als onderwijzer of verpleegkundige, in een aanspreekbaar beroep of vak.’

De leden zijn van zichzelf

‘Je moet niet in structuur denken, dan haal je problemen in huis. Je moet de leden wel anders organiseren, dat is heel wat anders. Daarnaast verschuiven de grenzen tussen publiek en privaat. Basaal is ook te beseffen dat de leden van zichzelf zijn en niet van een organisatie.’

Ze zullen ons nodig hebben

‘Ik zie alle toekomst voor de vakbeweging omdat die altijd nodig zal zijn. Altijd zullen er veel mensen zijn die onvoldoende in staat zijn om echt voor zichzelf op te komen. Maar dat wil niet zeggen dat de vakbeweging persé hoeft terug te grijpen op haar verleden. Als je vooral terugkijkt naar het verleden en dat een rem oplevert, dan ‘houdt dit verleden op’. De schil van werknemers die een goede rechtspositie hebben en een vast contract, neemt drastisch af. Ze zullen ons, om reden van hun verzwakte positie, nodig hebben. In de structuur van ABVAKABO FNV zitten problemen die vooral ook hun historische oorsprong hebben, net zoals bij andere bonden. ABVAKABO FNV is bezig zijn regionale structuur los te laten, omdat die minder interessant is. Er wordt (meer) georganiseerd vanuit werksoorten en sectoren. De afdelingen voor het verenigingsleven zijn er nog. Er loopt nu nog in de structuur alles door elkaar heen, en dat is fout bij ons. Bedrijfsledengroepen, zoals in de marktsector, hebben we als ABVAKABO FNV minder gekend, wel actieve leden in en rond het werk.’

Verleden als inspiratie

De bond heet ABVAKABO FNV en jongeren en nieuwkomers vragen zich af wat die naam betekent, en voeren dat zeker niet spontaan terug op de oprichters. Zelf heb ik met name moeite met het opnoemen van organisaties en mannen, laat staan vrouwen, uit de geschiedenis van het NKV. Ik ken St. Eloy, de metaalbewerkersbond, een van de fusiepartners van de Industriebond NKV, als een ‘zuidelijke bond’. Ik weet wel dat het katholieke volksdeel in de zeventiger jaren steeds linkser en strijdbaarder werd, en denk dan ook aan de PPR en de KWJ. ABVAKABO FNV is een eigen naam geworden. Binnen de bond mag ieder uit zijn eigen inspiratie putten. Dat er geen sociaal-democratische of katholieke identiteit van de bond is, vind ik logisch want na de fusie werd de bond ‘neutraal’. Van de C in het CNV heb ik in haar speciale toegevoegde waarde nooit begrepen. De vraag is of we weten wat er met onze historische gegevens is gebeurd. Ze zijn deels op het kantoor, maar grotendeels bij het IISG, en – in antwoord op je vraag – er wordt op die archiefactiviteit geen controle uitgevoerd. Ik denk dat jongeren geďnteresseerd zijn in geschiedenis, en dus niet alleen ouderen. Jongeren appreciëren echter een andere vorm hoe deze aangediend wordt. Denk eens aan de populaire films waarin geschiedenis een rol speelt, ook al zijn deze misschien niet helemaal waarheidsgetrouw. En de boeken van Geert Mak. De context waarin je geschiedenis brengt, is hiermee cruciaal. Ik vind wel dat ook de bestuurders en medewerkers van ABVAKABO FNV, maar ook de kaderleden van de bond, meer van hun geschiedenis moeten afweten. Als je je geschiedenis niet kent, is heden en toekomst moeilijker te plaatsen. Maar waar het verleden in de weg zit, daar moet je niet te lang bij stil staan.’
Bert Breij
Het interview met AbvaKabo FNV-voorzitter Edith Snoey is opgenomen in Twee miljoen leden, 25 voorzitters, 2009