Het geheugen van de vakbeweging

Dromen van een eigen bouwbedrijf

Meer dan 100 jaar sociaaldemocratisch bouwen

In 1994 was het 100 jaar geleden dat de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) was opgericht. In de Nieuwe Kerk van Amsterdam werd naar aanleiding daarvan de tentoonstelling De Rode Droom ingericht. Op uitnodiging van de PvdA, de opvolger van de SDAP, heeft de Bouw- en Houtbond FNV een brochure uitgebracht onder de titel “Dromen van een eigen bouwbedrijf”. De auteur is Jeroen Sprenger.

Omslag brochure Dromen van een eigen bouwbedrijfOmslag brochure Dromen van een eigen bouwbedrijf

Centraal in de brochure Dromen van een eigen bouwbedrijf staat “Het rapport betreffende de mogelijkheden tot het oprichten van een eigen bouwbedrijf”. Dit rapport was het product van een studiecommissie van de drie vakcentrales en de daarbij aangesloten bouwbedrijfsbonden. In die commissie de toenmalige toonaangevende econoom van de Algemene Bouwbedrijfsbond (ANB), Heinz Umrath, en drie ‘aanstormende economische talenten’, Wil Albeda, Frans Andriessen en Wim Kok. De aanleiding van deze commissie is een besluit van het ANB-congres van 1958, de tijd van de wederopbouw en de woningnood. “De bouw van arbeiderswoningen moet uit de sfeer van het geldelijk gewin worden gehaald. Tevens is zulks een stap in de richting van de economische medezeggenschap. Een eigen bouwonderneming kan, vooral in het begin, de school zijn voor de ANB-ers op het gebied van medezeggenschap, werkmethoden, tarifering.” Het duurt echter zo’n 5 jaar voordat de commissie is gevormd en van start kan gaan. Dan duurt het nog 2 jaar voordat het rapport vertrouwelijk het licht ziet. En vervolgens de gang naar vergetelheid maakt. Het tij was verlopen.
De kredietcrisis heeft echter onmogelijk geachte ontwikkelingen in gang gezet. Menig bank kwam in handen van de overheid. Bovendien lijken de grenzen van privatisering van wat eerder onder grote overheidsbemoeienis redelijk gedijde te zijn bereikt. Nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, het enthousiasme voor verdere privatisering lijkt te zijn beteugeld. Daarnaast lijkt de verkleining van de overheid tot onder zijn strategische grenzen te zijn gedaald. Het overheidsapparaat is zodanig uitgekleed, overheidstaken zijn zozeer uitbesteed, dat er geen voldoende tegenspel meer kan worden geboden bij de aanleg van grote infrastructurele projecten – neem de Noord/Zuidlijn – of de verbouwing van prestigieuze panden als het Rijksmuseum. Misschien leidt dit ook wel tot een herbezinning op de rol van de overheid in de marktsector.
Vijftien jaar geleden leek deze brochure een licht te werpen op een achterhaald sociaaldemocratisch curiosum. Nu het kabinet op het hele brede terrein van overheidsbemoeienis tot een heroverweging wil komen zonder vooraf blokkades op te werpen, kan een vernieuwde aandacht voor een ‘eigen bouwbedrijf’ daaraan wellicht een bijdrage leveren.