Het geheugen van de vakbeweging

Door Vereeniging Verbetering

“Drank maakt meer kapot dan je lief is”; is de slogan waarmee aandacht wordt gevraagd voor alcoholproblemen. Het alcoholprobleem is niet nieuw. De uitzichtloze situatie in de 19e eeuw drijft veel werknemers naar de kroeg. De werknemers in de drankindustrie hebben ook een probleem, namelijk met de slechte arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. Vooral Schiedam heeft een slechte reputatie.

Bier is eeuwenlang de volksdrank bij uitstek. Water is vuil en slecht. Melk is vaak niet beter omdat het met water wordt aangelengd. De gewoonte om voedsel met zout tegen bederf te beschermen maakt dorstig en dat kan beter worden bestreden met het goedkope en weinig alcohol bevattende bier dan met dure wijn. Het belang van de plaatselijke overheid (accijns) leidt tot strenge regelgeving ten aanzien van de kwaliteit van het bier, maar ook tot protectie van het eigen product. Clandestiene brouwerijen op het platteland en thuis worden zoveel mogelijk tegengegaan. Rond de wisseling van de 18e naar de 19e eeuw wordt het stedelijk brouwersmonopolie gebroken door plattelandsbrouwerijen. Bovendien leiden de brouwerijen marktverlies door verhoogde import en door verdringing van ’t bier door jenever, brandewijn en nieuwe dranken als: koffie, thee en cacao. Aan het eind van de 19e eeuw daalt het biergebruik verder door het succes van de drankbestrijders. De daling van het biergebruik verhindert niet dat er grote moderne brouwerijen worden opgericht. Heineken neemt in 1863 in Amsterdam een bestaand bedrijf over. In 1873 verhuist Heineken naar een nieuwe fabriek en wordt het bedrijf uitgebreid met een nieuwe fabriek in Rotterdam. Is het bierverbruik in 1900 40 liter per hoofd van de bevolking. In 1940 is het verbruik gedaald tot 14 liter. Het aantal brouwerijen neemt snel af van 350 in 1914 tot nog maar 100 in 1940. Zes grote bedrijven: Amstel te Amsterdam, Heineken te Rotterdam, d’Oranjeboom te Rotterdam, ZHB te Den Haag, Van Vollenhoven te Amsterdam en de Drie Hoefijzers te Breda zijn goed voor 80% van de productie. Oorzaak van concentratie is vooral de technische ontwikkeling die grotere investeringen noodzakelijk maken. De brouwers gaan zich tevens richten op gedestilleerd en frisdrank. Om zich van een vaste afzet te garanderen gaan brouwerijen cafés financieren.

‘Ach, vader! Niet meer’

Koffiehuizen, kroegen, cafés het wemelde ervan in het 19e-eeuwse Nederland. Zowel in de stad als op het platteland is er in elke straat wel een te vinden. Gezellig is het er, maar dat heeft zijn keerzijde. In de meeste cafés wordt onbeperkt getapt. Dronken mannen, en soms ook vrouwen, behoren tot het vertrouwde straatbeeld. Omstreeks 1880 is de omzet van gedestilleerd 10 liter per hoofd van de bevolking. Het verbruik daalt en bedraagt 7 liter per hoofd in 1914, maar dat is nog altijd een hele plas. Vrijwel de gehele consumptie vindt plaats in het café. Thuis drinken gebeurt niet veel. Tegen het drankmisbruik komt in 1842 een reactie met de oprichting van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterke Drank. Van hen is de slogan, ‘Ach, vader! Niet meer’. De volksmond maakt er echter al snel ‘Acht’ van. De overheid volgt met wetgeving. In 1881 wordt de eerste Drankwet van kracht. Je moet voortaan een vergunning hebben om te mogen schenken en openbare dronkenschap is verboden. Een direct succes is het niet, maar op langere termijn neemt de openbare dronkenschap af.

Schiedam

Relletjes veroorzaakt door branderknechts zijn in Schiedam geen onbekende. In de 18e eeuw komt het enige malen voor. Het zijn snel oplaaiende en daarna weer snel dovende brandjes die ontstaan uit frustratie met de ellendige toestand van het fabrieksvolk. Ook in 1854 trekken Schiedamse arbeiders door de stad. Ze drommen samen voor de winkels van de bakkers, de grutters en aardappelverkopers. De ruiten gaan aan diggelen. De horde trekt twee dagen lang tierend rond. De schutterij van de stad krijgt versterking uit Delft en Leiden en voor de stad op de Maas verschijnt zelfs een kanonneerboot. De opstandigheid is dan snel bedwongen en maakt weer plaats voor de gebruikelijke onderdanigheid. De arbeiders keren weer terug tot een leven van somberheid en uitzichtloosheid. In het midden van de 19e eeuw telt Schiedam 209 branderijen, distilleerderijen, en mouterijen en 14 brandermolens. In 1870 werken er bij deze bedrijven tegen de 1.400 mensen op een bevolking van 20.000. De zeer ambachtelijke bedrijfstak, waarin, zonder veel inspanning van de eigenaren, jarenlang goed geld is verdiend, is tegen het eind van de 19e eeuw totaal verouderd. De economische crisis aan het eind van de eeuw gaat gepaard met loonsverlagingen en grote werkloosheid.

Organisatie onder brandersknechts

In de 18e eeuw bestaat er de Brandersknechtsbusse die verzekert voor een uitkering bij ziekte en geneeskundige behandeling. De Brandersknechtsbusse bestaat tot 1838. Vrijwel de hele 19e eeuw blijven de branders- en brouwersknechts weerloos en zonder enige vorm van organisatie. Eerst tegen het eind van de eeuw zien we de eerste aarzelende pogingen. In 1892 wordt in Schiedam een afdeling opgericht van het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV). De toeloop van leden is aanvankelijk groot. De ANWV-afdeling, die een belangrijke bijdrage levert aan de arbeiders coöperatie in Schiedam, kan voor de belangrijkste arbeidersvraagstukken geen vuist maken en gaat in 1908 dan ook vrijwel geruisloos teniet. In maart 1893 komen de katholieke arbeiders in de branderijen tot organisatie. Zij richten de Vereeniging voor Brandersknechts ‘Johannes de Doper’ op. Ook deze organisatie zal in de Schiedamse verhoudingen geen potten breken. Het zal tot het tweede decennium van de 20ste eeuw duren aleer in Schiedam een duurzame organisatie voor fabrieksarbeiders tot stand komt.

Door Vereeniging Verbetering

In 1899 wordt te Rotterdam de Bierbrouwersgezellen-Vereeniging Door Vereeniging Verbetering opgericht. In 1903 sluit ze zich aan bij de Algemeenen Nederlandsche Bierbrouwersgezellenbond (ANB) en wordt daarmee de Rotterdamse afdeling van deze bond. Gerrit Kerkhof, de oprichter van de Rotterdamse vereniging wordt de eerste voorzitter van de ANB. In 1910 gaat de ANB op in de Algemeene Nederlandsche Bond van Arbeiders/sters in de Drankindustrie die op haar beurt zich in 1919 aansluit bij de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA). Aanvankelijk is de ANB syndicalistisch gericht en aangesloten bij het Nederlands Arbeids Secretariaat (NAS). De ANB voelt zich in deze centrale echter niet thuis en reeds in 1906 sluit ze zich aan bij het pas opgerichte NVV. In 1907 telt de bond 275 leden in 7 afdelingen waaronder die te Rotterdam en Den Haag. De in 1913 te Rotterdam benoemde bezoldigd bestuurder wordt in 1914 belast met de leiding van een staking bij de firma Van Olffen te Rotterdam. Na de beëindiging van de staking wordt door de leden te Rotterdam een motie aangenomen waarin zowel het beleid als het gedrag van de bestuurder wordt afgekeurd. Het leidt tot een controverse tussen de afdeling en het hoofdbestuur aangezien deze de bestuurder niet wenst te ontslaan. De bestuurder neemt echter zelf ontslag, maar dan kan men het niet eens worden over de wijze van ontslag. De afdelingen Rotterdam, Den Haag en Hengelo (O) willen slechts de rechtspositieregeling toepassen, maar het hoofdbestuur wil meer doen. Het gekibbel gaat over een bedrag van f450,-. Voor die tijd natuurlijk veel geld. De drie genoemde afdelingen verlaten de bond en geven korte tijd zelfs een eigen vakblad uit. In 1915 wordt door bemiddeling van het NVV de vrede weer getekend. De afdelingen betalen de achterstallige contributie en het hoofdbestuur wordt gewijzigd. Voortaan zal Amsterdam vijf hoofdbestuurders leveren, Rotterdam twee en Den Haag en Haarlem elk één.

Meneer de Groot

M.C.M. (Michael) de Groot is een in 1860 te Schiedam geboren zoon van een brander en later handelaar in gedistilleerd. De Groot treedt in de voetsporen van zijn vader. Na 1880 ziet hij één voor één de vuren doven onder de distilleerketels. Hij is een stipt en succesvol zakenman voor wie een woord een woord is, maar ook één die zijn leven opvat als dienstbaar onder de mensen en zijn niet onaanzienlijke bezit daarmee in overeenstemming brengt. “Wij zijn slechts rentmeesters”, is zijn motto. De verdiensten van ‘Mijnheer de Groot’ voor de Schiedamse gemeenschap zijn velerlei. In 1893 neemt hij het initiatief tot het stichten van een volkshuis. Ondanks tegenwerking uit katholieke en protestantse hoek, die in een volkshuis het ‘revolutiespook’ menen te ontdekken, komt het in 1896 tot stand. Talloos zijn de in het Volkshuis georganiseerde cursussen, lezingen, excursies, uitvoeringen en concerten, uitgevoerd door een keur van gezelschappen. Voor veel werklieden is het een kennismaking met een nieuwe wereld. De organisatie is ondergebracht bij de afdeling van het ANWV. De Groot heeft een bijzondere belangstelling voor coöperatie. Zijns inziens is coöperatie de hefboom voor een samenleving op rechtvaardige grondslag. In 1893 richt hij de N.V. Woningmaatschappij ‘Samenwerking’ op. Hij brengt zelf enige woningen in uit eigen bezit en neemt het directeurschap waar. Samenwerking zal uitgroeien tot zo’n 1800 woningen. Tien jaar later is hij betrokken bij de start van de Algemeene Coöperatieve Bakkerij.Als een aantal mandenmakers door een arbeidsconflict brodeloos worden, wordt door De Groot samen met de SDAP voorman J. van Leeuwen een coöperatieve mandenmakerij opgericht. De liberale De Groot moet echter niets hebben van de klassenstrijdgedachte van de SDAP. Deze controverse zien we later terug als hij een algemene coöperatieve verbruikersvereniging op brede basis opricht. Vrijwel tegelijkertijd richt ook de SDAP-afdeling een coöperatie op. Niet alleen de SDAP richt zijn pijlen op De Groots activiteiten, maar hij krijgt het ook aan de stok met de plaatselijke middenstand die in zijn coöperatie concurrentievervalsing zien. De onder de arbeidersbevolking populaire De Groot, die immers al jaren blijk geeft te streven naar verheffing van de arbeidersklasse, wint de slag.
De arbeiderscoöperatie houdt het maar enige jaren vol en de algemene coöperatie van De Groot blijft als enige coöperatie over met duizenden leden. Als in 1896 een kleine Schiedamse drukkerij door een grotere wordt overgenomen, krijgt de meesterknecht te verstaan dat hij uit alle verenigingen met een enigszins maatschappelijk karakter moet stappen. De meesterknecht weigert dat en wordt ontslagen. Het is typerend voor De Groot dat hij het voor de meesterknecht opneemt en in een ingezonden stuk in de Schiedamse Courant noemt hij het standpunt van de directeur van de drukkerij “tyranniek en een bespotting van diens zogenaamd vooruitstrevend liberalisme”. De Groot besluit om de meesterknecht aan een drukkerij te helpen en richt de Coöperatieve Drukkerij ‘De Eendracht’ op. Hij neemt zelf het directeurschap op zich. Op grondslag van winstdeling en bedrijfsmedebezit groeit het bedrijf uit tot een middelgrote drukkerij met zo’n 50 werknemers. Als kandidaat van de liberale kiesvereniging wordt De Groot in 1891 in de gemeenteraad gekozen. Hij stelt zich in de raad onafhankelijk op en draagt in belangrijke mate bij dat in Schiedam een economisch beleid ter stimulering van werkgelegenheid en vestiging van nieuwe industrie tot stand komt. Mede door het krachtige initiatief van De Groot krijgt Schiedam in 1902 als eerste in het land een door de overheid ingestelde en onderhouden arbeidsbeurs.
©Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
31 december 2002

Geraadpleegde literatuur

M. Campfens, De Nederlandse archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam (Amsterdam 1989)
K. de Jonge, L. Ebeling en V. v.d. Berg, Vijftig jaren NVvFA-ABC (Amsterdam 1957)
B. Kedde, De opkomst van de arbeidersbeweging in Schiedam (Schiedam 1956)
B. Kedde, Herinneringen aan een groot Schiedammer (Schiedam 1972)
J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland (Amsterdam 1926) Deel 1
M. Schrover,’Smaakegalisatie, Bossche bollen en koekjesgiganten. De voedings- en genotmiddelenindustrie 1850 – heden’ in: Voedings- en genotmiddelen industrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993)
‘Ach vader! Niet meer’ in: A.F. Manning en P.W. Klein e.a., Nederland rond 1900 (Amsterdam1997)
Herdenking. Uitgegeven bij het 40-jarig bestaan der Nederlandse Vereniging van Fabrieksarbeiders(sters) (Amsterdam 1947)
Jubileumnummer Industria 1911-1961 (Utrecht 1961)