Het geheugen van de vakbeweging

“Dit zijn mijn beren”

De staking bij de aanleg van het Noordhollandskanaal in 1823

In mei 1823, al direct bij de hervatting van het werk aan het Groot Noordhollandskanaal doen zich – zoals Piet Theunisse het later zou uitdrukken – verschijnselen voor waarvan “men alle zware gevolgen niet alleen hadde kunnen vermoeden, maar zelfs buiten alle twijfel moeste verwagten”. (PANH 365 uu) Mr. Piet Theunisse is Officier van Justitie te Alkmaar en hij weet van niets. Zijn inzicht in de gang van zaken verwerft hij pas na de noodlottige gebeurtenissen die in dezelfde meimaand plaatsgrijpen. Hij weet van niets en elk begrip voor de situatie wordt verhinderd door zijn oordeel over de poldergasten die elk voorjaar weer bij het kanaal aankomen: een volk zonder vaderland of beginselen, waarmee hij niet voor zijn plezier elk jaar weer veel te stellen heeft.

Omslag Dit zijn mijn berenOmslag Dit zijn mijn beren

Dan is mr. Van Tets van Goudriaan, gouverneur van Noord-Holland en als zodanig verantwoordelijk voor rust en orde, beter op de hoogte. In het gekrakeel over de schuldvraag verweert hij zich achteraf met de mededeling dat hij elke dag wordt geďnformeerd over nieuwe onlusten en ongeregeld­heden. En zo is het ook, al jaren. Al op 21 juli 1820 ziet hij reden voor een rondschrijven aan de schouten van Purmerend, Buyksloot, Landsmeer en Ilpendam: “Er wordt mij verzekerd dat er ongeregeldheden onder bet werkvolk langs bet Kanaal hebben plaatsgehad, welke de rust uwer gemeenten en van de naburige streek bedrijgen, zozeer zelve dat vanwege de schout van Ilpendam aan den Heer Officier bij de regtbank van Hoorn geklaagd is. Het bevreemd mij dat UEA, mij daarvan onkennig laten en dus de bron voorbijgaan, vanwelke de hulp tegen zoodanige massale ongere­geldheden moet ontspringen; ik verzoek UEA, mij omlopende week de ten deze plaats hebbende omstandigheden bekend te maaken en mij zooda­nig…, dat ik in staat zal zijn te oordelen of eenige maatregel noodzakelijk is.” (PANH nr 109)
Een jaar later is het niet anders. Jan Blanken Jansz. inspecteur-generaal van Waterstaat,  informeert de Minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat, de Mey van Streefkerk, echter op een wijze die meer verraadt over zijn kortzichtigheid dan dat de oorzaken en achtergronden van de laveien die hebben plaatsgevonden worden belicht: “Dewijl bij eene verzameling van nabij zesduizend zeer ruwe klasse jonge en sterke werklieden,  zoogenaam­de schaftwerkers, vletters enz. met de onvermijdelijke nasleep vandien die tegenwoordig langs de linie van het Groot Kanaal door Noord Holland zamengevloeid en arbeidende zijn, het in den aard zulker menschen en zaken opgeslooten ligt, dat er van tijd tot tijd twisten onder dezelven moeten oprijzen en weerspannigheid plaatsgrijpe tegen de hun pligt doende opzigters en bazen.”  (ARA SS nr 115 20 juli ’21) Zolang het werk maar blijft doorgaan en de twisten voornamelijk tussen de dijkwerkers onderling worden uitgevochten is het volgens deze autoriteit alleen zaak dat er wordt gezorgd voor een geregelde patrouille van de gewapende macht “tot het inspireren van ontzag“. Willem I zal de noodzaak hiervan overigens nog niet inzien.
Niet mensenlievender maar wel juister is het oordeel van de Schout van de Zijpe in een klacht aan de gouverneur n.a.v. houtdiefstallen dd 16 april 1822: “Het is bewezen, dat zich onder het werkvolk de zoodanige bevinden welke tot het uitvaagsel der maatschappij behooren en dat er dus ten hunnen aanzien, aan de eene zijde een nauwkeurig toezigt noodig is;maar, dat ook aan den anderen kant, alle reden tot ontevredenheid worde voorgekomen.” (PANH nr 269) Het werkvolk klaagt, aldus de schout, over het feit dat de bazen het niet van voldoende brandhout voorzien, zodat het gedwongen is de eigendommen van de “in- en opgezetenen” van de Zijpe te schenden. De schout stelt voor de bazen verplicht te stellen voldoende brandhout te leveren. Blanken, die hierover moet beslissen, wijst dat van de hand; pas in 1823 zijn de aannemers er aan gehouden hun werklieden van voldoende water en brandstof te voorzien. Door de jaren heen worden de achtergronden van de veelvuldig voorko­mende ongeregeldheden, stakingen en onlusten niet zozeer in de levensomstandigheden van de poldergasten als wel in de aard van deze mensen gezocht en zijn het niet de oorzaken van hun wild geraas maar de politionele en militaire beteugeling ervan, teneinde een ongestoorde voortgang van het werk te verzekeren die de belangrijkste correspondentiestof vormt voor de autoriteiten.In mei 1823 is het alleen de al zwaar zieke schout van Akersloot, Lourens Veer, die de motieven voor het nieuwste lavei vanaf zijn ziekbed uit de doeken doet. Hij bezit echter geen enkele bevoegdheid om iets aan de gang van zaken te veranderen. Drie maanden na het lavei zal Lourens Veer overlijden. Niet overigens dan nadat alle hogere autoriteiten, tot en met de minister toe, hem hebben overladen met beschuldigingen van grof plichtsverzuim.
Op 24 mei 1823 ontvangt Van Tets van Goudriaan een missive van Lourens Veer waarin hem wordt meegedeeld dat het werkvolk van het negende en tiende perceel al sinds Pinksterzondag, 18 mei, het werk heeft gestaakt en nu, geheelledig lopende, de ingezetenen van Akersloot besteelt, het vee op het land melkt en een wacht van de aannemer, Hendrik Paul, zwaar heeft mishandeld. De gouverneur, gewend aan dergelijke post, reageert te traag: een dag nadat hij Blanken schriftelijk om inlichtingen heeft gevraagd wordt hem op dinsdagmorgen de zevenentwintigste mei een expresbrief aangereikt. Afzender is weer de schout: “De zaak welke oorzaak van deze expresse geeft dreigt van verren uitzicht te worden. Ik bid UHEG U dezelve aan te trekken en zoo mogelijk noch heden een detachement Dragonders te doen zenden – wij zijn anders ook op het land niet veilig – De Commandant van ons Garnizoen kan en zal niet uittrekken zonder adres van den Generaal – het is eene onaangenaame zaak maar eenige manschappen Cavalerie zijn zeker genoegzaam om spoedig alles in orde,. brengen. In haast heb ik te zijn…” enz. (PANH 365 b)
De reactie komt, maar het is niet de noodkreet van Lourens Veer alleen die aanleiding geeft tot enige activiteit. De gouverneur schrijft de Minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat dat de rust in de omstreken van Alkmaar is verstoord en dat hij het daarom verstandig heeft geacht een detachement van 70 curassiers naar Alkmaar te sturen, ook gezien de omstandigheid dat de koning een week later op zijn jaarlijkse tournee langs het kanaal zal komen. Het detachement komt ’s avonds te bestemder plaatse aan als het kwaad al is geschied en in geheel Noord-Holland elke overheidsambtenaar van enig gewicht koortsachtige activiteiten ontplooit, al bestaat die voor sommigen niet meer dan het ontwarren van Dichtung en Wahrheit uit de vele heen en weer snellende geruchten. Er is oproer in Alkmaar, nee, te Bakkum, aan het Groot Noordhollandskanaal bij Boekel, een aannemer is vermoord, drie werklieden ook, de hele zaak op de laatste percelen langs het kanaal staat in brand, er is sprake van een optocht van 1500 werklieden, vreemde buitenlanders zijn gezien terwijl ze wegvluchten met bloed aan hun handen….
Gedurende de volgende dagen komt in een overvloed aan brieven langzaam de ware toedracht van het lavei naar voren. Van elk rapport gaat een kopie naar Willem I die er meteen bovenop zit. En in alle brieven en rapporten staat de aannemer Gerrit Huyskens centraal… Gerrit Huyskens is een weinig bemind man. Ruim vijftig jaar oud is hij in,zijn jeugd zelf als poldergast begonnen maar heeft zich al vlug vrij wat fortuin vergaard als aannemer. Driftig van aard heeft hij het al meerdere malen te stellen gehad met zijn werklieden, doorgaans over het kostgeld en het loon, dat hij telkens bij afdoening van het bij hem door ploegbazen aangenomen werk uitbetaalt. “Hij wordt niet zeer geprezen om zijne behandeling doorgaans in deze” (ARA 55 7 juni 1823 nr 117) Ook bij zijn medeaannemers heeft hij veel vijanden, omdat hij onder andere het laatste werk heeft aangenomen voor een prijs, enkele tienduizenden guldens lager dan de minste inschrijving buiten hem.
Het is echter niet de aard van de man die hem in conflict brengt met zijn poldergasten. Huyskens heeft het negende en tiende perceel van de verdiepingswerken aan het Groot Noordhollandskanaal aangenomen. Het betreft het stuk tussen Akersloot en Boekel, ongeveer drie kilometer onder Alkmaar, over een lengte van bijna vier kilometer moet in totaal meer dan 140.000 kubieke meter grond uit het kanaal worden verplaatst. Blanken heeft het werk op beide percelen op gezamenlijk f 175.777,- begroot. Huyskens heeft het aangenomen voor f 170.000,- en is daarmee bijna f 6000 onder de begroting gebleven. Nog groter is het verschil tussen zijn vraagprijs en de door zijn collega-aannemers als redelijk beschouwde som: minimaal f 75.000,-. Het vermoeden lijkt gewettigd dat het werk nogal te laag is begroot. Wil Huyskens de verdieping werkelijk voor zijn vraagprijs volbrengen en er nog eigen inkomsten aan overhouden ook, dan zal hij zijn arbeiders behoorlijk moeten afknijpen. De verklaring voor de exorbitant lage inschrijving van Huyskens is eenvoudig: de zuinigheid die de overheid betracht bij het aanbesteden van publieke werken is evenredig met de gulheid waarmee ze boetes oplegt wanneer een aannemer zijn klus te laat oplevert. Huyskens heeft op deze manier boetes van f 62.000,- en f 69.000,- opgelopen wegens het te laat opleveren van twee karweien aan de Purmerendervaart. Voortgejaagd door deze hem net opgelegde boetes heeft Huyskens reden genoeg om te trachten een nieuwe klus in de wacht te slepen om aan geld te komen.
De eerste gevolgen ervan worden na het lavei verhaald door Lourens Veer en Piet Theunnisse. Drie weken voor de aanvang van het werk (begin mei, schr.) is reeds een groot aantal werklieden aangekomen die niets hebben en de aannemer daarom om kostgeld vragen. Het zal bij hun werk verrekend kunnen worden. Huyskens gaat hierop in. Als het werk begint worden de verschillende putten van het hulpkanaal- vanwege de lage aannemingsprijs en het grote getal der werklieden – voor de minst mogelijke prijzen aan de ploegbazen overgelaten. “Veel lager dan voor dien tijd gebruikelijk was” (Lourens Veer PANH nr 365 i). De verdiensten zijn daarom te laag om van te kunnen bestaan. En daar wordt dan nog eens het eerder genoten kostgeld van af getrokken.
Piet Theunisse rapporteert dat de poldergasten bij Huyskens met hun werkdagen van vier uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds niet meer op hun aangenomen werk kunnen verdienen dan veertig cent per dag. Vergeleken met de bijna f 1,- per dag die in die tijd in de Noord-Hollandse nijverheid wordt uitbetaald en zeker ook vergeleken met de f 1,30 per dag die Blanken in zijn begroting heeft uitgetrokken voor de minste werkman kan het door Huyskens uitbetaalde loon inderdaad slechts door zijn schamelheid afsteken.
Een derde oorzaak voor deze geringe verdienste ligt in de bedrevenheid waarmee Huyskens zijn contracten afsluit. De verdieping van de putten voor het hulpkanaal wordt uitbesteed voor vier voet (1,12 m) onder het laagzomerpeil van het water a f 11,- per roede (3,7 m), zonder dat het werkvolk veel tijd krijgt zich te informeren over de betekenis van de hoogteverschillen van het land. De diepte die de arbeiders moeten graven om op 1,12 meter onder het laag zomerpeil te komen is daarom in de praktijk vaak aanzienlijk meer dan vier voet. Je loopt hier en daar zelfs op tot het dubbele: een halvering van het loon. “Waarover de arbeiders met hunne Putbazen eene proportioneele schadevergoeding of opslag van den aannemer G. Huyskens vraagden.” (Theunisse, PANH nr B 365 ww) “en ten dien einde aan hem eenige Putbazen Zonden, waaronder mij bekend zijn Joseph Verbrugge, Guillaume Denau en Jean Baptiste Starnouet, dewelke Zich nog op het werk bevinden, om hen hierover te Spreeken  en deze opslag te verzoeken. – Echter volgens hun Zeggen weigerde den aannemer zulks volstrekt, en wilde in hunne Vragen niet treden, hierop wierd het werk gestaat.”
Vanaf 18 mei, Pinksterzondag, ligt zodoende het werk plat. “De eene Ploeg hitste den anderen op, om niet meer te werken, om door dit middel den aannemer tot deze opslag te genoodzaken, maar zulks baate hun geenszints, den aannemer bleef bij zijne weigering persisteren ­waardoor de Arbeiders zeer opgezet, en woedende wierden, loopende langs alle kanten troepsgewijzen, schreeuwende en dansende, dan Zich bij den eenen of anderen Soetelaer drank doende Verschaffen, Zoodat men met Regt kan zeggen, dat reeds tien ŕ twaalf dagen voor het laatste gebeurde, een aantal van twee ŕ drie Honderd arbeiders woedende, en Vagabon­deerende, rondom het werk en de keeten zwierf.” (PANH nr B 365 ww)
Dit rapport klopt met de andere berichten. De missive van 24 mei van Lourens Veer aan de gouverneur is reeds vermeld. Maar er is meer. Terwijl op de begroting enige duizenden guldens zijn uitgetrokken voor de huisvesting en verzorging van de poldergasten ontbreekt het aan water en brandhout. Gebrek aan geld om voedsel of brandhout te kopen is wel de oorzaak van de houtdiefstallen, het ’s nachts melken van de koeien op het land, het bedelen – wat af en toe niet zonder geweld gebeurt – en het stropen. Niet in de laatste plaats draagt het gemakkelijk verkregen of te verschaffen krediet in de zoetelketen of herbergen er toe bij de wanorde­lijkheden te vergroten. Met name de zoetelbaas Bernardus Zethoven schenkt vóór, ná en tijdens het lavei een ieder zo vol als wordt gewenst. In Alkmaar gaat dat iets moeilijker; op de 18de en de 22ste mei moet daar de poldergast Tieleman van Dungen, bijgestaan door Pietje Baaij, die ook nog over de tweede bijnaam Jan de Tobber beschikt, en Arie Boom, eerst zijn glimmend mes tonen voor de jenever op tafel komt. De tweede maal weten zij een deel van de inboedel van de herberg te slopen voordat eigenaar Dirk van Zuylen hen er met behulp van een aantal gerechtsdienaren en een toevallig passerende militaire patrouille uit kan werken. Het is kastelein Dirk van Zuylen die later zal getuigen dat Tieleman van Dungen in dat ogenblik van drift heeft geroepen: “Jongens, wij moeten morgen niet werken, en die aan het werk gaat moeten wij met de Spade tussen hals en nek slaan, dan krijgen wij opslag.” (PANH nr B 365 ww en PANH NRA nr 1421)
Waar zovelen al zo lang dronken en in troepen rondzwerven kan volgens Piet Theunisse de uitbarsting niet uitblijven. Zij wordt versneld door de voortdurende weigering van Huyskens om het werk naar behoren op te meten en te betalen, zodat de ploegen, die allang schoon genoeg hebben van het werk en van Huyskens, kunnen vertrekken. Zonder geld willen zij echter niet gaan. Het lavei komt tot zijn climax als Huyskens haast krijgt en op maandag 26 mei de stakende ploegen inderdaad meer geld biedt. Hij gooit olie op het vuur door alleen die stakers wier werk nog niet af is opslag te beloven en te blijven weigeren het merendeel der stakers, die hun klus hebben opgeknapt, tevreden te stellen of zelfs maar hun werk op te meten. Deze ongelijke behandeling doet de laatste schroom bij het werkvolk verdwij­nen …
Het is een vreemde troep die de volgende ochtend haar tocht begint bij de Watermolen van Akersloot. In de akte van beschuldiging zal later gesproken worden van een woeste hoop die onder ijselijk geschreeuw naar de keet van de aannemer optrekt; het is het werkvolk dat, het vragen beu, nu op zijn eigen wijze om genoegdoening komt. Voorop loopt een poldergast in een blauwe militaire rok met glimmende koperen knopen, een sjako op het hoofd. Hij is gewapend met een lange stok waarin een rode doek is vastgeknoopt. Het is Arie Boom. Achter dit vaandel wordt circus gespeeld: twee lopen er krom met netten over het hoofd en wilgentakken om het lijf. Ze worden met een stok voortgedreven door Arie Aarts, die tegen ieder die het horen wil roept: “Dit zijn mijn beren! “(PANH NRA nr 1421) Dan volgen een fluitist, een trommelaar en zelfs heeft iemand een viool meegenomen. En op hun muziek lopen wel zestig man mee, schreeuwend en dansend. De meesten hebben hun gezicht zwart gemaakt: onherkenbaar komen ze om de huid van Huyskens.
De troep wordt steeds groter. Pieter Buttenaar, zijn schoonzoon Tieleman van Dungen en Comelis Duin zijn er vanaf het begin al bij, evenals de Kromme Barbier uit Akersloot, die, brodeloos omdat het volk geen geld heeft om zich de baard te laten scheren, om de mannen heen danst en hen opjut tot steeds groter geraas.
Het is nauwelijks nodig: er is de laatste weken geen of weinig geld geweest voor bier en jenever, nu heeft het poldervolk geen geld meer nodig. In de zoetelketen onderweg verschaft de troep zich makkelijk krediet. In ‘De Rustende Jager’, ‘De kat en de hond’, ‘Het zwarte anker’ groeit ook hun aanhang. De drank verdubbelt de woede. Huyskens’ onderbaas Lagerwey ontkomt maar nauwelijks aan een pak slaag in de zoetelketen van Josef Smit. De laatste aanlegplaats is de drankstal van Bemardus Zethoven, alleen door enkele bomen en een stapel rijshout van de keet van Huyskens gescheiden. Bijna zestig man, gehuisvest bij Josef Smit en Zethoven, komen de troep versterken. Nog eens dertig poldergasten stromen toe uit de nabij gelegen boerderij van Comelis Kaandorp: Huyskens, die zich met zijn onderbaas Roelof Stuifzand en timmermansbaas Bastiaan BoI op de zolder van zijn keet heeft verschanst wordt ineens belegerd door een 300-koppige menigte.
Er wordt gehost en getierd dat Huyskens het werk moet opmeten en moet betalen. Maar algemener is de roep om Huyskens dood en, voor het ogenblik, om geld voor jenever. Johannes Hegeraad, de borg en stille compagnon van Huyskens, die met het volk minder te stellen heeft en ook door zijn deftig uiterlijk nog wat ontzag inboezemt, grijpt dit laatste aan om de zaak te stillen: hij reikt twee guldens een een rijksdaalder uit en als er nog meer wordt geëist doet hij er zes halven bij. Het maakt het geraas alleen maar erger. Bartje de zandvaarster gooit met turven het venster van de keet in. Tijmen Kraijenhof, een van de ‘beren’, slaat de sponning er uit. Hegeraad doet zijn laatste poging als het volk naar binnen wil en roept: “Gaat niet naar binnen want gij zijt een kind des doods, Huyskens heeft wel honderd geweren bij zich.” (PANH nr 365 ww) Toon Sulman is echter door het dolle heen: “lk moet er in al zoude ik ook sterven! “ Hij krijgt gedeeltelijk zijn zin: na een waarschuwing. Hij krijgt gedeeltelijk zijn zin: na een waarschuwing wordt hij van binnenuit inderdaad door Huyskens doodgeschoten. Hij valt uit het raam. Het volk gilt en dringt op de keet toe. Guus Oosterling is de tweede die naar binnen probeert te klimmen en hij is ook het tweede slachtoffer. De derde, Hendrik Kempe, krijgt een schot in bil en rug. Huyskens is voldoende gewapend. De menigte stuift uit elkaar. De Kromme Barbier weet raad: “Toemaar jongens, ik moet van jelui leven”. (PANH NRA nr 1421) Hij stapelt rijs en turf op een kruiwagen, maakt vuur en steekt met de brandende kruiwagen de planken aan die rondom de keet van Huyskens liggen: “Kom er maar uit, godverdomme, Huyskens! ” Vier kettingmolens, stapels rijs en hout vliegen in de fik. Het volk krijst: “Verbranden of wijken! ” (ARA SS 7 juni 1823 nr 117) De ingenieur van Waterstaat Isaac van Asperen die om half twaalf aan de overkant van het kanaal tegenover de keet van Huyskens verschijnt heeft niet veel tijd nodig om te besluiten in Alkmaar de hulp van het leger in te roepen.
Van Asperen is al sinds 20 mei niet op het werk van Huyskens geweest en hij weet nauwelijks wat er aan de hand is. De 22-ste heeft Huyskens hem bericht dat het werk was neergelegd, maar pas als Van Asperen de 27-ste ’s morgens vroeg per post door Huyskens wordt geďnformeerd dat er “reeds dadelijke feitelijkheden” door het werkvolk zijn gepleegd spoedt hij zich naar de plaats des onheils (PANH NRA 1421). Al vanuit Graft kan hij de brand aan de hemel zien.
In Alkmaar vangt hij bot. Van de schout van Akersloot, die in deze stad ziek te bed ligt, hoort hij dat deze al van brand en opstand heeft gehoord, maar vergeefs om militaire assistentie heeft gevraagd. De ingenieur vervoegt zich dan ijlings bij de burgemeesteren. Weer mis. President-burgemeester G. Fontijn Verschuire zegt hem geen bijstand te kunnen verlenen omdat de plaats van het lavei buiten zijn jurisdictie valt. Ook de commandant van het garnizoen weigert hulp; hij rukt niet uit zonder order van het Provinciaal Kommando.       ­

Slechts begeleid door de opzichter Jacob Spin keert Van Asperen daarop te arren moede terug naar de keet van Huyskens, een half uur lopen van Alkmaar. De toestand is er niet veel veranderd. Johannes Hegeraad is door de menigte in de zoetelkeet van Bernardus Zethoven opgesloten. Een ontsnappingspoging is mislukt door ingrijpen van putbaas Jean Baptiste Starnouet en Jaap Biesheuvel. Het volk beschikt over enkele geweren maar er is nog niet geschoten; kruit en lood ontbreken nog. Van Marie Zethoven is daarvoor geld gevorderd. De landarbeider Hendrik Droog is geprest het in Alkmaar te gaan halen. De ingenieur weet Johannes Hegeraad vrij te krijgen en samen doen ze een laatste poging het oproer te bedaren. Het lijkt te lukken: als ze beurtelings de groepen volk om de keet aanspreken en de poldergasten toezeggen dat het werk zal worden opgemeten en naar genoegen zal worden betaald, wordt het even rustig. Maar de spanning blijft. Afgesproken wordt dat drie vertegenwoordigers van de poldergasten met Van Asperen en Hegeraad naar Huyskens zullen gaan om de schikking te regelen. Zo geschiedt. De onderhandelaars zweren dat Huyskens zo hij naar buiten komt niets zal overkomen; ze staan met hun leven voor hem in. Als de aannemer daarop eerst aarzelend en pas na aanmaning van Van Asperen uit het venster klimt, maar dan gerustgesteld naderbij komt, akkoord gaat met de voorgestelde schikking en Pieter Buttenaar zelfs de hand reikt, blijkt wat de beloften van de onderhandelaars waard zijn. De spanning ontlaadt zich. Ineens is de menigte weer uitzinnig van haat. Van alle kanten dringt het volk op: “We hebben hem, we hebben hem! Slaat dood, slaat dood! ” en de aanhoudende roep: “Slaat op den schelm, toe maar! ” (PANH NRA nr 1421)
Tieleman raakt de aannemer het eerst, met een twee-meter-tachtig lange walcherense paal. Een geweldige dreun. Huyskens, van achteren op het hoofd geraakt, stort in elkaar. Hegeraad en Van Asperen maken zich uit de voeten. Huyskens wordt terwijl hij op de grond ligt overal geraakt waar Pietje Baaij, Kees Duin, Tieleman van Dungen, Hein Kempe en vele anderen hem maar raken kunnen. Zijn gouden horloge, een ‘time keeper’ van zeshonderd gulden, wordt hem ontroofd. Huyskens roept nog: “Neem al mijn geld en goed, laat mij mijn onderbroek en nu nog maar het leven! ” (ARA 557 juni 1823 nr 117) Het is te laat. Om half vijf stormt het volk de woning van Huyskens binnen en wordt de keet geplunderd en vernield. De aannemer blijft voor dood op de grond liggen.
Als hij wat later nog wat beweging vertoont en zelfs nog om water weet te vragen krijgt Hendrik Veen, de schoolmeester en ontvanger van Akersloot, het gedaan dat twee poldergasten de zwaargewonde op een ladder naar de boerderij van Cor Kaandorp brengen. Maar ook daar is de aannemer niet veilig. Zodra het volk hoort dat Huyskens nog leeft stroomt het weer toe “Hij is nog niet dood, hij moet nog meer hebben! “ (PANH NRA 1421) Door het venster ziet Marie Zethoven het gebeuren: Kees Duin, roepend: “Doet het geen mensch dan doe ik het! “, geeft de ongelukkige zo’n klap met een geweer dat het in stukken breekt. Gerrit Huyskens is dood.
Tot vreugde van het volk, dat met schorten en zakken vol de aannemers­keet verlaat. Gerrit van Bemmelen is het best geslaagd, wat hem niet belet om op een vermaning van de schipper te roepen: “Godverdomme, ik wou dat ik nog meer had.” Uit de verhoren en getuigenissen blijkt later hoe de poldergasten hun overwinning vieren in de zoeteltenten. (PANH NRA nr 1421) Kees Duin heeft er het hoogste woord: “Hoerah, hoerah, ik heb hem den laatsten slag gegeven” en bij de werf van Jan Schoorl, terwijl hij zijn puthaak in een boom ramt zo hard hij kan: “Godverdomme, zoo heb ik hem geraakt.” Ruwe vreugde ook in de zoetelkeet van Van Kerkhovcn, waar Pieter Buttenaar roept: “Bij God, Baas Huyskens, de hond, is dood; wij hebben hem gesleept in een huis bij een Jonge, dien hij heeft dood geschoten, en op dien hebben wij hem gelegd. “
Als uiteindelijk om zes uur het slagveld wordt ingenomen door 70 kurassiers onder aanvoering van de commissaris van politie van Alkmaar “staat ieder dier onverlaten bij zijne keet en wist van niets”. (ARA S5 7 juni 1823 nr 117)
Jeroen Sprenger & Vincent Vrooland
Dit is een ragment uit de studie “Dit zijn mijn beren”. naar de aanleg van het Noordhollandskanaal.