Het geheugen van de vakbeweging

De Vrouwenstaking van 1890 in Appelscha

Het veenarbeidersdorp Appelscha neemt in de sociale geschiedenis van Nederland een speciale plaats in. In de boeken komt het dorp een aantal malen voor. De gemeente Ooststellingwerf kan trots zijn op een verleden, waarin de eerste vakorganisatie van veenarbeiders in Nederland, de eerste organisatie van veenarbeidsters, de eerste cao voor veenarbeiders en een gelijke beloning voor mannen en vrouwen voor hetzelfde werk binnen haar grenzen werden gerealiseerd. De arbeiders van Appelscha waren rond 1890 mondig genoeg om zichzelf een plaats in de geschiedenis te geven. Onder meer met een staking van de turfwerksters. De lezing van Johan Frieswijk is in pdf-formaat op de website opgenomen.

Boekomslag Sociale strijd in Appelscha, links Ferdinand Domela Nieuwenhuis, rechts Pieter Jelles Troelstra, waarin de lezing van Johan Frieswijk is opgenomen.Boekomslag Sociale strijd in Appelscha, links Ferdinand Domela Nieuwenhuis, rechts Pieter Jelles Troelstra, waarin de lezing van Johan Frieswijk is opgenomen.

Van hun zelfstandigheid en strijdvaardigheid getuigen onder andere de verklaringen die ze aflegden voor een enquętecommissie in 1892, waarbij de misstanden in het veen uitvoerig naar voren kwam. Die verklaringen getuigen bovendien van de strijdbaarheid van de arbeiders en van hun organisatie, de in 1888 opgerichte veenarbeidersvakbond ‘De Eendracht’.
Johan Frieswijk, auteur van dit artikel

Bijna een eeuw geleden werd het de Tweede Kamer duidelijk, dat slavernij niet alleen voorkwam in de koloniën van in het verre oosten, maar dat er ook blanke slaven waren. Namelijk de veenarbeiders in het Noorden van Nederland. De wantoestanden in de Friese, Groninger en Drentse venen werden in de Tweede Kamer aan de orde gesteld door Ferdinand Domela Nieuwenhuis. De regering stelde daarop een enquętecommissie in, die ter plekke de toestand van de veenarbeiders moest onderzoeken. In augustus 1891 hield een commissie van Kamerleden twee weken lang zitting in Heerenveen en iedereen die zich vooraf schriftelijk had aangemeld, mocht voor de heren een getuigenis afleggen. Daarbij waren veenbazen, doctoren, burgemeesters, onderwijzers en – voor het eerst – ook veenarbeiders. Die geheel gepubliceerde interviews bevatten een schat aan materiaal over het veenarbeidersleven in Appelscha in de vorige eeuw.

“Waar is de plaats der vrouw?”

Janke van Vondel, oud 64 jaar, arbeidster uit Appelscha, is de enige vrouw die in de parlementaire enquęte over de veenderijen – zowel in Friesland, Groningen als Drenthe – aan het woord komt. Zelf werkt ze niet meer in het veen, dat kan ze niet meer. Maar tot haar zestigste heeft ze dat altijd gedaan. Ze geeft de commissie onomwonden haar mening. ‘Waar is de plaats der vrouw? Thuis. Dan kregen de kinderen betere opvoeding en beter onderwijs. Nu eens verbrandt er een kind, dan weder verdrinkt er een. Dat kan voorkomen worden.’ Een dergelijk citaat geeft reeds aan hoe erbarmelijk de omstandigheden waren, waaronder destijds mannen, vrouwen en kinderen in de Ooststellingwerver venen hun werk moesten verrichten. Het ging om lange werkdagen, zwaar werk en slechte verdiensten, waarbij de lonen niet vooraf waren vastgelegd. De arbeiders wisten niet precies wat ze het komend veenseizoen zouden verdienen en legden zich er bijvoorbeeld knarsetandend bij neer dat turven per stok werden gerekend, dan deze maat officieel inhield.

Naast geknoei met maten was ook de gedwongen winkelnering (het verplicht zijn te kopen in de winkel van de veenbaas) een misstand. De veenbazen maakten daar soms grove winsten op, leverden inferieure producten en veel veenarbeiders kregen nooit geld in handen. Wie niet of niet genoeg in de winkel kwam, hoefde het volgend jaar niet op geld te rekenen. Ook wat de woning betreft was men vaak afhankelijk, omdat de meeste huizen eigendom waren van de veenbazen.
Twee uren lopen naar het werk over gevaarlijke bruggetjes, waarbij nogal eens iemand in het water belandde, was geen zeldzaamheid. ’s Winters was er geen werk. Men verdiende � 125 tot � 200 per jaar, tien tot zeventien gulden per maand, terwijl in het seizoen een weekloon van � 7 werd verdiend. Ook wat de voeding betreft was het niet best. Spek konden maar weinigen zich permitteren, sommigen hadden een beetje echt vet. De meesten moesten zich behelpen met groene olie om de aardappelen nog enige smaak te geven. Dat leidde in veel gevallen tot ondervoeding en het spreekt voor zich, dat er veel ziekte onder de veenarbeiders was, tuberculose en de steek (een soort hernia) kwamen veelvuldig voor. Daarbij kwam, dat moeilijk aan geneeskundige hulp was te komen. Er was maar één dokter voor de hele armenpraktijk van Ooststellingwerf. Niet zelden kwam het voor dat de patiënt al was gestorven als de dokter was gearriveerd. En een goed huis kon een arbeiders zich evenmin veroorloven. Velen woonden in krotten. In Appelscha kende men de zogeheten ‘konijnenhokken’, waarin de bedeelden woonden.
 De armenzorg was volstrekt onvoldoende. Bij de bedeling kreeg men twee gulden. Meestal kreeg men echter minder in handen. Zo vertelde de turfgraver Thomas Sander van der Duin aan de enquętecommissie: ‘Mijn tante van 83 wordt bedeeld, maar het doet mij leed te moeten verklaren dat het met die bedeling door de armvoogdij treurig gesteld is. Er zijn er die 75 cents en die één gulden ’s weeks ontvangen, maar daarbij wordt hun tevens een winkel aangewezen, waar zij voor die paar centen waar moeten halen. Dat wil zegen: zij krijgen geen geld in handen, maar eene aanwijzing om in zekeren winkel voor 75 cents of één gulden te kunnen halen. Die tante van 83 jaren moet echter maar zien, dat zij iemand krijgt om die boodschappen voor haar te doen, want zij heeft geen sloffen, geen klompen en alleen een paar oude schoenen vol met gaten, zoodat zij niet uit kan, zonder doornat te worden.’
(…)

Bijdrage aan strijd voor een beter leven   

En op nog langere termijn? De arbeiders van Appelscha – mannen en vrouwen – hebben hun steentje bijgedragen aan de strijd voor een beter leven. Zo niet voor henzelf dan voor hun kinderen. De strijdbare vrouwen van Appelscha gingen daarbij voor – ook op het terrein van de vrouwenemancipatie. Het zou overigens niet de laatste staking in Appelscha zijn en evenmin de laatste actie van vrouwelijke veenarbeiders. Een jaar later organiseerden zij ene protesttocht naar het gemeentehuis in Oosterwolde om aan te dringen op een betere armenzorg en meer steunverlening. De arbeiders van Appelscha stonden in de jaren daarna vooraan in de strijd tegen en er zouden nog enkele heftige stakingen volgen
De stakingen van 1888-1890 hadden een betere loonregeling opgeleverd en een betere regeling voor het turfladen. De burgemeester meende, dat ‘de zedelijke en financiële toestand van de veenarbeiders in Appelscha was verbeterd door het optreden van de vakvereniging van arbeiders.’ Het resultaat was ook, dat midden jaren negentig na acties van arbeidersmannen en -vrouwen voor dezelfde werkzaamheden een gelijke beloning kregen. Een resultaat dat in die jaren uniek was. Daarmee waren de veenarbeiders voorgegaan in een strijd die in later jaren door de ‘nieuwe’ beweging, die van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) onder leiding van Pieter Jelles Troelstra parlementair zou worden voortgezet. Troelstra zou in 1893 met de Appelschaaster veenarbeiders te maken krijgen, toen hij Bruin Tjibbes Bruinsma voor de rechtbank verdedigde. Deze was voor zijn optreden bij de stakingen van 1888 uit zijn huis gezet, zou de eerstvolgende jaren in zijn eigen dorp geen werk meer vinden en moest eerst in de Drentse venen en daarna in Duitsland zijn brood verdienen. Voor zijn interventie bij de armmeesters – hij zou de armvoogd hebben gedwongen brood te geven en een veldwachter met de dood bedreigd – kreeg hij 15 maanden cel. De briljante verdediging van Troelstra ten spijt. Het gevolg was wel, dat progressieve liberalen zich gingen bemoeien met de armoede in Friesland en de vervolging van socialisten en arbeiders- en stakingsleiders. Ook hier: resultaat op langere termijn.
Lees het volledige verhaal