Het geheugen van de vakbeweging

De Vrouwelijke Katholieke Arbeidersjeugdbeweging

Na de Tweede Wereldoorlog werd de Vrouwelijke Katholieke Arbeidersjeugdbeweging (VKAJ) opgericht als diocesane verenigingen in vijf bisdommen. De oprichting en uitbouw van de VJAK verliep heel anders, moeizamer, dan die van de Katholieke Arbeiders Jeugdbeweging (KAJ).

Vaandel van de VKAJVaandel van de VKAJ

Beide jeugdstandsorganisaties zijn van na de Tweede Wereldoorlog. Bij de KAJ was sprake van een voortzetting en omvorming van de vooroorlogse Jonge Werkman (JW) en St. Josephs Gezellen Vereeniging. De VKAJ had dergelijke voorgangers niet.
De ontwikkeling van de VKAJ duurde circa tien jaar en de tegenwerking was niet gering. Een landelijke ‘koepel’ de ‘Nationale’ VKAJ kon pas veel later, in 1955, gerealiseerd worden.
De methodiek van de (V)KAJ was zelfwerkzaamheid en verantwoordelijkheid voor de eigen beweging. Dit werd overgenomen van de Belgische (V)KAJ, die al voor WOII actief was. Het zien, oordelen en handelen, de door de oprichter Jos Cardijn pr. ontwikkelde formule, en vorming door actie werden ook in ons land toegepast. De werkelijke levensomstandigheden van de werkende meisjes vormden een belangrijk uitgangspunt bij de activiteiten.
Er waren wel verschillen in beroepen en werksituaties van jonge arbeidsters en jonge arbeiders. In de jaren na WOII werkten meisjes in de huishouding, in confectieateliers, in kantoren, in de verpleging en in winkels. Dat meisjes ook gingen werken in zogenaamde ‘mannenberoepen’ was nog in een beginstadium.

De zuidelijke bisdommen

De VKAJ in het bisdom Breda werd in 1946 opgericht, met steun van de KAJ, de KAB en de Belgische VKAJ. Die laatste bleek belangrijk voor de opleiding van de (vrijgestelde) leidsters. Er was minder tegenwerking van het Katholiek Vrouwelijk Jeugdwerk en de Eucharistische Kruistocht (Catechisten). Die hadden voorkeur voor ‘algemeen’ jeugdwerk voor meisjes.
De jeugdstandsorganisaties voor jonge arbeiders, jonge boeren en jonge middenstanders waren al erkend. Ook voor werkende meisjes werden deze organisatievormen belangrijk gevonden en erkend. Het secretariaat van de VKAJ werd in 1947 overgebracht naar de Dr. Van Mierlostraat 37 te Breda. Het kantoor van de KAB bood ook huisvesting aan de KAJ en KAV. Mientje Mertens was de eerste voorzitster.
In het bisdom ’s Hertogenbosch werd de VKAJ in januari 1947 opgericht. Het was een compromis tussen de diocesane bond van de KAB en het Diocesaan Leidsters-instituut van het katholiek vrouwelijk jeugdwerk. Het Diocesaan Leidstersinstituut van het KVJ leverde de eerste vrijgesteld leidster: Kitty Vos. Zij bracht de jeugdorganisatie organisatorisch van de grond maar voor de methodiek van zelfwerkzaamheid moest de steun van de Vlaamse en Bredase VKAJ worden ingeroepen.
Het bisdom Roermond, waar de standsorganisatie voor arbeiders voorstanders had in de voormannen van de katholieke arbeidersbeweging Poels en Hermans, was weerstand tegen de oprichting van de VKAJ. Daardoor ontwikkelde de organisatie zich na 1946 trager dan de bedoeling was. Bovendien had de Limburgse VKAJ te maken met concurrentie van de Mater Amabilisscholen. Marietje Ruys en later Trees van den Akker moesten opboksen tegen de verkeerde opvatting over ‘eenheid’.

De noordelijke bisdommen

Het (oude) bisdom Haarlem kreeg in pas 1955 een VKAJ met kerkelijke goedkeuring. Voor de meisjes, die in sommige parochies KAJ-bijeenkomsten bezochten, konden nu eigen zelfstandige afdelingen worden opgericht. De eigen verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid moest op veel parochies verdedigd worden. De enige vrijgestelde voorzitster, Leida van Groenestein, had in het ‘oude’ bisdom Haarlem een werkgebied dat de provincies Noord- en Zuid-Holland en de Zeeuwse eilanden omvatte. Het reizen kostte veel tijd en met een algemeen abonnement heeft ze heel wat spoorkilometers afgelegd.
In het Aartsbisdom Utrecht kreeg de VKAJ uiteindelijk ook de kans om als jeugd-standsorganisatie aan het werk te gaan. De KAJ had, voortbouwend op de stevige Jonge Werkman van voor WOII, de jeugdstandsorganisatie al flink uitgebouwd. Het gebied was vanouds zeer bewerkelijk maar de positie en erkenning was binnen de katholieke gemeenschap niet gering. En binnen de Diocesane KAB was die absoluut onomstreden. De VKAJ verkeerde in een positie die vergelijkbaar was met die in het bisdom Haarlem: grote afstanden en veel reistijd.

Een ‘Nationale’ VKAJ

De overkoepelende landelijke organisatie, de ‘Nationale’ VKAJ kwam tot stand in 1955. In Eindhoven, op het Sociaal Economisch Jeugdcongres van de ‘Nationale’ KAJ (27 maart 1955), gaf Mgr. Hansen aan dat hij (zonder opdracht van het Episcopaat) kon melden dat de goedkeuring ‘in de maak’ was. De officiële instemming (in juni 1955) zou dus niet als een verrassing komen en de ‘bisdommen’ konden zich alvast gaan voorbereiden op de volgende stap van de kajotsterswerking in ons land.
Het ‘Interdiocesaan contact VKAJ’ onder voorzitterschap van Corry Koehler met begeleiding van de Limburgse aalmoezenier F. Robroek, kon worden omgebouwd tot een zelfstandige organisatie met een nauwere binding aan KAB en KAJ. De VKAJ kon een beroep doen op een landelijke rijkssubsidieregeling en de vakbondsjeugdcontributie. Dit laatste temperde het enthousiasme bij sommige vakbonden. Maar de bonden die ervaring hadden met de KAJ en hun activiteiten kozen voor een positieve opstelling.
De opbouw van een landelijke koepel werd met veel inzet begonnen. Rikie van Steen en Bep Heystee waren de eerste vrijgestelde leidsters die met hun diocesane collega’s een invulling moesten geven aan de doelstelling, de bevoegdheden, de taken en de verantwoordelijkheden van de VKAJ op landelijk niveau. Het was een pittige klus.

Mede namens enkele oud collega’s
Leida Wagenaer-van Groenestein
augustus 2015

Bronnen: Jan Peet, Het Uur van de Arbeidersjeugd en eigen archief