Het geheugen van de vakbeweging

De Roosjessnijdsters- en -snijdersvereniging 1896-1902

Een bond bestuurd door vrouwen

Een vakvereniging voor vrouwen en mannen die bestuurd werd door alleen vrouwen: dat was ook rond 1900 bijzonder. Toch is er over de Roosjessnijdsters- en snijdersvereeniging, kortweg RSSV, nauwelijks iets bekend. Zelfs over het oprichtingsjaar gaat onjuiste informatie rond.

Notulenschrift met stempel van de Roosjessnijdsters- en snijdersverenigingNotulenschrift met stempel van de Roosjessnijdsters- en snijdersvereniging

Roosjessnijden, een vrouwenberoep

Dat er zes jaar lang een RSSV heeft bestaan had te maken met de structuur van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB). Die ene, neutrale vakorganisatie voor de hele Amsterdamse diamantindustrie had namelijk van de oprichting in 1894 tot de reorganisatie van 1902 de vorm van een federatie. Elk van de tien aangesloten vakverenigingen organiseerde een eigen beroepsgroep, opereerde relatief zelfstandig en had een eigen bestuur. In de diamantindustrie had je klovers, snijders en slijpers, alledrie geschoolde beroepen die twee á drie jaar leertijd vergden. Snijden en slijpen waren op hun beurt weer onderverdeeld naar de vorm van de diamanten die werden gemaakt: briljanten of roosjes. In het kloven en slijpen werkten nauwelijks vrouwen, in tegenstelling tot het snijden. Het roosjessnijden was in dertig jaar zelfs veranderd in een echt vrouwenberoep, met de bijbehorende lage lonen. Toen de ANDB in 1894 werd opgericht, bestond er wel een Briljantsnijdsters en –snijdersvereeniging (BSSV), die zich net als de andere categorale bonden onder de paraplu van de ANDB schaarde, maar geen vereniging van roosjessnijdsters.

Indringsters

Roosjessnijdsters werden door veel diamantbewerkers niet welwillend bekeken. Integendeel, ze zagen vrouwen als indringsters in ‘hun’ diamantvak, die de gedaalde lonen op hun geweten zouden hebben. Zij werden ervan beschuldigd te lage lonen accepteren omdat zij er niet van hoefden te leven, laat staan een gezin te onderhouden. Het verhaal ging dat zij hun verdiensten alleen gebruikten om naar de laatste mode gekleed te kunnen gaan. Onder briljantsnijders gold het roosjessnijden als afschrikwekkend voorbeeld omdat er nauwelijks nog mannen werkten. Als men niet uitkeek, zou diezelfde verdringing van mannen door vrouwen ook in het briljantsnijden plaatsvinden. De ANDB streefde vanaf het begin naar gelijk loon voor mannen en vrouwen, en dat moest ook de oplossing zijn voor de problemen bij het briljantsnijden. Het was duidelijk dat dat doel alleen kon worden bereikt als allen, vrouwen en mannen, solidair zouden weigeren werk aan te nemen onder de afgesproken minimumstuklonen. En daarvoor was weer nodig dat zoveel mogelijk mannen en vrouwen zich aansloten bij de BSSV. Zolang vrouwen zo vijandig werden bejegend door hun mannelijke collega’s zat daar natuurlijk niet veel schot in.

Feministische inspiratie

Maar eind 1895 kreeg de BSSV een nieuwe voorzitter: Dolf de Levita Hij pakte de problemen voortvarend aan vanuit het inzicht dat vrouwen met speciale belemmeringen te maken hadden. Zo stelde hij in het propagandablad De Diamantsnijder werkgevers aan de kaak die handig profiteerden van ‘de vrouwelijke gedweeheid, van haar vrees, van haar zoogenaamd fatsoen’ om werkneemsters met minder loon genoegen te laten nemen. Daarbij had hij ook over wat wij nu seksuele intimidatie zouden noemen. En hij nodigde de feministe Dora Schook-Haver uit om op een openbare vergadering te komen spreken over ‘De positie der vrouw in de maatschappij, de rechtspositie der vrouw en de vrouw als arbeidster in de diamantindustrie’. Met succes, want de zaal was vol en er waren opvallend veel vrouwen op af gekomen. De spreekster legde uit dat vrouwen te lijden hadden onder vooroordelen. Hun arbeid werd lager gewaardeerd dan die van mannen en dat vertaalde zich in een lagere beloning. Hun lage lonen waren dus niet aan vrouwen zelf te wijten. Bovendien zag je die lagere waardering van vrouwen niet alleen op het werk, maar overal in de maatschappij. En niet alleen de meeste mannen schatten vrouwen lager in, maar zijzelf ook. Kortom, de problemen in de diamantindustrie konden niet los worden gezien van de situatie van vrouwen in de maatschappij als geheel en daar moest verandering in komen. Vrouwen moesten overal dezelfde rechten krijgen als mannen.

Oprichting RSSV

In die eerste maanden van 1896 hadden zich enkele roosjessnijdsters gemeld bij het bestuur van de BSSV, dat besloot dat er toch een aparte vereniging voor deze groep moest komen. Een logische keuze, want het ging in de roosjesbranche om andere werkgevers dan bij het briljantsnijden. Eind februari verscheen er in het ANDB-weekblad een ingezonden brief van de toen bijna 26-jarige roosjessnijdster Betje Lazarus, die schreef dat ze samen met haar zuster al vaak, maar tevergeefs, vakgenotes had proberen over te halen zich te verenigen om samen voor hun belangen te strijden. Ze wilde het nu nog één keer proberen met deze openbare verklaring: ‘Wij zullen de eersten zijn. Wie volgt ons voorbeeld?’ Een paar maanden later hadden de zusters Lazarus vijftien vrouwen bij elkaar, zodat 3 juni 1896 de geschiedenis inging als de oprichtingsdatum van de Roosjessnijdsters- en –snijdersvereeniging. Er werd een bestuur gekozen van vijf vrouwen, met Betje Lazarus als presidente en haar zuster Sophie Lazarus als ‘secretares’, zoals dat toen heette. En er kwam een door Betje Lazarus ondertekend manifest om onder vakgenoten te verspreiden. Dat richtte zich tot jonge ongehuwde vrouwen, ‘meisjes’ in het toenmalige spraakgebruik. Het noemde de lage lonen en de lange werkdagen als misstanden waaraan alleen iets gedaan kon worden door vereniging. Maar jonge vrouwen kwamen niet naar vergaderingen omdat hen was wijsgemaakt dat dat niets voor hen was, dat het geen pas gaf, dat zij ’s avonds bij moeder thuis hoorden te blijven of dat je daar niets goeds leerde. Maar met dergelijke praatjes kon je jezelf en je ouders niet te eten geven en daarom moesten roosjessnijdsters toch naar vergaderingen durven komen. De initiatiefneemsters hadden daar zelf al geleerd dat de vrouw evengoed een mens is als de man en dat zij niet geboren is om alleen maar te dulden en te gehoorzamen. Zij moest de man laten zien dat zij evenveel waard was als hij door te weigeren nog langer voor een lager loon te werken dan het zijne.

 

De deelnemers van het internationale diamantbewerkerscongres
in Antwerpen in 1897, met vooraan Sophie Lazarus (vierde van links) en Betje Lazarus (derde van rechts) [foto IISG]

Betje en Sophie Lazarus zetten door

Het was het begin van een moeizame periode. De onervaren bestuursters kregen wel hulp van de mannen van het BSSV-bestuur bij praktische zaken, maar het vasthouden van de leden en werven van nieuwe bleef moeilijk gaan. De opkomst op vergaderingen was slecht, want de leden verwachtten dat het bestuur overal voor zou zorgen. De bestuursleden hadden naast hun lange werkdagen niet zoveel tijd over (11 uur per dag plus een uur pauze was toen het wettelijke maximum voor vrouwen in de industrie, maar dat werd nog slecht gehandhaafd, zodat avondwerk veel voorkwam). Het bestuur merkte dat het moeilijk was bij werkgevers resultaten te boeken zonder een grote, actieve achterban. Maar nieuwe leden kwamen slechts mondjesmaat omdat men eerst resultaten wilde zien; een vicieuze cirkel dus. Daarbij kwam dat het ANDB-hoofdbestuur afhoudend reageerde op verzoeken om hulp bij het verbeteren van de roosjessnijdsterslonen. Het was alleen aan de energieke en vasthoudende zusters Lazarus te danken dat de vereniging de eerste jaren bleef draaien. Een succesje was hun deelname namens de RSSV aan het internationale diamantbewerkerscongres in Antwerpen in september 1897, waar zij samen met een Amsterdamse briljantsnijdster veel opzien baarden als de drie enige vrouwen tussen meer dan veertig mannen. (foto)

Ontwikkelingsclubs

Inmiddels had de RSSV, als eerste vakvereniging van arbeidsters, de aandacht getrokken van vrouwen die actief waren in de vrouwenbeweging, die toen in Nederland sterk in opkomst was. Een van hen was de journaliste en voormalig lerares Henriette van der Meij, die graag een club wilde opzetten waar arbeidsters algemene ontwikkeling zouden kunnen opdoen. Dat plan viel in goede aarde bij het RSSV-bestuur, want hun leden waren veelal meteen na de lagere school, op de leeftijd van 12 of 13 jaar, in de leer gegaan voor roosjessnijdster en hadden daardoor weinig kans gehad om kennis op te doen. Deze zogenaamde ontwikkelingsclubs, die ook werden opengesteld voor briljantsnijdsters, werden een groot succes, net als de schrijfcursus (Nederlandse taal) die er later bijkwam. Ter afsluiting van het studieseizoen was er elke zomer een uitstapje, voor veel leden de eerste keer dat ze buiten Amsterdam kwamen. Voor de roosjesnijdsters die de smaak van het lezen te pakken hadden gekregen, kwam er de mogelijkheid lid te worden van de bibliotheek van de briljantslijpersknechtenvereniging. Daar konden ze niet alleen romans lenen, maar ook boeken en tijdschriften over bijvoorbeeld aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het moet hun horizon flink hebben verbreed. De clubs zouden ook model staan voor het ontwikkelingswerk dat in later jaren voor alle ANDB-leden werd opgezet.

Gezamenlijke actie

Toen Sophie Lazarus eind 1899 terugblikte op drie jaar RSSV was ze niet optimistisch, want de arbeidsvoorwaarden in het roosjessnijden waren nog steeds droevig. Lonen van f 6,- á f 7,- waren gebruikelijk, terwijl elders in de diamantindustrie een weekloon van f 24,- als minimum gold en incidenteel het dubbele kon worden verdiend. Gelukkig steeg het ledental van de vereniging wel iets. Bovendien was het ANDB-bestuur intussen begonnen met een actie bij het briljantsnijden. Daar werd een bestuurder, Isaac Brouwer, aangesteld als looncommissaris om ongeorganiseerde mannen en vrouwen te bewegen lid te worden en te zorgen dat alle patroons het in 1894 overeengekomen minimumstukloon gingen betalen. Tegen het eind van 1898 werden bij het briljantsnijden de resultaten daarvan zichtbaar. Toen waren de roosjessnijdsters aan de beurt, hoewel sommige ANDB-bestuurders het aantal georganiseerden daar eigenlijk nog te laag vonden voor zo’n actie. Bijkomend probleem was dat er – meer dan bij het briljantsnijden, dat vaker in kleine werkplaatsen werd uitgevoerd – door roosjessnijdsters thuis werd gewerkt. Dat maakte controle op de handhaving van het minimumstukloon uiteraard nog moeilijker. Maar in de zomer van 1900, toen de RSSV intussen zo’n driehonderd leden telde, kwam er dan toch een groot gezamenlijk offensief van het ANDB-bestuur en de RSSV. In het ANDB-weekblad waren veel artikelen te lezen over de slechte situatie bij het roosjessnijden en alle roosjessnijdsters werden opgeroepen mee te doen aan de handhaving van het minimumstukloon. Daarbij hekelde Sophie Lazarus nog eens de bespottelijke meningen over wat voor meisjes en jonge vrouwen geen pas zou geven, waardoor zij niet naar vergaderingen mochten, maar bijvoorbeeld wel naar dansles!

Eindelijk succes

Op 13 augustus, een paar dagen nadat er een algemene staking in de diamantindustrie was begonnen,  werd er ook voor roosjessnijdsters een grote openbare vergadering uitgeschreven. Die werd een ongekend succes, mede doordat door de staking veel ongeorganiseerde roosjessnijdsters zonder werk waren komen te zitten. Zo’n vierhonderd vrouwen waren gekomen, veel meer dan verwacht, zodat er naar een grotere zaal moest worden uitgeweken. Met naam en toenaam noemde Brouwer daar de werkgevers van roosjessnijdsters van wie het personeel ondanks de staking nog aan het werk was. Hij legde uit wat de inzet van de staking was voor roosjessnijdsters, namelijk het eerder dat jaar vastgestelde minimumstukloon. Gevolg was dat zich 139 nieuwe leden opgaven. In de roosjesbranche eindigde de staking op 28 september, dus pas na zeven weken, toen de werkgevers inderdaad (onder andere) het geëiste minimumstukloon voor roosjessnijden hadden aanvaard. Voor de meeste roosjessnijdsters betekende dat meteen een loonsverhoging. In het ANDB-weekblad werd het succes dan ook toegejuicht, maar er stond ook een lijst in met namen van roosjessnijdsters die tijdens de staking waren blijven doorwerken.

Het einde van de zelfstandige vereniging

Eindelijk kon in juni 1901 een verjaardag van de RSSV – het was de vijfde – nu eens feestelijk worden gevierd. Het ledental was in een jaar gestegen van 150 naar 450, waarmee naar schatting de helft van alle Amsterdamse roosjessnijdsters waren georganiseerd. Sophie Lazarus had een bloeiende vereniging uit handen gegeven toen ze begin dat jaar, getrouwd en zwanger van haar eerste zoon, haar bestuurstaken had neergelegd. Nadat haar zuster Betje eind 1898 was gestopt als voorzitster omdat ze niet langer in de diamantindustrie werkte, had Sophie de kar ruim twee jaar alleen getrokken. Nu werd zij opgevolgd door een ander zusterpaar, namelijk Bet en Rebecca de Miranda, die allebei al jaren verschillende bestuursfuncties in de RSSV hadden vervuld. Zij zouden de vereniging echter niet lang leiden, want in 1902 veranderde de ANDB van een federatie in een centraal geleide bond. Daarmee kwam er een einde aan de RSSV als zelfstandige, door vrouwen bestuurde vereniging. De roosjessnijdsters waren nu lid van ANDB-vakgroep VII, die net als de andere vakgroepen uitsluitend vergaderde onder leiding van een lid van het bondsbestuur. En dat bestond alleen uit mannen.
Ulla Jansz