Het geheugen van de vakbeweging

Een schitterende erfenis

De papieren schatkamer van de ANDB digitaal toegankelijk

Logo van de ANDB in de bondsraadszaal

Dit jaar is het 125 geleden dat in Amsterdam de Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond (ANDB, 1894) werd opgericht. Het vrijwel compleet bewaard gebleven archief van de ANDB wordt beheerd door het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Het IISG heeft het ANDB-archief onlangs in zijn geheel gedigitaliseerd, zodat iedereen het archief online kan bekijken (https://search.socialhistory.org/Record/ARCH00210). Een belangrijk onderdeel van het archief vormen de loon-, leerling- en lidmaatschapskaarten.

Om een breed publiek een mooi beeld te geven van de levens van diamantbewerkers, lanceert het IISG in dit jubileumjaar ook nog een website waarop niet alleen de kaarten op naam doorzocht kunnen worden, maar waarop ook de levensverhalen van een aantal ANDB-leden en bestuurders wordt uitgelicht. Een publieksboek over de ANDB, gebaseerd op nieuw onderzoek, verschijnt in november van dit jaar. Ten slotte wordt ook het vakbondsgebouw de Burcht opengesteld voor publiek.

Het archief

Bij het besturen van de ANDB kwam heel wat administratie kijken. De Burcht was de bewaarplaats voor alle notulen, statuten, brieven, uitnodigingen voor vergaderingen, stakingsoproepen en lidmaatschapskaarten van alle leden. Een grote kluis, die een hele kamer vulde, deed dienst als archief. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd het tot dan toe opgebouwde archief overgedragen aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). In 1958, toen de ANDB opging in de Metaalbewerkersbond, volgde de rest. Bijzonder aan het archief is dat het behoorlijk compleet is. Het IISG heeft het ANDB-archief recentelijk in zijn geheel gedigitaliseerd, zodat iedereen online kan graven in de stukken.

Een bijzondere reeks is de verzameling van 70 duizend kaarten met loongegevens. Men begon in 1901 met het bijhouden van de hoogte van de lonen van de leden. Deze administratieve regel poogde tegen te gaan dat leden zich zouden aanbieden onder het loon. Voor genealogen zijn ook de leerlingen- en lidmaatschapskaarten interessant. Van ieder lid – in opleiding of werkend, man of vrouw, roosjessnijder of klover – werd een aantal gegevens op een eigen kaart genoteerd.

Leerlingenkaart

Drie jaar na de oprichting van de ANDB nam het bestuur het Leerlingbesluit. Vanaf 1897 was de minimumleeftijd voor het diamantvak veertien jaar en moest je een diploma halen. Dit was een breuk met het verleden, toen ouders hun kinderen dikwijls op jongere leeftijd het vak leerden en hen zonder enige kwaliteitseis aan het werk zetten. Het idee achter de instelling van een leerschool was dat zo de influx van diamantbewerkers op de arbeidsmarkt gecontroleerd kon worden.

Wanneer je toegelaten werd als leerling kreeg je een leerlingenkaart. Hierop stonden persoonsgegevens, zoals (meisjes)naam, geboortedatum en adres. Vaak zijn er meerdere adressen vermeld want verhuizen deed men vaak. Ook kwamen broers en zussen die lid waren op de kaart terecht, evenals vaders en moeders in het vak, vaak ook met geboortedatum en met vakgroeps- en lidmaatschapsnummer. Diamantbewerking was een sector waar de hele familie werkzaam kon zijn.

ledenkaart van Barend Branco (foto: IISG)

Los van de vermelding van directe familieleden, is dit ook af te leiden uit de op de kaarten vermeldde leermeesters, in veel gevallen de vader of moeder van de leerling. Ook kun je op de kaart zien wanneer iemand examen deed en bij wie. En of en wanneer de opgeleide leerling lid werd van de ANDB, of van een van de andere, kleinere bonden. Werd een leerling lid van de ANDB dan is het waarschijnlijk dat er van hem of haar ook een lidmaatschapskaart te vinden is. Andersom prijkt op de lidmaatschapskaart een stempel met de letter L wanneer er ook een leerlingenkaart aanwezig is.

De voorkant van de lidmaatschapskaart geeft – net als de leerlingenkaart – de (meisjes)naam, geboortedatum en adressen van het lid. De meeste leden woonden in Amsterdam, maar er waren ook wel leden die woonachtig waren in Hilversum. Evident is dat op de kaart werd geschreven wanneer het lid zich had aangemeld en bij welke vakgroep hij of zij hoorde. Het was niet uitzonderlijk dat iemand zijn of haar lidmaatschap opzegde, bijvoorbeeld vanwege een carrièreswitch. Ook werden leden geschrapt, bijvoorbeeld wanneer de contributie niet was betaald, er onder het loon was gewerkt of een andere regel was overtreden. Een andere reden om de bond te rug toe te keren, was dat men naar het buitenland vertrok. Antwerpen was veruit de populairste bestemming voor deze emigranten, maar ook New York trok avonturiers. Vaak kwamen deze gelukszoekers op enig moment weer terug. Het was dan mogelijk om weer opnieuw lid te worden van de ANDB.

Er is op de kaarten ook ruimte voor aanvullende opmerkingen. Onder het kopje ‘geschiedenis’ kom je van alles tegen. Van opmerkingen over clandestien gedrag, het verschijnen voor het bestuur, tot de voor Joden verplichte overstap naar de Joodse vakbond Betsalel in de Tweede Wereldoorlog. De achterkant van de kaarten was gereserveerd voor financiële zaken. Zo kun je precies zien hoeveel contributie per jaar werd afgedragen en welke bedragen en waarvoor er aan een lid werd uitgekeerd.

Het archief en de kaarten zijn rijke en veelzijdige bronnen over een interessante periode in de geschiedenis van Amsterdam. De leerlingenkaarten en lidmaatschapskaarten worden momenteel met behulp van crowdsourcingsplatform ‘Vele Handen’ ontsloten en worden daarmee doorzoekbaar op naam en adres. De ingevoerde data zijn straks een geweldige bron voor onderzoek. Onder andere genealogen kunnen dan hun hart ophalen, want welke verwanten bevinden zich onder al die diamantbewerkers? Waar woonden ze en zijn ze te koppelen aan data uit andere genealogische bronnen?

Diamantindustrie in Amsterdam

De diamantindustrie heeft een lange geschiedenis in Amsterdam. In de zestiende eeuw waren er al goudsmeden en diamant- en robijnsnijders in de stad te vinden. Er was geen gilde van diamantbewerkers waardoor het met name voor Joden – uitgesloten van de meeste andere gilden – een uitkomst was om in de diamantindustrie te gaan werken. Halverwege de negentiende eeuw begon de Amsterdamse diamantindustrie te groeien.

Eerst werden er veel diamanten in Brazilië gevonden, die in de stad verhandeld en bewerkt werden. In 1866 vond men in het binnenland van Zuid-Afrika een gigantisch diamantveld. Er kwam een constante toevoer van diamanten op gang en Amsterdam voer daar wel bij. De stad ontwikkelde zich tot dé ‘diamantslijphub’ van de wereld en telde vele fabrieken en enkele duizenden vakbekwame klovers, snijders en slijpers. In 1894 diende zich echter een crisis aan die na de jaren van voorspoed hard aankwam bij de diamantbewerkers. Het drong tot hen door dat er iets moest gebeuren om het bereikte welvaartspeil niet kwijt te raken.

Oprichting ANDB

Bij het uitbreken van de handelsinzinking bestonden er nog geen loon- of prijsafspraken tussen de diamantbewerkers (de werknemers) en de juweliers (de werkgevers). Wel waren er vakbonden opgericht, zoals de Nederlandsche Diamantbewerkers-Vereeniging. Deze bonden waren klein en boekten weinig resultaten. Tijdens de crisis van 1894 namen grote aantallen diamantbewerkers zelf de rol van de juweliers over. Zij kochten kleine partijen diamanten in, slepen ze en verkochten ze weer door.

Stakingscomité in 1916, met onder meer Henri Polak en Jan van Zutphen (foto: IISG)

Het gevolg was een concurrentiestrijd met de gevestigde grote juweliers, waardoor de lonen van de diamantbewerkers in de grote fabrieken daalden, totdat de fabrieksarbeiders in actie kwamen. Staken bleek een succesvol pressiemiddel. Het waren iconische figuren als Jan van Zutphen en Henri Polak die in november van dat jaar een groot deel van de diamantbewerkers wisten te mobiliseren om het werk neer te leggen. Het besef groeide dat een georganiseerd verband de positie van de diamantbewerker ten goede zou komen: op 18 november werd de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (ANDB) opgericht.

In de begintijd was het voor de kopmannen zoeken naar de juiste structuur voor een eensgezinde en slagvaardige bond. Vernieuwend was de gedachte om bestuurders te betalen voor hun werk voor de bond. Zo konden zij zich volledig bezighouden met het afdwingen van hogere lonen, het instellen van contributiegelden, het oprichten van een stakingskas, het aantrekken van administratief personeel dat het ledenbestand moest bijhouden, en (vooral op instigatie van Polak) met een beschavingsoffensief gericht op de leden.

Ongekende weelde voor leden

De ANDB groeide snel en onderhandelde daardoor vanuit een sterke positie met de werkgevers, die zichzelf ook verenigden, in de Algemene Juweliers Vereniging. Liepen onderhandelingen vast, dan was de stap naar een staking klein. De hoge contributiegelden van de leden gingen onder andere naar de stakingskas. Als een werkonderbreking werd uitgeroepen, kregen de leden een uitkering om gederfde inkomsten te compenseren. Ook werd er uitgekeerd bij ziekte, bevalling en invaliditeit. Anno 2019 zijn dit geen opzienbarende sociale maatregelen, maar in die tijd was het een ongekende weelde. Dat gold ook voor de vakantiedagen die werden ingevoerd, eerst nog onbetaald, later betaald.

Als eerste beroepsgroep in Europa hoefden de diamantbewerkers nog maar acht uur per dag te werken in plaats van twaalf uur of langer. Het bestuur van de ANDB hechtte om verschillende redenen aan dit recht, niet in de laatste plaats omdat er dan naast de acht uren slaap die een fitte diamantbewerker moest hebben, nog acht uren overbleven voor persoonlijke ontwikkeling. De bond zag graag dat haar leden naar het Concertgebouw gingen en verfijnde lectuur lazen die te leen was in de eigen bibliotheek.

Het was voor veel leden wel even slikken toen Polak het plan doordrukte om een peperduur vakbondsgebouw neer te zetten. Het ontwerp van het gebouw, dat al snel de bijnaam ‘de Burcht’ kreeg, was van de hand van niemand minder dan Berlage. Toch was het gemoed onder de diamantbewerkers goed, blijkens de prachtige lamp die zij het bestuur schonken en die nu nog de hal van de Burcht siert.

Tegenover de ledenvoordelen stond naast de fikse contributie een niet geringe druk van bovenaf. Een betalingsachterstand betekende een bezoek van handhavers aan de fabriek. En in het ‘Weekblad’ van de ANDB was men niet vies van naming and shaming wanneer iemand bijvoorbeeld onder het loon was gaan werken.

Susan Leclercq

februari 2019

Zij werkt bij het IISG aan het Project Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (ANDB)

 

OPROEP Maquette van een slijperij

ANDB-maquette

Voor de dubbelpresentatie over de ANDB in De Burcht en het Joods Historisch Museum, die op 27 september 2019 wordt geopend in het JHM, zijn wij op zoek naar:

Een kijkkast (maquette) die een diamantslijperij omstreeks 1840 voorstelt, verlicht en met spiegel tegen de achterwand, met twee wegende en schrijvende juweliers, een afdeling snijders en klovers en slijpers.Voor de oorlog was de kast in het bezit van juwelier Siegfried Granaat, die hem in 1935 uitleende voor de Amsterdamse Diamanttentoonstelling in de Diamantbeurs. In 1949 werd de kijkkast wederom geëxposeerd op een diamanttentoonstelling in de Diamantbeurs. Bruikleengever was toen K.L.M. de Wit (1895-1956) van K. de Wit & Co.  De Wit, S. de Paauw en L. Rudelsheim adverteerden toen als ‘manufacturers, exporters and buying agents’ en hielden kantoor in de Professor Tulpstraat 17 in Amsterdam.