Het geheugen van de vakbeweging

De ontwikkeling van KAJ naar FNV Jong

Enige opmerkingen bij Kajotters-werkmethode

Tijdens de eerste naoorlogse Internationale Conferentie van de Katholieke Arbeiders Jeugd [KAJ] in 1950 te Brussel wordt uitvoerig aandacht besteed aan ‘het Kajotters onderzoek’. De (V)KAJ krijgt daar het karakter van een grote en erkende wereldbeweging. Zij krijgt de steun van de Paus en van veel regeringen. Dat betekende een fikse duw in de rug bij de oprichting, voor de bezieling en de uitbouw van de (V)KAJ in diverse landen. Geert Wagenaer beschrijft de invloed van de Kajotters-methode op de organisatie van de Katholieke Arbeiders Jeugd in Nederland

De Belgische priester Jozef Cardijn, inspirator van de KajottersbewegingDe Belgische priester Jozef Cardijn, inspirator van de Kajottersbeweging

De Jonge Werkman

De Jonge Werkman [JW] en Sint Josephsgezellenvereniging (in het bisdom Haarlem) waren de voorlopers van de KAJ in ons land. De samenwerking tussen deze organisaties was uitstekend. Ook de samenwerking met het R.K. Werkliedenverbond was zeer goed. Aan een jaarlijkse subsidie van het RKWV, voor de aanstelling van een gesalarieerde kracht bij de JW werd gewerkt. In 1939 kon een ‘vrijgesteld’ leider in dienst komen.
De JW 
had, als ‘jeugdstandsorganisatie’ voor de arbeidersjeugd van 14 tot en met 21 jaar, haar eigen wezenskenmerken en een andere organisatiestructuur dan de KAJ. De functie en positie van de door de bisschoppen benoemde priesters [directeuren] was een andere dan die van de aalmoezeniers van de KAJ. De ‘zelfstandigheid’ (van, voor en door jonge arbeiders) van de KAJ kon, vergeleken met die van de JW, optimaal genoemd worden. Die zelfwerkzaamheid was bij de JW minder groot. Wel kende de JW verschillende diensten voor zieken, werklozen en militairen, die vergelijkbaar waren met die van de Belgische KAJ. Een ‘apostolaatsbeweging’, ook een wezenskenmerk van de KAJ, was de JW niet. Wel werd in 1939 een Rome-reis samen met de Belgische KAJ voorbereid.
In het verslag van de KAB 1939-1947 werd het Nationaal Verbond De Jonge Werkman onder het kopje JEUGDZORG vermeld. De ‘zorg voor jeugdige werklozen’, onder datzelfde kopje beschreven, was een taak van het RKWV. Een verbondsbestuurder, had dit project in zijn ‘takenpakket’. Deze eerstverantwoordelijke had hierover wel contacten met de JW en de jeugdkampen stonden onder leiding van de diocesane bonden van De Jonge Werkman. Ze werden met name genoemd. De Josephsgezellenvereniging was niet vermeld . Over mogelijke informele contacten werd geen melding gemaakt.

Diocesane bonden

De KAJ bestond na WOII uit een Nationaal Verbond en vijf Diocesane Bonden. Vijf jaar bezetting had de diocesane verschillen en culturen niet volledig weggewist. De zuidelijke diocesane bonden richtten zich meer op de Vlaamse KAJ. De Haarlemse diocesane bond richtte zich meer op de Engelse YCW met nadruk op veroverend lekenapostolaat. De Utrechtse diocesane KAJ richtte zich sterker op kernvorming zoals de JW die kende. De Nationale KAJ had eigen bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden. De leiding van de JW was er na WOII niet meer.
Een compleet nieuwe club moest met te weinig kennis en ervaring aan de slag. Er ontstond een crisis door verschil van inzicht en opvatting tussen de diocesane en nationale leidingen. De nationale moest worden ingekrompen van vier naar twee personen en taken werden overgenomen door de diocesane bonden. Drie van de vier leiders die tegen deze reorganisatie waren en namen ontslag.

Lekenapostolaat

De (V)KAJ was ook een beweging van ‘lekenapostolaat’. A. Huyboom (nationaal aalmoezenier KAJ) beschreef dit in zijn bijdrage in Lering en Leiding (1961-blz. 243 t/m 248): “De rol van de priester in de K.A.J.” Kerstening van het arbeidsmilieu was geen eenvoudige opdracht voor de kajotters. Huyboom schreef: “In de wereld van de arbeidende jeugd heeft zich een geweldige evolutie voltrokken. De gehele existentie van de jonger arbeider en arbeidster, hun bestaanswijze, hun mentaliteit, hun plaats in de maatschappij zijn volkomen veranderd…Een verburgerlijking is ingetreden. Zelfs het woord arbeider raakt bij sommige arbeiders in diskrediet.” Er werd destijds steeds vaker gesproken over ‘werkende jongeren’ en ‘werknemers’.

Evolutie arbeidersjeugd

In het daarop volgende nummer van Lering en Leiding (1961-blz. 299 t/m 303) was een bijdrage te lezen over “De evolutie onder de arbeidersjeugd” in ‘Kanttekeningen bij het rapport van Gilbert Pourchet’, geschreven door Drs. W. de Hey, directeur van het Katholiek Pedagogisch Bureau. Pourchet was aalmoezenier van de Jeunesse Ouvriere Chretiene (JOC), de Franse KAJ. Hij kreeg in 1959 de opdracht: “een duidelijke en levendige beschouwing over de arbeidende jeugd te geven en daarbij de nadruk te leggen op de ontwikkeling welke deze jeugd thans doormaakt”. Hij noemde verschijnselen van de jaren ’50, zoals het ‘trekkend’ karakter van de arbeid, pendelen, migratie, toename van technische scholing en vrije tijd. Hij beschreef dat in de wereld van de arbeid, het arbeidsproces en de arbeidsverhoudingen, door de invloed van de techniek, grote veranderingen plaats vonden.
Het aantal ongeschoolden verminderde ieder jaar. De (hoger) technisch geschoolden werden belangrijke elementen genoemd. Het aantal witte boorden en witte jassen werd steeds groter. Een deel werd beambten, employés of medewerkers werden ze genoemd. Ze gingen op latere leeftijd werken en konden zich meer permitteren. Er werd een groeiend verschil met ongeschoolde fabrieksjeugd (van 14 tot 17 jaar) geconstateerd. De Hey was een kritische lezer van het rapport en waarschuwde de evolutieverschijnselen niet te veel te generaliseren. Hij nam afstand van sommige opvattingen van aalmoezenier Pourchet.

(V)KAJ wordt KWJ

Na 1963, toen de KAB vakcentrale NKV werd, kwam een einde aan de diocesane bonden, de standsorganisaties voor arbeiders. Ook de standsorganisatie voor de werknemende middenstand WM werd opgeheven. De jeugdstandsorganisatie KAJ verloor haar basis, maar bleef voortbestaan.
De KAJ en VKAJ gin gen op in de “Katholieke Werkende Jongeren” [KWJ]. Later werd de aanduiding katholiek geschrapt. De naam werd “KWJ, beweging van werkende jongeren” die vervolgens, na wat fusieperikelen, met Jonge Strijd NVV opgaat in FNV Jongerenorganisatie. Meer informatie gaf het boek “HET UUR VAN DE ARBEIDERSJEUGD de emancipatie van de werkende jongeren in Nederland 1944-1969”, door Jan Peet -1987- Publicaties van het Katholiek Documentatie Centrum/Uitgeverij Arbor Baarn.

Jozef Cardijn

Het boek “Cardijn” werd geschreven door Marcel van Roey en in 1972 uitgegeven door D.A.P. Reinaert Uitgaven te Brussel. Helder Camara, Aartsbisschop van Olinda en Recife schreef in zijn voorwoord onder meer: “Cardijn leerde ons zo objectief mogelijk ‘zien’, de gebeurtenissen ‘beoordelen’ in het licht van het evangelie en er naar ‘handelen’. Jozef Cardijn werd door de Paus  benoemd tot geheim kamerheer en tenslotte tot kardinaal.
Geert Wagenaer
November 2014
 
Geert Wagenaer