Het geheugen van de vakbeweging

De nevenactiviteiten van de ANDB in haar eerste periode

Doelbewust of franje?

Bij een eerste blik op het uitgebreide archief van de ANDB vallen meteen diverse nevenactiviteiten op: concerten van eigen koor en fanfare, een eigen drukkerij en bibliotheek en vooral heel veel zogenoemde cursusvergaderingen over de meest uiteenlopende onderwerpen. in haar mastersscriptie vraagt Elly Welgraven zich af of er inderdaad veel nevenactiviteiten waren en wat ze in hielden? Had de bond daar een speciale bedoeling mee? Kwamen de initiatieven daarvoor voort uit de leden of de bondsleiding? Met haar onderzoek wil zij een indruk krijgen van de betekenis van het lidmaatschap van de ANDB in zijn beginperiode. In dit hoofdstuk gaat het over de ontspanning na het werk en om de symbolische betekenis van het bondsgebouw.

Op naam gestelde dankbetuiging van de ANDB voor steun tijdens een vakbondsactie in 1904Op naam gestelde dankbetuiging van de ANDB voor steun tijdens een vakbondsactie in 1904


Ontspanning en vieringen in al haar uitingen, en het vakbondsgebouw

Ontspannen deed de diamantbewerker bijvoorbeeld door mee te doen aan het eigen Fanfarekorps Excelsior. Deze fanfare gaf steevast acte de présence bij belangrijke vieringen, zoals het vierjarig bestaan in 1898 en de viering van 1 mei in hetzelfde jaar.[1] Polak deed verslag van de gebeurtenis en meende dat het vaandel van de eigen ANDB, geschilderd door Roland Holst, een van de mooiste was: “Magnifiek, vooral ook de stoere arbeider, de toorts der verlichting in de forsche hand, den arm beschermend uitgestrekt over het juweel der organisatie”. Volgens Polak hing er een sfeer van vriendschap, allen broeders en zusters. Enig puntje van kritiek: er was te weinig muziek en de muziek die er was speelde ook nog eens dwars door elkaar heen. Dat weerhield Excelsior er niet van om zich zelf flink te fęteren met een pleziervaart op de salonboot Ceres op 13 augustus 1898, het geheel opgeluisterd met een geheelonthoudersbuffet. Het vijfjarig bestaan van de ANDB werd helemaal groots gevierd: een optocht waaraan allerlei arbeidersverenigingen meededen met verschillende muziekgezelschappen, waaronder Excelsior, opgetuigd met banieren en vaandels. De optocht eindigde in een internationaal arbeidersfeest in de concertzaal van het Paleis voor Volksvlijt.[2] Ook in 1902 werd het jubileum groots gevierd met Excelsior. Het was een heel divers programma van Brahms tot volksliederen.[3]
De leden konden hun vrije tijd ook doorbrengen bij het Diamantbewerkersmannenkoor. Blijkbaar kostte het nogal moeite om de mannen in toom te houden. In het huishoudelijk reglement uit 1896 stond nadrukkelijk dat de koorleden op straffe van een boete het oefenlokaal niet mochten verlaten en dat de commissaris van onderzoek het gedrag van de zingende leden onder de loep mocht houden. De discipline werd er verder ingehouden door het instellen van een schorsing die volgde als je vier keer aan een stuk wegbleef bij de repetities. Bij uitvoeringen waren de koorleden verplicht zichtbaar het insigne te dragen en  geroyeerde leden werden bij deze zogenoemde soirees niet toegelaten. In Het Weekblad staan regelmatig verslagen van deze uitvoeringen. Meestal hield Polak zich op de vlakte door een opsomming van de gebrachte liederen en de uitspraken dat het allemaal prachtig was en natuurlijk druk bezocht. Maar soms waagde hij zich aan een heuse recensie, waarbij de uitvoerende tenor Schoenmaker er niet al te best afkwam: “Zang is niet zijn ware leest.”[4]
Feesten die niet door eigen koor of fanfare opgeluisterd werden, waren er ook. Al in het eerste jaar van het bestaan van de ANDB  werd er een ‘Groote Buitengewone’ feestavond georganiseerd om geld in te zamelen voor een eigen banier. Behalve muziek was er ook ‘Groot Brilliant Vuurwerk’, een fancy fair met loterij.

Loterijclub

Blijkbaar werd er wel vaker gegokt, want de loterijclub van de diamantbewerkers´Wij willen wat winnen` doneerde in 1907 166 gulden aan het KSF. Een goede zaak vond Jan van Zutphen: “zomaar gewonnen geld geeft vaak ook veel ellende!”[5]  Ten behoeve van dat Koperen Stelenfonds werd er in 1911 een groot feestconcert gegeven in het Amsterdamse concertgebouw. Het programmaboekje staat vol opvoedende leuzen: “Elke diamantbewerker hoort een propagandist te zijn, het is een uiting van hoge beschaving steeds de zwakke te hulp te komen.” En “Ome Jan kijkt treurig bij te weinig geld, doe uw best hem in een prettige stemming te brengen.” Tot slot: “Hij die voor zijn zieke kameraden zorgt, begrijpt zijn plaats als zelfbewuste arbeider”.[6] Voor het KSF werd in 1910 een tentoonstelling gehouden van zelfgemaakte (kunst)voorwerpen. Initiatiefnemer was Japie Delden, die zelf een lampje voor de tentoonstelling maakte. Vanaf dat moment werd het lampje het symbool van het Fonds.(zie afbeelding 3)
Bij het 10-jarige bestaan werd er geen feest gevierd. Niet omdat er geen reden toe was, integendeel, na een maandenlange strijd, wederom om beperking van het aantal leerlingen, minimumtarief slijpers en een negenurige werkdag, had de ANDB gezegevierd. Maar door de langdurige uitsluiting was de kas leeg. Er kwam wel een speciaal feestnummer uit waarin Polak zich zelf neerzette als de verpersoonlijking van de bond – “vergeef mij de ijdelheid” – als woord- en penvoerder, en als het ware receptie hield voor alle gastschrijvers.[7] Uiteraard veel felicitaties en herinneringen in dit nummer, maar ook een prachtige uitneembare prent van Roland Holst als symbool van het 10-jarige bestaan.
Het valt op dat bij al deze vieringen en ontspannende activiteiten het opvoeden gewoon doorging: het disciplineren van de koorleden door middel van regels en controle, de gift van de gokkers aan het KSF – die door Van Zutpen van een moralistisch tintje werd voorzien -, het ontbreken van drank tijdens de pleziervaart van de fanfare en de opvoedende leuzen in het programmaboekje van de feestavond van het KSF. Tegelijkertijd waren dit initiatieven om de diamantbewerkers in aanraking te laten komen met muziek en zang en hen te laten merken dat je ook op een andere manier je vrije tijd kan besteden behalve drinken in de kroeg. De feesten en optochten, met de daarbij horende vaandels en banieren lieten bovendien zien dat ze solidair aan elkaar waren, strijdbaar trots op henzelf en de bond en dat graag naar buiten toe uitstraalden.
Symbolen, de verbeelding van de bond, waren belangrijk voor de leden. Je ziet ze terug in bovenstaand vaandel en in de prachtige banier van Roland Holst, dat meegedragen werd in de 1 mei optocht. Ook de gedenktekenen die dezelfde kunstenaar maakte na de maandenlange uitsluiting in 1904, waar veel diamantbewerkers onder hadden geleden, verbeelden dezelfde waarden als strijdvaardigheid en bescherming van de bond.

Het bondsgebouw

Dat geldt in het kwadraat voor het door Berlage ontworpen bondsgebouw dat in 1900 in gebruik werd genomen. Deze Burcht van de Arbeid moest symbool staan voor waar arbeiders toe in staat waren. Ook moest het van Polak zoveel mogelijk het ideale huis benaderen, waar de arbeiders konden verblijven in een omgeving van schoonheid. Het moest de kunstzin van de diamantbewerkers bevorderen.[8] Tijdens mijn bezoek aan De Burcht, nu gebruikt door de vakbonden voor wetenschappelijk onderzoek, kan ik alleen maar bevestigen dat het gebouw er niet alleen van buiten prachtig uit ziet, maar ook binnen voel je de grandeur. Als je in het trappenhuis staat, dat nog het meest doet denken aan een tekening van Escher, zie je overal om je heen schilderingen met vakbondsdeugden als opoffering, strijdbaarheid en solidariteit. Diezelfde thema´s zie je terug in de fresco´s van Roland Holst met onderschriften van zijn vrouw Henriëtte in de vergaderzaal. Langs de muren lopend ontrolt zich het martelaarsverhaal van een jonge arbeider die zich ontwikkelde tot socialist en als zodanig vocht voor een betere toekomst. Zoals een martelaar betaamde stierf hij op het slagveld en werd hij als een held herdacht. De muurschilderingen in de vergaderzaal symboliseren de geschiedenis en de toekomst van de arbeidersbeweging. Die geweldige toekomst, wanneer de strijd klaar is en arbeid en schoonheid samenvallen, werd verbeeld meteen boven de hoofdingang van de vergaderzaal (zie foto). De bovenste verdieping werd ingenomen door de bibliotheek, een aantal kasten uit die tijd staan wat verloren in de ruimte. De gids weet te vertellen dat Polak af en toe optrad als bibliothecaris en de leden overhoorden of ze de teruggebrachte boeken wel goed hadden gelezen. Ik heb geen bewijs hiervoor gevonden in mijn bronnen, maar het lijkt onmiskenbaar des Polaks. De leden waren duidelijk trots op hun Burcht. Ze zamelden regelmatig geld in om het gebouw te verfraaien, zoals het stenen reliëf in de hal.
Het bondsgebouw werd ook geëerd door middel van een andere uitingsvorm van de leden; het gedicht. Het volgende is van Bram Westergeest: “Pantsier voor werkers die om-vér-geloopen, door ´t kapitaal, zich willen heffen op, omhoog de nek, omhoog het oog, tesaam  omhoog en aan den top hunner geestdriftige reischaren, de vlag der roode proletaren. Kasteel voor wie aanziet de pijlenforsch, vierkantel om den saamgedrongen gebouw, die in zichzelf bestaat en sterkt de norsche transen voor wie naadren zal, maar geeft zijn uitgelegde trappen, den werkers die daar binnen stappen”.[9]
Dichten deden de leden graag en veel. Woorden vol strijd, trots op de bond en het hoofd waardig omhoog, bijvoorbeeld deze: (…) Met moed in het hart aan het strijden, Het hoofd fier en dapper omhoog. ”(…) En moet gij het fiere hoofd buigen, toch zal dan uw vijand getuigen: O, ANDB zij zijt groot!”[10]  Het eerste gedicht wat ik vond, stamt uit het persoonlijk plakboek van Polak. Hoewel enigszins van Sinterklaasrijmniveau, werden de Bestuursleden lief voorgesteld: “Henri Polak, die is bekend, men noemt hem een flinke vent (…), Herman Kuyper ook erbij, die staat hem steeds flink terzij, maar daarin staan zij niet alleen, want Jan van Zutphen met zijn baard, is voor de bond ook alles waard”[11]. Jan van Zutphen zelf greep ook naar de dichtpen t.g.v. het 10-jarige bestaan[12]: “Houd hoog die taak, blijf onze trots, en voor den arbeid steeds een rots, een steun bij voorwaarts streven, vuur van onbedwingbare diamant, zij een symbool den werkersstand, tot mooier leven.” En natuurlijk was er ook hét strijdlied, geschreven door oncle (ome Jan?). (zie afbeelding 4)
De in dit laatste stuk van deze paragraaf beschreven activiteiten hebben vooral te maken met het socialistische ideaal: de strijd tegen het kapitalisme om uiteindelijk tot een socialistische samenleving te komen. Maar de trots, solidariteit en strijdbaarheid die zo uit hun symboliek spreekt, speelden ook een belangrijke rol in hun heden: de strijd voor betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen. De vieringen, optochten en het vakbondsgebouw zullen ook het saamhorigheidsgevoel hebben bevorderd en werd op deze manier ook naar buiten toe uitgestraald. Dat de leden trots waren op hun bond blijkt onder meer uit de gedichten en de vele versieringen die zij gaven aan het bondsgebouw


[1] Het Weekblad 6 april 1898)
[2] IISG: Archief ANDB, 5141 en 5142
[3] Ibidem, 5181
[4] S. E. Bloemgarten, Henri Polak, Sociaal democraat 1868-1943, 500
[5] IISG: Archief ANDB, 5192
[6] Ibidem, 7108
[7] Het Weekblad, 18 november 1904
[8] S. E. Bloemgarten, Henri Polak, Sociaal democraat 1868-1943, 150
[9] Het Weekblad, 15 januari 1904
[10] Ibidem, 18 maart 1904
[11] IISG: Archief ANDB   8011
[12] Het Weekblad,  jubileumnummer 18 november 1904

_____

Ga verder naar  Educatieve activiteiten