Het geheugen van de vakbeweging

De ‘K’ van katholiek wil men niet prijsgeven

Vrouwenorganisaties van NVV en NKV

Zo bekend als de vrouwen van het NVV onder sociaalhistorici zijn, zo onbekend zijn die van het NKV. De NVV-vrouwen zijn beschreven door Corrie van Eijl (1997) en Marian van der Klein (1998), die de NKV-vrouwen tamelijk eendimensionaal afschilderen als conservatief, weinig professioneel en geďsoleerd van de vakbeweging. Zou er werkelijk niet meer te zeggen zijn over een beweging die op haar hoogtepunt zo’n 40.000 vrouwen organiseerde? Marjet Derks en Marijke Huisman schreven de geschiedenis van de Katholieke Arbeiders Vrouwenbeweging (KAV).

Affiche Vrouwenbond NKVAffiche Vrouwenbond NKV

Wat aan de geschiedenis van de NKV-vrouwen opvalt, is dat katholieke arbeidersvrouwen vooral het object van zorg en bemoeienis van anderen zijn geweest. Wat zij zelf wilden, werd zelden gevraagd.

Sekse of stand

De eerste bemoeienis met katholieke arbeidersvrouwen vond plaats toen priester A. Derckx in Venlo in 1919 een aparte organisatie bepleitte. Met Henri Poels, de invloedrijke hoofdaalmoezenier voor sociale werken in de mijnstreek, vond hij dat de toekomst van de arbeiders voor een belangrijk deel afhing van arbeiders – vrouwen en hun inspanningen het geloof te behouden en de sociale nood te ver lichten. Maar voordat er daadwerkelijk een aparte vrouwenorganisatie ontstond, geraakten het RKWV (Rooms Katholiek Werklieden Verbond) en de RK Vrouwenbond in een langdurige discussie óver de arbeidersvrouwen. Het RKWV vond dat zij deel moesten zijn van de standsorganisatie om vanuit hun rol als vrouwen en moeders bij te dragen aan de ontwikkeling van de arbeidersklasse. De RK Vrouwenbond wilde de arbeidersvrouwen echter ‘helpen’ zich zodanig te vormen dat zij ‘goede’ moeders en huisvrouwen werden die bijdroegen aan een sterke katholieke vrouwenbeweging. Uiteindelijk won het RKWV: vrouwen waren deel van het katholieke arbeiders – gezin en moesten als zodanig gevormd worden. Het RKWV in het bisdom Roermond nam het voortouw. In 1933 werd een ‘propagandiste’ aangesteld en nog hetzelfde jaar was de Katholieke Arbeiders Vrouwen Organisatie (KAVO) een feit. Het Limburgse voorbeeld sloeg over naar het bisdom Den Bosch, waar in 1935 een Standsorganisatie voor Katholieke Arbeiders-vrouwen en Arbeidsters werd opgericht. De leden stroomden toe, na 1945 ook in de bisdommen Breda, Utrecht en Haarlem. Zij kregen een programma gericht op vorming en ontspanning, dat werd ontwikkeld en begeleid door zogenoemde ‘leidsters’ die in dienst van de katholieke arbeidersbeweging waren.

Vrede en geluk

De leidsters hadden de ambitie de arbeidersvrouwen meer dan vorming en ontwikkeling te bieden. Zij wilden hun medezeggenschap in kerk en maatschappij vergroten. Met informatieve avonden en scholing wilden ze arbeidersvrouwen stimuleren tot participatie in kerk, maatschappij en in de eigen vakbeweging. Maar daar wrong de schoen. Volgens de leidsters nam de KAB de KAV te weinig serieus. De Bossche leidster Riet Stokwielder verwoordde het terugblikkend als volgt: “Zij vonden: wij waren uit hen geboren. Dus zij moesten wel bij ons inspraak hebben, maar niet andersom.” Omdat de leidsters bleven aandringen op een intensievere samenwerking tussen KAB en KAV, werd in 1964 een andere structuur voor de KAV bedacht. De diocesane KAV’s zouden worden verenigd in een landelijke Stichting Vrouwenbeweging van het NKV, met een nationale leidster die kantoor hield in het pand van het NKV in Utrecht. Leonie Kokshoorn, de nationale leidster, constateerde echter al in 1966 dat de nieuwe situatie nauwelijks beter was. De VNKV was voor het NKV niet meer dan een ‘pijnlijke blindedarm in begrotingstijd’. Dat was een probleem, te meer omdat Kokshoorn vond dat het NKV haar taken veel te beperkt opvatte. Het ‘grote lichaam’ deed veel goeds in de strijd om de economische belangen van werknemers, maar verzaakte in de meer algemene plicht een ‘leefwaardige maatschappij’ te realiseren. En daar kwamen de vrouwen in beeld. Zij hadden vanuit hun vrouwelijke aard een specifieke bijdrage te leveren aan die ‘leefwaardige’ samenleving. Het streven naar zo’n samenleving was een menselijke opdracht, waaraan mannen en vrouwen van het NKV samen moesten werken. Hiermee verwoordde Kokshoorn een ferme cultuurkritische boodschap aan het NKV. Nog steviger klonk die door in haar argument voor een intensievere samenwerking tussen mannen en vrouwen. Was het niet meer dan eerlijk dat de vrouwen, die werden ingeschakeld om koffietafels, kinder- en feestmiddagen voor het NKV te organiseren, ook het beleid mede mochten bepalen? Langzamerhand ontwikkelde de VNKV voor en naast de vakbeweging een eigen gedachtegoed waarin solidariteit met zwakkeren centraal stond. Vanuit die gedachte werd in het ledenblad bijvoorbeeld gepleit voor een matige consumptie. Volgens de VNKV ging het namelijk om een persoonlijke én maatschappelijke keuze: voor meer welzijn óf voor nog meer welvaart. De kritiek op het welvaartsdenken strekte zich nadrukkelijk uit tot de eigen vak – beweging. Maar dat streven naar een nieuwe, rechtvaardiger wereld begon voor de VNKV-vrouwen in eerste instantie thuis, met de zorg voor het gezin en voor mensen en zaken in de eigen omgeving. In die zin was het persoonlijke ook voor de VNKV politiek. Bij die politiek hoorde uitdrukkelijk het ‘bij de tijd brengen’ of ‘mondig maken’ van vrouwen. De VNKV emancipatie was echter een heel andere dan die van de feministische beweging die de slogan ‘het persoonlijke is politiek’ ging voeren.

De heidenen

De Vrouwenbond NVV voelde zich wél aangetrokken tot het gedachtegoed van de tweede feministische golf en dat zou tot grote spanningen met de VNKV leiden. Na de totstandkoming van de Federatie Nederlandse Vakbeweging in 1981 was het de bedoeling dat ook de VNKV en de Vrouwenbond NVV fuseerden. Daartoe moest de diocesane VNKV eerst een nationale organisatie worden, wat gebeurde op 11 oktober 1979. Bij die gelegenheid riep Wim Spit, toenmalig NKV-voorzitter, de nieuwe VNKV op snel werk te maken van samenwerking met de Vrouwenbond NVV. Dat vereiste nogal wat, want de beelden die binnen de VNKV van deze bond bestonden, waren niet mals. Volgens Wies Pijs, bestuurslid van de VNKV, werden de NVV vrouwen gezien als ‘heidenen’, die wilden dat vrouwen buitenshuis werkten en de kinderen aan hun lot overlieten. Tijdens discussies over de fusie zeiden veel VNKV leden bovendien te vrezen dat er geen ruimte meer zou zijn voor een eigen VNKV-geluid inzake kwesties als abortus en euthanasie. Het feit dat de Vrouwenbond NVV grote affiniteit had met de tweede feministische golf maakte de zaak er voor de VNKV niet beter op. Zij was en bleef een beweging die zich toelegde op de persoonlijke vorming van leden en een religieus geďnspireerde solidariteit. Maar meer nog dan in de onenigheid over concrete punten, zat de weerzin van de VNKV tegen de Vrouwenbond in een andere stijl van doen en denken. De VNKV-vrouwen hadden het gevoel door de NVV-vrouwen als ‘minderwaardig’ te worden beschouwd omdat ze huisvrouwen en moeders zonder betaalde baan buitenshuis waren. Het gevoel dat ze ‘niet goed genoeg’ waren, kenden de VNKV-vrouwen echter veel te goed. Hun beweging was er nu juist voor bedoeld ze van dat gevoel af te helpen. En dat was ook gelukt: in eigen kring vonden de leden gezelligheid, informatie, saamhorigheid en werden ze voor vol aangezien. Samenwerking met ‘buitenstaanders’ zou daar weer afbreuk aan doen. Toch bleven de besturen van Vrouwenbond NVV en VNKV onder druk van de FNV zoeken naar mogelijkheden tot samenwerking. In 1984 verdedigde Karin Adelmund, voorzitster van de Vrouwenbond, zich tegen de VNKV-kritiek dat de Vrouwenbond geen levensbeschouwing had: “We geloven in een betere, rechtvaardige wereld en daar knokken we voor. (…) Levensbeschouwing hoeft niet altijd een religieuze overtuiging te zijn: je kunt ook inspirerend geloven in een strijd. Maar het kan ook samengaan.” In 1986 zou definitief blijken dat FNV en levensbeschouwing voor de VNKV-leden beslist níet konden samengaan. Direct na de eenwording in 1979 raakte de VNKV in een crisis. De weerzin tegen een nationale organisatie, samenwerking met de vakbeweging en de Vrouwenbond NVV was dermate groot dat afdelingen en provincies zich afscheidden. In 1983 stapten vrijwel alle VNKV-afdelingen in Noord-Brabant over naar de Katholieke Vrouwenbeweging Brabant. De sterk afgeslankte organisatie was genoodzaakt zich te herbezinnen op het beleid. In 1984 resulteerde dat in ’n Stap vooruit, het eerste beleidsplan waarop de leden zélf invloed hadden gehad. Nu niet langer de leidsters, betaalde krachten of de kaderleden vaststelden wat en waartoe de VNKV was, werd duidelijk dat de leden de VNKV zagen als een organisatie van primair katholieke arbeidersvrouwen. Steeds verder dreef de VNKV af van de Vrouwenbond NVV, hoewel het overleg over samenwerking op bestuurlijk niveau doorging. Het VNKV-bestuur moest er echter rekening mee houden dat nóg meer leden afhaakten als zij deze koers bleef volgen.
Na hernieuwde druk vanuit de FNV snel tot een ‘zware federatie’ met de Vrouwenbond te geraken, nam het algemeen bestuur van de VNKV op 10 april 1986 het besluit de band met de vakbeweging te verbreken. De VNKV liet zich niet langer mangelen tussen vrouwen- en vakbeweging, maar koos voor datgene waar haar hart lag: de K van katholiek. Toen de leden hun eigen organisatie eenmaal zelf in handen hadden, bleek noch sekse noch stand het verbindende element te zijn. Na ruim 50 jaar schudden de katholieke arbeidersvrouwen de bemoeienis door anderen van zich af en richtten zij in 1986 de Vereniging Nederlandse Katholieke Vrouwen op, die tot 1996 bestond.

Marijke Huisman

Het artikel is eerder gepubliceerd in de VHV Nieuwsbrief van maart 2003

Noten
  • Marijke Huisman schreef met Marjet Derks ‘Edelmoedig, fier en vrij’. Katholieke arbeidersvrouwen en hun beweging in de twintigste eeuw (Hilversum 2002). Zij werkt bij het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV).
  • Corrie van Eijl, Maandag tolereren we niets meer… Vrouwen, arbeid en vakbeweging 1945- 1990 (Amsterdam 1997).
  • Marian van der Klein, Kranig en dwars. De Vrouwenbond.