Het geheugen van de vakbeweging

De Grote Oorlog en de Nederlandse vakbeweging

Dwarsligger

Op 28 juni 1914 begon de zogeheten korte twintigste eeuw met de fatale aanslag op de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie door een Servisch nationalist in Serajewo. De noodlottige schoten op het koninklijk echtpaar vormden de directe aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog.

Pieter Cort van der Linden (1846–1935), minister-president tijdens de Eerste WereldoorlogPieter Cort van der Linden (1846–1935), minister-president tijdens de Eerste Wereldoorlog

Een maand later op 31 juli volgde de moord door een jonge nationalist op de Franse socialistenleider Jean Jaurčs in een Parijs café. Als pacifist wilde Jaurčs juist de dreigende oorlog voorkomen door diplomatie en een bondgenootschap tussen Frankrijk en Duitsland. De ontzetting in de arbeidersbeweging was groot. De diplomaten slaagden er niet in de kluwen van Europese bondgenootschappen vreedzaam te ontwarren. De historici zijn het er niet over eens of ze de leiders van de oorlogvoerende landen als slaapwandelaars of politieke dilettanten moeten aanduiden. De sociaaldemocraten stelden de nationale belangen boven die van de internationale proletarische solidariteit. Zo ook P.J. Troelstra in het Nederlandse parlement. 
De diehards onder de militairen hadden het voor het zeggen en stuurden de troepen de slagvelden op. Oostenrijk-Hongarije stelde harde eisen aan Servië, Rusland mobiliseerde, Duitsland probeerde via België Frankrijk binnen te vallen en zo snel door te stoten naar Parijs. De Engelsen steunden de Belgen, de Fransen en de Russen. Begin augustus 1914 begint een vier jaar durende strijd die geografisch loopt van de loopgraven in het westen van Vlaanderen en Noord-Frankrijk tot Gallipoli in Griekenland en Turkije. Uiteindelijk nemen 35 landen aan deze eerste mondiale oorlog deel. Miljoenen soldaten komen op een ellendige manier om het leven. Het is later aangrijpend op papier gezet in Van het westelijk front geen nieuws (Im Westen nichts Neues) van Erich Maria Remarque. De roman is een monument in de wereldliteratuur. 
Nederland bleef buiten de Grote Oorlog, maar werd er militair, economisch en sociaal natuurlijk wel door getroffen. Duizenden arbeiders werden aan hun werk ontrokken voor mobilisatie, ineens kwam er een halt aan een al jaren voortrollende golf van stakingen. De paniek van de eerste augustusdagen leidde tot economische stagnatie, ontslagen en loonkortingen. Maar al gauw werd voor veel ondernemers duidelijk dat Nederland buiten de oorlog bleef en slaagden velen erin met productie en handel eraan te verdienen.
Veel arbeidersgezinnen werden daarentegen getroffen door armoede en gebrek. Levensmiddelen werden schaars, deels door de lucratieve uitvoer ervan naar Duitsland. Voor het in 1913 aangetreden kabinet-Cort van der Linden was helder dat ze de vakbonden in die moeilijke tijden hard nodig had voor het behoud van de geest van nationale eenheid en voor het bewaren van rust in de bedrijven. Ze bood de vakorganisaties daarom plaatsen aan in het Koninklijk Nationaal Steuncomité. Jan Oudegeest, de voorzitter van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), was hierin de bekendste vertegenwoordiger uit vakbewegingskring. 
Dit breed samengestelde comité had een belangrijke taak voor wat betreft de voortgang van landbouw, handel en nijverheid, de bestrijding van de nood door directe ondersteuning in het land en ten aanzien van productie en distributie van voedingsmiddelen en steenkolen. Het comité voerde een groot deel van haar taken uit op gemeentelijk niveau. Vakbondsbestuurders hadden daarbij een taak. 
De vakbeweging die in de voorgaande decennia een stelsel van werklozenkassen had gerealiseerd, kreeg bovendien door de financiële steun van de regering aan noodlijdende werkloosheidskassen een officiële functie bij deze vorm van sociale zekerheid. Dat kreeg uiteindelijk in 1917 vorm in het ‘Werkloosheidsbesluit’. Na 1918 werd het stelsel gehandhaafd en leverde het veel administratief werk op voor administrateurs bij de bonden. De extra ondersteuning als vakbondslid bij werkloosheid vergrootte de aantrekkingskracht van de vakbeweging. Het bevorderde naast het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten de integrerende rol van de vakorganisaties in de samenleving. Historicus Frits de Jong Edz. (1919-1989) heeft dat proces blijvend gemunt als de ‘ingroei’ van de vakbeweging in staat en maatschappij.
Harry Peer
27 juli 2014