Het geheugen van de vakbeweging

De geschiedenis van de WW

In de tweede helft van de negentiende eeuw probeerden vakgenoten steun bij elkaar te vinden in geval van begrafenis, ziekte of werkloosheid. Werkloosheid betekende honger en armoede. Zij richtten fondsen op met namen als Tot Onderlinge Steun of Helpt Elkander.

Er werd met centen, stuivers en dubbeltjes contributie geheven. Als de kas gevuld was zorgden zij voor een zeer karige uitkering in geval van werkloosheid. Uit deze steunfondsen ontstonden moeizaam de eerste vakbonden. Vooral bij de oprichting van het NVV in 1906, was zichtbaar dat de bonden die zich aansloten, overgingen tot fondsvorming in eigen beheer, onder meer om uit te keren tijdens werkloosheid. Het NVV begon gelijk bij aanvang van haar bestaan druk uit te voeren op de overheid om arbeiders die werkloos waren, te ondersteunen. Jan Oudegeest pleitte tijdens een NVV-congres in 1907 voor verkorting van de arbeidsduur en een subsidie van de overheid om de steunfondsen van de vakbeweging aan te vullen. De discussie binnen het NVV werd heen en weer geslingerd tussen het zogenoemde ‘Gentse stelsel’, waarbij het fonds door de vakbond wordt beheerd en de gemeente een toeslag geeft en een streven binnen naar een landelijk systeem door de rijksoverheid betaald, het zogenoemde ‘Deense stelsel’. De vakbeweging wilde wel een rol blijven spelen bij de uitvoering van de uitkeringen, zij zag dit als bindmiddel voor haar leden en als een directe verbetering van de levensomstandigheden.
Tussen 1906 en 1914 functioneerde bij 32 gemeenten een fonds om arbeiders te ondersteunen tijdens werkloosheid. Pas in deze periode werd de samenhang tussen armoede, werk en werkloosheid erkend en begon het begrip te dagen dat de overheid daar een taak in had. Ook in andere kringen werd nagedacht over een werklozenfonds. Ds. Talma, een bekende Patrimoniumman, was voor een fonds dat beheerd zou worden door een raad van de arbeid, geleid door werkgevers en werknemers. Hij liep redelijk voor de troepen uit. Het NAS verklaarde zich pas in 1918 voor een werkloosheidsverzekering en fonds.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (WO1) in 1914 werd de situatie bijzonder nijpend. Grote delen van de industrie kwamen in de problemen door een stagnerende import. Dit zorgde voor een buitengewoon grote werkloosheid. Op aandringen van de al bestaande Werkloosheidsraad kwam de noodregeling-Treub tot stand. Treub was voorzitter van de Werkloosheidsraad en minister van Handel. Het kwam tot een tussenvorm van het Gentse en het Deense stelsel. In feite werd het Gentse model ingevoerd, doch door de regering mede gefinancierd. Het rijk subsidieerde de gemeenten om de ondersteuningsfondsen van onder andere de vakbonden gevuld te houden. Daar waar geen fondsen bestonden werden ze opgericht door gemeenten. Dat was een duidelijke erkenning van de vakbeweging, hoewel het NVV de voorkeur had voor een rijksregeling. De vakbeweging voerde nu de regeling uit, die een financieel voordeel voor de eigen leden inhield. Niet in de laatste plaats door het aandringen van de gemeenten en de verwachting van een langdurende oorlog, vond op 1 januari1917 de overgang plaats naar het Werkloosheidsbesluit 1917. Dit besluit hield in dat de gemeenten de kassen vulden en kassen na 1917 opgericht, erkenden. Niet-georganiseerden dienden zich bij het plaatselijke comité te melden. In wezen een formalisering van de regeling-Treub. Ondanks dat dit nog geen echte wettelijke regeling was, heeft dit systeem tot 1945 gewerkt. Deze (nood) regeling was bittere noodzaak, tijdens WO1 verarmde een groot deel van de bevolking, een ander, kleiner deel, kon zich dankzij de oorlog juist verrijken.

De crisisjaren

Tijdens de crisisjaren en vooral na 1933 toen de crisis echt doorzette, kwamen de bezuinigingsvoorstellen van de opeenvolgende rechtse kabinetten. Loonsverlaging en ook het verlagen van de uitkeringen werden, naast ontslag, als redmiddel gezien! Deze armoedige tijd heeft, samen met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (WO2), een diepe indruk nagelaten bij de generatie van onze ouders en grootouders. Op 1 december 1935 was volgens het CBS 32,5 procent van de beroepsbevolking werkloos! Cijfers over de verborgen werkloosheid zijn er niet. We mogen aannemen dat het CBS-cijfer in werkelijkheid nog hoger lag. Toen al pleitte het NVV voor arbeidstijdverkorting ter bestrijding van de werkloosheid. Vlak voor het begin van WO2 was de vakbeweging verder gegroeid in de maatschappij met uitvoerende verantwoordelijkheid voor sociale voorzieningen op het gebied van werklozen en ziekenfondsen. Dit met alle voordelen, maar zeker ook nadelen zoals bij verlagingen van de uitkeringen en verplichte tewerkstelling van werklozen.

De Tweede Wereldoorlog

Door de oorlogshandelingen kwam de import stil te liggen. Hierdoor konden grote delen van de industrie niet meer functioneren. Dit leidde tot een sterke toename van de werkloosheid. Het kostte grote moeite om de werkloosheidsuitkeringen van de bonden gegarandeerd te krijgen op 70 procent van het laatstgenoten loon. De inhoud van de kas verschilde van bond tot bond. Door de centrale aansturing, de bonden werden verplicht tot fusie door de Duitsers, werden de verschillen per bond kleiner. De kans om voor werk naar Duitsland gestuurd te worden, steeg met de dag. In 1942 viel het doek: de Nationaal Socialisten sloegen toe en veranderden de vakbeweging in het Nationaal Arbeids Front. De rest van de oorlog hield de vakbeweging op te bestaan.

De Wederopbouw

In oktober 1945 werd door het kabinet-Schermerhorn het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA )ingevoerd. Daar viel ook de werkloosheidsvoorziening onder, in afwachting op een definitieve wettelijke regeling. Werklozen werden opgeroepen voor projecten in de Dienst Uitvoering Werken (DUW). Een zeer omstreden instelling, die grote landprojecten en dijkaanleg et cetera verzorgde. Deze dienst stamde nog van voor de oorlog en hield voornamelijk zwaar grondwerk in. Onder vooroorlogse condities maar wel met een cao. Het loon van de DUW-arbeiders mocht echter nooit boven het loon in het bedrijfsleven komen. In 1952 trad de Wachtgeld en Werkloosheidsverzekering(WW) in. De helft van de premie werd betaald door de werknemer, de andere helft door de overheid. Het systeem via de bonden of plaatselijke comités wordt verlaten na heftige discussies in de bonden en de centrale. De uitkering wordt naar 80 procent van het laatstgenoten loon gebracht. Deze uitkering duurde maximaal een half jaar. Een belangrijke verbetering!
Om de lasten van de werknemers voor premiebijdrage op te vangen, werden de lonen bij de invoering van deze verplichte verzekering verhoogd. De wederopbouw en de geleide loonpolitiek onder de rooms-rode kabinetten-Drees (PvdA) hadden naast nadelen ook zo hun voordelen. Lage lonen, maar steeds betere sociale voorzieningen.
In 1964 trad de Wet Werkloosheids Voorziening (WWV) in werking. Deze gaf voor de periode ná de WW voor twee jaar een uitkering van 75 procent van het laatstgenoten loon. De uitvoering lag bij de bedrijfsvereniging, die deze taak meestal delegeerde naar een Gemeenschappelijk Administratie Kantoor (GAK).

De teruggang van de sociale voorzieningen

In 1978 wordt door het kabinet-Van Agt 1 Bestek ’81 gepresenteerd. Dat veroorzaakte een breuk met de vakbeweging. Bestek ’81 betekende een beperking van de loonkosten en het afknijpen van de sociale voorzieningen. Een meerderheid in de Tweede Kamer steunde het regeringsbeleid. In 1984 gaat onder leiding van het kabinet-Lubbers de bijl erin. Naast andere versoberingen voor vooral ambtenaren, trendvolgers en uitkeringsgerechtigden, werden de uitkeringen van zowel de WW als de WWV teruggebracht naar 70 procent van het laatstgenoten inkomen. Deze maatregel ging in op 1 januari 1985. In 1987 werd de WW afhankelijk gemaakt van leeftijd en arbeidsduur. In 1993 vond er een parlementaire enquęte over de uitvoering van de werknemersverzekeringen plaats. Het advies van deze commissie was om onder meer de arbeidsvoorziening uit handen van de werknemers en werkgevers te halen. In plaats van het oude arbeidsbureau werd het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) geďntroduceerd.
De grote afbraak van de sociale voorzieningen en de tijd van privatiseringen konden beginnen. Ook onder de paarse kabinetten ging deze trend in de jaren negentig door. Vooral de onderkant van de arbeidsmarkt moest concurreren met goedkope derdewereldlanden. De druk om collectieve regelingen individueel te maken wordt steeds sterker. Vooral het CDA neemt afstand van haar sociale verleden en in feite doet de PVDA hetzelfde. Het overleg met de vakbeweging begint te haperen, adviezen van de Stichting van de Arbeid worden terzijde gelegd. Zowel CNV als FNV hebben minder invloed op het CDA en de PvdA. De vakbeweging, die oorspronkelijk was begonnen als aanjager en mede-uitvoerder van de sociale verzekeringen, werd door de commissie-Buurmeijer uitgerangeerd.

Wat nu?

Door de grote manifestatie op het museumplein in 2004 van de gezamenlijke bonden en de stakingen in het personenvervoer en metaalbedrijven, werd de druk op het kabinet-Balkenende II verhoogd. Er werd, onder meer door de druk van de manifestatie, advies gevraagd over de WW aan de Sociaal Economische Raad (SER). Het kabinet trachtte deze aanvrage vóór de manifestatie te vermijden. De opdracht aan de SER was te adviseren over een toekomstige WW-stelsel. Bedoeling is dat er één wet komt die de werkloosheidsuitkering regelt, afhankelijk van de arbeidsduur.
In maart 2005 blijkt de SER niet tot overeenkomst te kunnen komen. De Kroonleden komen tot een eindbod: de maximumduur beperken doch jongeren, flexwerkers en herintreders betere rechten geven. Dit betekende een stevige discussie binnen de federatieraad van de FNV. Vooral FNV bouw, FNV Bondgenoten en FNV Kiem keren zich tegen verdere versoberingen van de WW. Uiteindelijk wordt de WW teruggebracht tot 26 weken. Een jaar later, hartje zomervakantie 2006, doet Ton Heerts in FNV Magazine het voorstel om de WW te verzelfstandigen onder beheer van werkgevers en werknemers. Op 5 oktober 2007 laten minister Donner en staatssecretaris De Jager van Sociale zaken en Werkgelegenheid weten dat in 2008 de premie van de WW voor werknemers met 0,35 procent wordt verlaagd en in 2009 helemaal afgebouwd. Er blijven dan alleen nog premies voor de werkgever over, die overigens door vereenvoudiging van het systeem lager zijn geworden. Hoe hierna verder met de WW wordt niet duidelijk.
Vanaf het begin van de vorige eeuw, toen de overheid zich ging bemoeien met de sociale verzekeringen, zien we dat dit sterk beďnvloed wordt door het economische tij, de werkloosheid en het denken over collectieve voorzieningen. Na een periode van indamming en beperking van de WW in de afgelopen decennia is het gebruik van dit deel van de sociale wetgeving sterk verminderd. Dit heeft tot gevolg dat de kas in de afgelopen jaren goed gevuld is! Immers, de premie wordt geheven maar het gebruik loopt terug. Je zou zeggen, prima, dan kan de minister zijn beleid bijstellen en dat is goed voor ons!
De grote uitverkoop/privatisering op het gebied van energie, vervoer, ziekteverzekering en dergelijke heeft inmiddels plaatsgevonden. Het sociale gebouw is nog niet helemaal uitverkocht, maar verdere privatisering ligt op de loer! Moet iedere werknemer zich straks privé voor 20 procent meer premie op de markt gaan verzekeren voor de gevolgen van eventuele werkloosheid? Of gaan we toch meer kijken naar de Scandinavische landen in plaats van naar het Angelsaksische concept. Of moet de vakbeweging haar leden weer zelf gaan verzekeren en met de werkgevers afspraken maken in de cao, zoals Ton Heerts een jaar geleden suggereerde. Gaan we opnieuw het buskruit uitvinden om een sociaal stelsel in stand te houden? De geschiedenis zal het leren. Zullen we het van minister Donner horen?
J. Rootlieb december 2007