Het geheugen van de vakbeweging

De geschiedenis van Concordia

De aan de katholieke vakbeweging gelieerde verzekeringsmaatschappij

De oorsprong van REAAL Verzekeringen ligt bij het vakbondswezen. SNS REAAL Fonds geeft daarom nog steeds financiële ondersteuning aan projecten en kleinschalige activiteiten die verband houden met de sociaal-democratie en de arbeidersbeweging.

Affiche van ConcordiaAffiche van Concordia

Tot die wortels behoort Concordia, de verzekeringsmaatschappij van de katholieke arbeidersbewerging. Dit jaar 100 jaar geleden opgericht. De statuten bepaalden dat 70 procent van de winst zou worden uitgekeerd aan de verzekerden, 20 procent aan de vorming van een Voorzorgkas en 10 procent aan de vorming van een reservefonds. Doel van de Voorzorgkas was het voorkomen van voortijdige beëindiging van verzekeringen door ziekte, werkloosheid, rechtmatige werkstaking of uitsluiting.
Wie de website van SNS Reaal raadpleegt, ziet het vertrouwde beeld van een moderne financiële dienstverlener met kopjes als investor relations, pers en corporate governance. Wie iets meer te weten wil komen over de wortels van dit concern moet even verder zoeken, namelijk onder het kopje ‘duurzaam ondernemen’. Met gepaste trots wordt daar vermeld dat het SNS Reaal Fonds in 2005 ruim 1,5 miljoen euro beschikbaar stelde voor uiteenlopende culturele, educatieve en sociaal-maatschappelijke activiteiten. En helemaal onderaan de pagina vinden wij – zij het uiterst summier – wat we zoeken.

De arbeidersbeweging

De oorsprong van REAAL Verzekeringen ligt bij het vakbondswezen. SNS REAAL Fonds geeft daarom nog steeds financiële ondersteuning aan projecten en kleinschalige activiteiten die verband houden met de sociaal-democratie en de arbeidersbeweging. Tot die wortels behoort Concordia, dit jaar 100 jaar geleden opgericht.

Oprichting

In 1907 richtten de kleermaker J.H. Grundmeijer, chocolatier J. Bahmerth, wever H. Brouwer, klompenmaker G.J. van Lent en schilder M.H.J. van Lent de Coöperatieve Levensverzekeringsmaatschappij Concordia op. Aanvankelijk was het een instelling van de Utrechtse Diocesane Werkliedenbond, gevestigd in Zeist.
De statuten bepaalden dat 70 procent van de winst zou worden uitgekeerd aan de verzekerden, 20 procent aan de vorming van een Voorzorgkas en 10 procent aan de vorming van een reservefonds. Doel van de Voorzorgkas was het voorkomen van voortijdige beëindiging van verzekeringen door ziekte, werkloosheid, rechtmatige werkstaking of uitsluiting.
Concordia verhuisde in 1919 naar Utrecht en was sindsdien een instelling van achtereenvolgens de Federatie van de Diocesane RK Volks- en Werkliedenbonden (tot 1925), het Roomsch-Katholieke Werkliedenverbond (RKWV, 1925-1945), de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB, 1945-1963) en het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV, 1964-1982).

50-jarig bestaan

Bij het 50-jarig bestaan in 1957 kon Concordia terugzien op een geslaagde eerste eeuwhelft. Begonnen als een ‘volkse’ verzekeringsmaatschappij met het verzekeren van relatief kleine bedragen, steeg in de jaren na 1945 vooral de afdeling kapitaal- en renteverzekeringen. Het totaal verzekerde bedrag bedroeg 400 miljoen gulden verspreid over ruim 750 duizend verzekeringen. Naast individuele verzekeringen, sloot Concordia ook al betrekkelijk snel collectieve pensioencontracten, vooral met de rk coöperatieve beweging. Vanaf 1918 tot 1957 bedroeg het uitgekeerde bedrag van de Voorzorgkas, de reddingsboei voor duizenden polishouders, bijna 1,5 miljoen gulden.
Het totaal aan de verzekerden uit te keren winstkapitaal bedroeg 3,6 miljoen gulden. Een aanzienlijk gedeelte van de premiereserve was belegd in hypothecaire leningen aan particulieren, vaste eigendommen en leningen op schuldbekentenis aan gemeenten, voornamelijk ten behoeve van de woningbouw. Het ging daarbij in 1957 om een bedrag van circa 61 miljoen gulden. Het belang voor de rk vakbeweging bleek onder meer uit de financiële steun die Concordia verleende aan tal van KAB-instituten en -instellingen zoals Sanatorium Berg en Bosch, het A.C. de Bruyn-instituut, Drukkerij Lumax, rusthuis Sonnehaert en De Volkskrant.

Taakverbreding

Evenals de andere aan de vakbeweging gelieerde verzekeraars De Centrale (NVV) en UBO (CNV) zag ook Concordia na 1945 de noodzaak in van een verdere taakverbreding. Nadat in 1949 een aparte Stichting Uitvaartfonds voor begrafenisverzekeringen was opgericht, ging Concordia tien jaar later in schadeverzekeringen: Maatschappij voor Assurantie en Administratie (MAVAS).
Bovendien verstrekte Concordia aan gemeenten en plaatselijke KAB-afdelingen aan het begin van de jaren zestig hypothecaire leningen voor de financiering van woningbouwprojecten en bleef de verzekeraar fungeren als adviseur voor regelingen in de sfeer van de sociale zekerheid en pensioenen.
Hoewel Concordia in de jaren zestig en zeventig een gestage groei doormaakte, werden de mogelijkheden om zich in haar aanbod als een ‘werknemersmaatschappij’ te onderscheiden geringer. In deze jaren begon, mede door de ontzuiling, een verwijdering tussen Concordia en de KAB te ontstaan. Het automatisme om van vader op kind verzekeringen af te sluiten bij Concordia verdween en de maatschappij moest dus op zoek naar nieuwe doelgroepen.
Bij Concordia kon evenals bij andere KAB-instellingen in deze periode een verschuiving worden waargenomen naar de vervulling van de specifieke eigen taak – vaak onder druk van de concurrentie – en het langzaam loslaten van een aan de arbeidersbeweging ontleende identiteit.
Hoewel Concordia na het totstandkomen van het NKV in 1964 haar traditionele rol als verzekeraar, financier en adviseur bleef vervullen, begon die relatie op het topniveau van de beide organisaties toch steeds meer te berusten op persoonlijke vriendschap en loyaliteit ‘van leiding tot leiding’ en steeds minder op een gelijkheid van doelstelling of een wederzijds op elkaar aangewezen zijn van de organisaties. Voor die ontwikkeling was zeker ook van belang dat op het plaatselijke niveau de banden tussen het NKV en Concordia steeds losser werden.
Wat de verzekerden betreft, steunde Concordia steeds minder op katholieke werknemers, naarmate zij er beter in slaagde zich op eigen kracht een aandeel in de verzekeringsmarkt buiten de beweging te verwerven.
Institutioneel onderging de relatie tussen Concordia en het NKV in 1974 een ingrijpende wijziging, toen aan de medewerkers van het bedrijf – formeel de Stichting Medezeggenschap Medewerkers Concordia (SMMC) – een aandeel van meer dan een derde van de stemmen in de ledenraad van de maatschappij werd toegekend. Feitelijk verwierf Concordia daarmee een grotere onafhankelijk ten opzichte van het NKV.
De toevoeging van winst aan de Voorzorgkas daalde geleidelijk naar 3,5 procent van het totale saldo in 1976. Omdat deze instelling in een tijd van een uitgebreide sociale zekerheid niet meer de betekenis van weleer had, werd deze in 1988 opgeheven. De toevoeging van winst aan het winstaandeel van verzekerden nam toe van 50 procent van de totale winst in 1963 naar 85 procent in 1976.
Lange tijd had Concordia zich met winstdeling aan de verzekerden kunnen onderscheiden van andere verzekeraars. Naarmate vanaf de jaren zestig steeds meer verzekeraars polissen met winstdeling gingen voeren, verkleinde geleidelijk de marge waarbinnen Concordia zich op dat punt van de concurrentie kon onderscheiden.
In 1977 vond de omzetting plaats van Concordia in een NV, omdat de wetgever het uitoefenen van het verzekeringsbedrijf met als juridische vorm de coöperatie niet langer toestond. Als gevolg van deze omvorming kwamen er drie werkmaatschappijen: Concordia Levensverzekering NV, Concordia Schadeverzekering en Convas Financieringsmaatschappij BV. De aandelen van deze werkmaatschappijen kwamen in handen van de beheersmaatschappij Concordia Beheer BV. De aandelen van deze beheersmaatschappij waren in handen van de Stichting Concordiagroep. Het bestuur van deze stichting was vrijwel identiek aan de vroegere algemene ledenvergadering van de coöperatie. Zowel de invloed van de vakbeweging als van de medewerkers via de SMMC bleef behouden.

Op eigen kracht of samenwerking?

Gelet op hun ideële achtergrond, hun verbondenheid met de vakbeweging en hun in toenemende mate bedreigde zelfstandige positie op de Nederlandse verzekeringsmarkt, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat Concordia en de andere aan de vakbeweging gelieerde verzekeraars, De Centrale en UBO, pogingen in het werk stelden om hun krachten te bundelen.
Na 1945 lag aanvankelijk de nadruk op samenwerking met behoud van de eigen zelfstandigheid, vooral op het terrein van de pensioenverzekeringen. De noodzaak tot een verdergaande vorm van samenwerking was bij De Centrale, steeds de grootste van de drie met ook de grootste achterban in de vakbeweging, en Concordia in de jaren vijftig en zestig niet aanwezig.
In 1969 kwam de Contactcommissie Financiële Instellingen (Cofina) tot stand, bestaande uit de penningmeesters van NVV, NKV en CNV en de directies van de financiële instellingen. Doel van deze commissie was het onderzoeken van mogelijkheden tot samenwerking en het eventueel stichten van nieuwe instellingen om de dienstverlening aan de leden van de vakbeweging te vergroten.
Op 9 mei 1969 besprak deze commissie de wenselijkheid tot het oprichten van een holding waarin de maatschappijen als werkmaatschappijen zouden opgaan. Deze bundeling werd noodzakelijk geacht, gelet op de concentratietendens in het verzekeringsbedrijf. Bovendien bood samenwerking perspectieven wat betreft kostenbesparingen (één concern, één management, één computer, integratie van de administratie en de buitendienstapparaten). Tevens werd verwacht dat de holding een grotere rol zou kunnen spelen bij het afsluiten van collectieve pensioenverzekeringen.
Concordia was echter nog zo gehecht aan haar zelfstandigheid en eigen bedrijfscultuur, dat een fusie in het kader van de samenwerking van de vakcentrales onbespreekbaar was. Concordia wilde niet verder gaan dan een gedeeltelijke samenwerking. Naar het oordeel van de directie zou een volledige samenwerking niet door de achterban (de NKV-leden c.q verzekerden) begrepen worden.

Fusie

De fusie van NVV en NKV tot FNV in 1982 was aanleiding om ook de fusie van de aan deze vakcentrales gelieerde financiële instellingen opnieuw onder ogen te zien. Voor het zover was, verstreken enige jaren. De jaren tachtig stonden met name bij De Centrale in het teken van het intern orde op zaken stellen en het afwegen van de diverse alternatieven. Eind jaren tachtig hakten zowel De Centrale als Concordia de knoop door.
De fusie van beide verzekeraars in de Reaal Groep vond in 1990 plaats. Opmerkelijk is overigens dat Concordia met formele financiële banden met de FNV, niet meer de naam had aan de vakbeweging te zijn gelieerd, terwijl De Centrale deze formele banden met de FNV niet kende, maar juist wel doorging als een verzekeraar van de vakbeweging.
Door de fusie werd De Centrale omgevormd van verzekeraar voor de sociaal-democratische vakbeweging tot een formeel aan de FNV gelieerde verzekeraar voor een breed publiek. Aan de relatie tussen het FNV en de Reaal Groep kwam in 1997 een einde toen de Reaal Groep samenging met de SNS Groep en het FNV afstand deed van haar aandelen. Daarmee kwam ook een einde aan 90 jaar katholiek verzekeren.
Jacques van Gerwen
Dit artikel is verschenen in de Nieuwbrief VHV van juni 2007