Het geheugen van de vakbeweging

Leo Mesman: "ik de contacten met mensen, die ik door het werk in Oost-Europa heb ontmoet, onder hen waren echte helden"
Leo Mesman: “ik mis de contacten met mensen, die ik door het werk in Oost-Europa heb ontmoet, onder hen waren echte helden”

Oud-FNV-beleidsmedewerker Leo Mesman blikt terug op resultaat vakbondsprojecten

“Continuïteit Oost-Europese vakbeweging staat onder druk van politieke instabiliteit”

“Hoe kun je een normale vakbond opbouwen in een abnormale omgeving? De politieke problematiek in  een aantal Oost-Europese landen (Bosnië, Moldavië, Wit-Rusland) belemmert nog steeds de economische groei en daarmee ook de ontwikkeling van de vakbeweging. We hebben de afgelopen decennia geïnvesteerd in vakbondsopbouw en -vernieuwing, de positie tegenover de overheid als belangenbehartiger is versterkt. Maar de vakbondsrechten behoeven nog steeds volop aandacht.”

Leo Mesman, voormalig internationaal medewerker van de FNV, blikt terug op 25 jaar contacten met en in Oost-Europa. Zijn werk heeft hem de gelegenheid geboden de historische ontwikkelingen in het Europese werelddeel van nabij te volgen, de opkomst van Solidarnosc (1980),  de val van de Berlijnse Muur (1989), het uiteenvallen van de Sovjet-Unie (1991) en bovenal de doorwerking ervan op de Europese en internationale samenwerking in de vakbeweging. Het begin van zijn loopbaan binnen de vakbeweging viel in een minstens even historisch turbulente periode: de secularisering van de verzuilde samenleving waarin tal van organisaties het geloof in hun confessionele grondslag  verloren, zoals het NKV dat zich met het NVV ontwikkelt naar de FNV.

Aanvankelijk zag het er niet naar uit dat Mesman (1949), zoon van een Nuenense melkboer, in de vakbeweging terecht zou komen. Na de lagere school gaat hij naar het klein-seminarie in Sint-Michielsgestel. Aansluitend gaat hij zich voorbereiden op het priesterschap via een studie theologie in Nijmegen. In de katholieke wereld vindt er dan – eind jaren zestig, begin jaren zeventig – alom discussie plaats over de rol van de kerk in de samenleving. Samen met enkele studiegenoten wijdt hij een scriptie aan ‘christendom en macht’, toegespitst op internationale vraagstukken. “We leerden van onze -hervormde- professor Arend van Leeuwen dat Karl Marx  in de 19de eeuw het werk had gedaan dat theologen eigenlijk hadden moeten doen. Godsdienst is zowel een uiting van ellende, als een protest, aanklacht, tegen ellende. De kerk praat daar wel in abstracto over, maar niet erg concreet. Deze ‘politieke theologie’ is een voorloper van de ‘bevrijdingstheologie’, die niet veel later met name in Latijns-Amerika opgang zou maken.”

Eerste freelancer

In het kader van zijn studie ‘theologie van het maatschappelijk handelen’ krijgt hij in 1972 de kans stage  te lopen bij het NKV. Het onderwerp ervan is ‘de discussie over de katholieke grondslag’. “Het NKV was op zoek naar zijn identiteit. Maar dat gold voor mij ook. Ik was mijn priesterroeping inmiddels namelijk kwijtgeraakt en op zoek naar een nieuw perspectief.” Als hij in 1973 is afgestudeerd wordt hij parttime secretaris van de NKV-commissie Geloof en Vakbeweging. “Ik was de eerste freelancer bij het NKV, misschien wel in de hele vakbeweging. Daarnaast was ik in deeltijd werkzaam bij het Aartsbisdom Utrecht als staffunctionaris voor de Sectie Kerk en Industriële Samenleving, waar ik werkte aan een nieuwe opzet voor het bedrijfspastoraat. Bij het NKV kreeg ik een warm welkom. Werd tot mijn verrassing volledig serieus genomen. Ik raakte zijdelings betrokken bij het rapport ‘Een visie ter visie’.  Fons Arnolds, algemeen beleidsadviseur van het NKV, stuurde allerlei concept-hoofdstukken naar maatschappelijke organisaties. Pax Christi was één van deze organisaties. Die vond dat de passages over vrede en veiligheid wel wat actiever konden. Samen met de toenmalige secretaris van de katholieke vredesbeweging, Carel ter Maat, heb ik de betreffende tekst grondig bewerkt en uitgebreid. Daarmee is de kiem gelegd voor de latere betrokkenheid van de FNV bij de anti-kruisrakettenbeweging en andere vredesvraagstukken als conversie. Al gauw werd ik  ‘draagvlakvertegenwoordiger’  vanuit de vakbeweging in het landelijk bestuur van Pax Christi. Uiteindelijk ben ik zelfs lid van het dagelijks bestuur geworden.”

In 1979 komt Leo Mesman volledig in dienst van de FNV als beleidsmedewerker Levensbeschouwing en Vakbeweging. Een enkeling vraagt hem of hij eigenlijk bij het CNV niet beter op zijn plaats is. Zijn gevatte reactie verraadt toch nog iets van zijn pastorale en missionaire inslag: “Ik werk liever met heidenen!”.  “Al telde de FNV meer gelovigen onder haar leden dan het CNV”, voegt hij er nu aan toe.

De eerste bijeenkomst met de bisschoppen die Leo Mesman organiseerde. Vlnr Wim Kok, Wim Spit, (op achtergrond) mgr Bluyssen en kardinaal Willebrands

Hij mag de nieuwe functie grotendeels naar eigen inzicht invullen. Bezinningsbijeenkomsten beleggen, lesbrieven schrijven, gespreksgroepen organiseren. Tot zijn activiteiten horen ook het onderhouden van contacten van de FNV met kerkgenootschappen en de humanisten en het tweejaarlijks met hen verzorgen van een themaconferentie. Zijn werkzaamheden ontwikkelen zich haast vanzelfsprekend naar een rol op het raakvlak van vakbeweging en vredesbeweging. “In 1981 is de FNV nog geen ‘deelnemende partij’ in de grote demonstratie tegen de plaatsing van kruisraketten in Amsterdam. In  zijn contacten met de organisatie ervan moest Federatiebestuurder  Cees Commandeur zich behoedzaam opstellen, want de nota ‘Vrede en ontwapening’ moest nog door de Federatieraad worden goedgekeurd. Wim Kok sprak de demonstranten toen nog op ‘persoonlijke titel’  toe! Hij benadrukte dat ontwapening in de visie van de FNV een tweezijdig proces moest zijn. Bij de latere demonstratie Kruisraketten Nee! (1983, Den Haag) was de toonzetting ook vanuit de FNV feller. Desondanks werd ik als lid van het KKN wel eens teruggefloten, hoezeer ik ook mijn best deed niet in het vaarwater van de eenzijdige ontwapening te komen. Tot mijn spijt hield de  actieve  betrokkenheid van de FNV bij het vredeswerk op met het congres ‘Kruisraketten vermeden, FNV tevreden?” dat in 1987 gehouden is, samen met een breed scala aan vredesorganisaties.

In de jaren tachtig moet er in de FNV op tal van taken worden bezuinigd. Het leidt  tot een herbezinning op de ‘kerntaken’. Mesman, die zich juist zeer aangetrokken heeft gevoeld tot de ‘brede’ vakbeweging, veroorlooft zich dan het grapje: de FNV wordt een kerncentrale. Voor zijn eigen functie betekent dit dat zijn rol voor Vakbeweging en Levensbeschouwing wordt gehalveerd. Hij  gaat in 1986 deel uit maken van de internationale afdeling, waar hij de taken overneemt van Johan van Rens met betrekking tot Oost-Europa. Al gauw ervaart hij dat de FNV in haar Europese en internationale inspanningen nog steeds ‘breed’ is. “’Fair trade’, de schone-kleren-actie, maatschappelijk verantwoord ondernemen, aandacht voor arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden, noem maar op.”

Kosovo

Bezoek van een Solidarnosc-delegatie aan de FNV. Rechts voor Leo Mesman

Als Mesman  zijn aandacht richt op Oost-Europa  dan ligt dat nog achter het IJzeren Gordijn. Er zijn sinds begin jaren zeventig  in enkele landen  regelmatig bilaterale, informatieve bestuurscontacten met communistische werknemersorganisaties, naast bredere informele contacten tijdens de jaarlijkse Internationale Arbeidsconferenties in Genève. Met de Hongaarse en de Joegoslavische vakbeweging zijn er goede contacten vanuit de FNV. Ook met Solidarnosc is er sinds 1980 een stevige relatie. Eén van zijn eerste activiteiten is overigens het afbouwen van het contact met de Roemeense vakcentrale. “Die relatie stelde niets voor.  De organisatie was ‘his master’s voice’ van president Ceaușescu. Samen met Jan van Greunsven heb ik er een bezoek gebracht. Was een beetje eng. Latere FNV-missies eind jaren tachtig gingen naar Bulgarije, met Wil Winter en Henk van Eekert, en naar Joego-Slavië, met Ruud Vreeman en Henk Schmitz. Toen wilde ik al naar Kosovo. Had van Amnesty International daarover verhalen gelezen. Onze gastheren waren bereid dat te regelen, maar organiseerden een cultureel programma. Dat was niet onze bedoeling, we wilden in Pristina spreken met de vakbeweging. Dat vonden ze niet leuk. Toch is het gelukt en leerden we van de behandeling van Albanezen daar.”

Op bezoek in Bulgarije. Links Henk van Eekert, algemeen secretaris FNV, en rechts Wil Winter (Voedingsbond FNV)

“Eigenlijk kwamen de omwentelingen vanaf 1989 in Oost-Europa ‘ongelegen’ binnen de Europese Unie (EU) waar in die tijd zware discussies werden gevoerd over versterking van de interne markt. Uitbreiding van de EU was een politieke noodzaak, maar de betrokken landen in Centraal-Europa waren er ook niet klaar voor. De algemene stemming in FNV-kring heb ik als positief ervaren. Er was een grote bereidheid in te gaan op verzoeken om contact en steun van Oost-Europese vakorganisaties. Maar tegelijkertijd heerste aanvankelijk ook enige terughoudendheid. Eventuele steun mocht niet ten koste gaan van die aan vakbonden in de Derde Wereld.”

“In de eerste fase heeft de ondersteuning de vorm van kennisoverdracht. Seminars over de inrichting van de vakbeweging, in samenwerking met het IVVV. De FNV stelde daarvoor een ton beschikbaar uit het Weerstandsfonds. Twee jaar later werd er een halve ton aan toegevoegd. Er kon ook geput worden uit het eigen fonds van Wij & Zij, nu FNV Mondiaal. Ook enkele bonden hebben geld vrijgemaakt. En soms in de cao daarover afspraken gemaakt. Later (1994) stelde Jan Pronk, in die tijd weer terug als minister van Ontwikkelingssamenwerking, het Vakbondsmedefinancieringsprogramma ook open voor steun aan vakbonden in ontwikkelingslanden in Oost-Europa,. Voor andere landen kwam er bij Buitenlandse Zaken een fonds voor Maatschappelijke Transformatie (Matra) om de democratische ontwikkeling te bevorderen.”

“Wij hechtten belang aan een  coördinerende rol van  het Internationaal Verbond van Vrije Vakbewegingen (IVVV) bij de hulp aan de Oost-Europese vakbeweging. Dat kon zijn steun aan de democratische omvorming van de oude communistische vakbonden, maar ook aan de opbouw van nieuwe organisaties, dus aan bevordering van een pluriforme vakbeweging.  Als FNV zetten we bij voorkeur middelen in voor vakbondssteun in ‘moeilijke landen’, zoals Bosnië-Herzegovina , Kosovo en Wit-Rusland.”

“Binnen dit kader heb ik in zekere zin een persoonlijk stempel kunnen drukken. Ik deed actief mee aan tal van missies van EVV en IVVV naar landen in de hele regio. Om te zien  hoe het met de vakbeweging ging en om informatie te vergaren  voor projecten die we zouden kunnen ondersteunen. Die voorstellen legde ik dan weer in huis aan de beleidsorganen voor. Heb daarbij geen serieuze weerstanden ondervonden. We deden wat we konden. Zoals bijvoorbeeld het in samenwerking met de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) ter beschikking stellen van kogelvrije vesten aan journalisten in Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina.”

Werkgevers

“Tot mijn teleurstelling is het niet gelukt samen met Nederlandse werkgevers een duurzame bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van democratische arbeidsverhoudingen in Oost-Europa. Samen hadden we daarvoor begin jaren negentig de Willem Reynaerts Stichting, vernoemd naar de voormalige economische adviseur van het NKV, opgericht. Er bleken geen fondsen voor het initiatief  te vinden. We waren kennelijk te vroeg met het initiatief. Bovendien: werkgevers wilden wel handel drijven met Oost-Europa, maar dat er ook werkgeversorganisaties zouden moeten komen voor een sociale dialoog interesseerde hen niet echt.  Een tekenend en schokkend voorbeeld  in die tijd  was, dat op een ILO-conferentie in Warschau zelfs het geluid klonk dat er daar maar beter niet  aan een stelsel van sociale zekerheid zou moeten worden begonnen. ‘Daar heb je zoveel last van…’ Later, in de discussies over de toetreding van Oost-Europese landen tot de EU kantelde zeker bij de Nederlandse werkgevers hun opvatting, maar toen was de Willem Reynaerts Stichting reeds ter ziele”.

Balans

“De continuïteit van de resultaten van onze inspanningen staat in politiek instabiele landen onder druk.  In Moldavië bijvoorbeeld is de hervormingsgezinde vakcentrale, waarin we veel hebben geïnvesteerd, zelfs volledig verdwenen. De Moskougezinde regering stimuleerde de oprichting van een alternatieve (gehoorzame) vakcentrale… Na de opheffing van de Sovjet-Unie verloor dat land in één klap zijn afzetmarkt voor wijn. Daaroverheen kwamen adviezen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) met als strekking: privatiseer de landbouw! Het gevolg daarvan was sloop van de collectieve boerderijen, vernietiging van de economische infrastructuur, leidend tot een economische chaos, groter dan in menig Afrikaans land, en tot massa-emigratie. Daartegen waren de fragiele democratische krachten in de vakbeweging niet bestand”.

“We zijn destijds met veel inzet ingegaan op de uitdagingen. Veel Oost-Europese bonden hebben mede dankzij onze steun  ondanks alles overleefd en spelen nu hun rol binnen het IVV, het EVV en de vakbondsinternationales. Bovendien zijn de relaties binnen de verschillende landen tussen ‘oude bonden’, de voormalige communistische vakorganisaties, en de ‘nieuwe bonden’ verbeterd. Ik geloof niet dat je met organisaties een persoonlijke relatie kunt opbouwen. Wel mis ik de contacten met de mensen, die ik door het werk heb ontmoet. Onder hen waren echte helden die hun vakbondswerk onder extreem moeilijke omstandigheden moesten verrichten. Soms moesten ze  op hun hoede  zijn  voor de overheid. Collega André Dumont (AOb) maakte in Kosovo  afspraken  in het zwembad, want dat was de enige plaats was, waar je niet werd afgeluisterd. Mede voor hen ben ik nog steeds betrokken bij de jaarlijkse herdenking van vier verdwenen dissidenten in Wit-Rusland in Eindhoven. Daar zijn aan de Paradijslaan vier bomen geplant en een monument geplaatst. Ze vragen aandacht voor de schending van mensenrechten, inclusief vakbondsrechten, in Wit-Rusland. Maar voor mij verwijzen ze ook  naar de strijd  voor deze rechten in diverse andere landen van Oost-Europa.”

Kees van Kortenhof
Jeroen Sprenger

Oktober 2017