Het geheugen van de vakbeweging

Co van den Born (1919-2014)

Voorvechtster gelijke beloning voor vrouwen

Op 14 februari 2014 overleed oud-vakbondsbestuurder Co van den Born op 94-jarige leeftijd. In de jaren vijftig en zestig was zij een baanbreekster voor vrouwen in de vakbeweging, in het bijzonder bij de dienstenbonden en het NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen).

Co van den Born, voorzitter van vergadering over gelijke beloningCo van den Born, voorzitter van vergadering over gelijke beloning

Werken op kantoor

Jacoba Hendrika van den Born werd op 11 oktober 1919 in Utrecht geboren. Haar vader was Henk van den Born, bestuurder en later voorzitter van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB). Na haar schoolopleiding  – eerst de driejarige, maar tenslotte gelukkig toch de vijfjarige HBS (Hogere Burgerschool) – kwam Co bij de Arbeiderspers in Amsterdam op kantoor te werken. Toen zij zich als bondslid had opgegeven en haar eerste salaris had ontvangen, voelde zij zich ‘echt volwassen’. In 1939 kreeg zij een baan als typiste bij haar vakbond, de Algemene Nederlandse Bond van Handels- en Kantoorbedienden. Op de dag van de Februaristaking in 1941 kwamen er veel telefoontjes binnen met de vraag ‘Staken wij ook?’. Hierop besloten Van den Born en andere personeelsleden van de bond eveneens te gaan staken. Het bestuur liet hen er vrij in maar ging zelf niet naar huis. Met de omzetting van het NVV in het NAF (Nederlands Arbeidsfront) in 1942 nam Van den Born ontslag. Zij vond een baan op een notariskantoor, waar zij tot verbazing van de leiding de enige was die goed kon typen en ook nog iets van arbeidscontracten bleek te weten. Zij betitelde de verhoudingen op dit kantoor als feodaal. Terwijl haar vader door de Duitsers gegijzeld was, kreeg zij geen vrij om de begrafenis van haar grootmoeder bij te wonen. Dit weerhield haar er niet van de plechtigheid bij te wonen. In november 1944 vertrok zij met ruzie bij het kantoor, zoals zij al na haar eerste werkdag had voorspeld. Er volgde een moeilijke periode, waarin zij druk bezig was brandstof en voedsel te bemachtigen. Bovendien had zij de zorg voor haar zieke moeder op zich genomen. Wel bleef zij contact houden met mensen van de bond.

Actief in Mercurius

Pas in juni 1946, toen haar moeder wat beter was, zocht Van den Born weer een betaalde baan en vond die bij de Vrouwenbond van de Partij van de Arbeid. Als assistente van het dagelijks bestuur deed zij van alles en hielp meteen mee het komende congres voor te bereiden, iets wat zij nog niet eerder had gedaan. Zij werd ook weer actief in haar vakbond. Zij bezocht vergaderingen, was lid van de bedrijfsgroep administratieve kantoren en afgevaardigde naar congressen. Eigenlijk praatte zij zichzelf het afdelingsbestuur in, als eerste vrouw na vele jaren. De meeste mannen vonden het toen vanzelfsprekend dat bestuurders mannen waren, terwijl Van den Born opkwam voor de vele vrouwen op kantoor die slechter betaald en behandeld werden dan mannelijke kantoorbedienden maar waaraan weinig aandacht werd besteed. Toen Van den Born zich in een vergadering als bestuurder aanbood, reageerde de ruimhartige Frits Heijjer met: ‘er staat nergens geschreven dat er niet nog iemand in het afdelingsbestuur kan, dus kom er maar in’.

 Aandacht voor vrouwenarbeid

Van den Born wees niet alleen veelvuldig op de positie van vrouwelijke bedienden maar deed ook al het weinig inspirerende werk om vrouwen te kunnen benaderen, zoals het plaatsen van ‘ruitertjes’ op de adresseringskaarten van vrouwelijke leden (zodat deze afzonderlijk aangeschreven konden worden), het versturen van circulaires en het afreizen van stad en platteland om vrouwen bij het bondswerk te betrekken. Het reizen en in hotels verblijven was in die dagen voor een vrouw alleen bepaald geen pretje. Van den Born realiseerde zich dat gewoon meedoen door een paar vrouwen tussen veel mannen weinig kans van slagen had. Daarom wilde zij hen eerst in vrouwengroepen bijeenbrengen om hen te trainen hun mond open te doen en van goede informatie en argumenten te voorzien. Hadden zij dat alles onder de knie, dan konden zij in het bondswerk beter meedoen. Inspiratie voor deze werkwijze had zij opgedaan in haar PvdA-tijd, toen zij vrouwen als Carrie Pothuis-Smit en Liesbeth Ribbius Peletier had ontmoet, die haar vertelden over leesclubs van vrouwen die teksten bespraken om bepaalde problemen beter te begrijpen.

Scholingsconferenties voor vrouwelijke kaderleden

Van den Born’s voorstel om een dergelijke weekendconferentie voor actieve vrouwelijke leden van Mercurius te beleggen om zich met hen in gespreksvorm over verschillende vraagstukken te beraden, vond instemming bij de bond. Zij en Hans Emmering, die gezien de aanhoudende daling van vrouwelijke leden geďnteresseerd was in de vraag hoe er meer vrouwen bij het bondswerk betrokken konden worden, bereidden het weekend voor. Op 18 en 19 april 1953 kwamen veertig vrouwen van zestien tot vijftig jaar in het vakantieoord van de bond op de Scheleberg in Lunteren bijeen. Het weekend werd als een succes ervaren en er volgden tot begin jaren zeventig meer weekenden voor vrouwelijke kaderleden. Ook schreven vrouwen zoals de stilistisch begaafde Suze van der Steeg in het bondsblad en werd Van den Born na twee jaar aan de propagandacommissie van de bond toegevoegd, iets wat eerst als overbodig was gezien. Van den Born legde contacten in diverse afdelingen van haar bond om haar ‘achterban’ uit te breiden, maar omdat het aantal plaatselijke vrouwen dat belangstelling had in de regel te gering was om per bond een scholingsgroep te vormen, deed zij dat in NVV-verband samen met vrouwen als Anke Weidema (ANMB), Tiets van der Meulen (ABC, fabrieksarbeiders) en Jo Zwijnenberg (De Eendracht, kleding- en textielindustrie), die in hun bonden intussen eveneens bezig waren vrouwen te activeren. Hun gezamenlijke actie resulteerde in een Commissie Vrouwenwerk van het NVV, die haar werk in 1955 begon. Om zich breder te oriënteren maakten de commissieleden verschillende reizen. Van den Born en Van der Meulen gingen naar Engeland en Van den Born raakte vertrouwd met de Duitse vakbeweging, waar het vakverbond DGB een aparte vrouwenafdeling kende die zich bezighield met vraagstukken rond vrouwenarbeid en propaganda onder werkneemsters. Binnen de Nederlandse vakorganisaties bestond voor een dergelijke opzet echter weinig belangstelling en in een aantal bonden zelfs directe weerstand. Toch lukte het de vrouwen en enkele betrokken mannen om voldoende steun te vinden voor de oprichting in 1959 van het NVV-Vrouwensecretariaat, waarvan Nel Tegelaar de eerste beleidsmedewerker werd.

Eerste vrouwelijke bondsbestuurder

Intussen had Emmering Van den Born gevraagd om bij de landelijke bond te komen werken. Maar de eerste twee aanbiedingen weigerde zij omdat dat taken waren waarin zij geen zin had. Zijn derde aanbod in februari 1954 was ook als personeelslid, maar met uitzicht op een bestuurderschap. Dit aanvaardde zij en het bestuurderschap kwam er, toen de Raad van Bestuur van de Algemene Bond Mercurius (zoals haar bond toen heette) op 15 september 1956 met algemene stemmen besloot haar tot adjunct-bestuurder te benoemen, waarmee zij als eerste vrouw bezoldigd bestuurder van deze bond werd. Bovendien werd zij in 1959 secretaris van de afdeling Amsterdam, maar wel op voorwaarde dat zij het landelijke vrouwenwerk kon blijven doen. Door toedoen van Van den Born verscheen in november 1957 het eerste nummer van het Bulletin voor vrouwelijke leden van de Algemene Bond Mercurius. Van den Born redigeerde dit gestencilde blad dat aan 250 vrouwelijke kaderleden werd toegestuurd, maar vanaf 1961 ging het, gedrukt in offset, naar alle vrouwelijke leden. Het was luchtig vorm gegeven en zou tot 1970 verschijnen. In het bondsblad kwam bovendien een vrouwenpagina.

De Adviescommissie Vrouwenarbeid van Mercurius

De Commissie Vrouwenarbeid van het NVV had de mogelijkheid geopperd van schaduwcommissies in de bonden, wat aanvankelijk slechts in een viertal bonden lukte. Bij Mercurius kon Van den Born wel een commissie met enkele vrouwen instellen, maar omdat er dan geen bestuurders bij betrokken zouden zijn en een dergelijke adviescommissie weinig status zou hebben, weigerde zij dat. Met veel volhouden bracht zij eind 1961 toch een Adviescommissie Vrouwenarbeid tot stand, met inbegrip van de verlangde mannelijke bestuurders. Onder hen was bondssecretaris Leo Sterringa, die nu ook het vrouwenwerk in zijn portefeuille kreeg. Sterringa werd voorzitter, Van den Born secretaris. Verder waren er drie mannelijke districtsbestuurders en vier vrouwen lid, onder wie Mieke Veenstra die later het vrouwenwerkstokje van Van den Born zou overnemen. Van den Born’s twee lijnen van werken waren (1) het verzorgen van scholing van vrouwen met behulp van gespreksgroepen en (2) het binnen de commissie en de bond blijven praten over het vrouwenwerk en de argumenten daarvoor. Het zou bijvoorbeeld tien jaar duren voordat met heel veel inzet in de bank-CAO de vrouwenlonen formeel gelijk werden getrokken. Dit werd in 1965 bereikt, maar werd overschaduwd door de praktijk om vrouwen vooral in de laagste schalen aan te stellen.

Betekenis van het internationale werk

Wat de bij het vrouwenwerk betrokken vrouwen op hun buitenlandse reizen geleerd hadden, was de betekenis van Conventie nummer 100 van de Internationale Arbeids Organisatie (IAO) in Genčve, die de belangrijke norm van ‘gelijk loon voor werk van gelijke waarde’ verwoordde. Deze is ruimer dan artikel 119 van het Verdrag van Rome bij de totstandkoming van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) uit 1957, dat slechts spreekt over ‘gelijk loon voor gelijke arbeid’. Het EEG-verdrag verplichtte Nederland echter om de loonverschillen tussen mannen en vrouwen snel te verminderen. De Nederlandse regering maakte hiermee weinig haast, maar in Mercurius leefde het onderwerp zeer doordat de vrouwen die de internationale verdragen op hun scholingsbijeenkomsten hadden besproken, goed geďnformeerd waren.

De demonstratieve vergadering (1961)

Op 18 november 1961 belegde Mercurius een demonstratieve vergadering ten gunste van gelijke beloning in Bellevue in Amsterdam, die Van den Born voorzat en waar NVV-secretaris W.F. van Tilburg het woord voerde. De door 140 vrouwen bezochte vergadering trok aandacht in de pers, had enige invloed op de besprekingen in de Sociaal-Economische Raad en ondersteunde binnen de bond het streven van Van den Born naar instelling van de genoemde Vrouwencommissie.
Acties door vrouwen werden in de loop van de jaren zestig een vaker voorkomend verschijnsel, zoals de demonstratieve vergadering van vrouwelijke leden van alle NVV-bonden in 1963 in Utrecht, waar 370 vrouwen uit dertien bonden betoogden voor een volwaardige arbeidsplaats in het arbeidsproces: ‘de vrouw verdient béter!’. Of de landelijke bijeenkomst van het NVV-Vrouwensecretariaat in 1970 in Dronten, waarbij vrouwen alle hun bekende vormen van discriminatie aan de schandpaal nagelden. Behalve binnen de Nederlandse bonden betoonden de vrouwelijke kaderleden zich actief in de internationale vakbeweging door het bijwonen van internationale congressen. Steeds opnieuw bleek de uitwisseling van ervaringen met vrouwen in andere landen nuttig. Het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen nam op zijn congres in 1965 in Amsterdam als handvest De rechten van de werkende vrouw aan.

Erkenning gelijke beloning

Een nationale overwinning was dat vrouwen in 1969 in de wet op het minimumloon aan mannen gelijk gesteld werden (hiervoor waren zij ervan uitgezonderd). In 1970 vond ook de formele erkenning van gelijke beloning plaats toen het parlement het Europees Sociaal Handvest goedkeurde, al had minister Bauke Roolvink nog voorgesteld het artikel over de gelijke beloning ervan uit te zonderen. En in 1971 ratificeerde Nederland eindelijk IAO-Conventie nummer 100, dat wil zeggen twintig jaar nadat de IAO dit internationale verdrag had aangenomen. Het duurde nog tot 1974 voordat minister Jaap Boersma het wetsontwerp ‘Gelijk loon voor vrouwen’ indiende, waarmee de Kamer in december instemde. De wet trad in april 1975 in werking.

Een andere baan

Vanaf 1 oktober 1972 was Co van den Born geen bezoldigd bestuurder meer van de bond en geen voorzitter meer van de afdeling Amsterdam, waar zij in 1968 Mau Pop was opgevolgd. Aan haar vertrek was een periode van heftige interne strubbelingen vooraf gegaan, in het bijzonder in de afdeling Amsterdam. Bovendien had zij een zware operatie ondergaan. Zij vond nieuw werk als secretaris van de Algemene Woningbouw Vereniging Amsterdam, waar zij tot haar pensioen bleef werken.

Baanbreekster

Ik interviewde Co van den Born in het begin van de jaren tachtig enkele malen ter wille van mijn boek De dienstenbonden: klein maar strijdbaar (1986), dat de naoorlogse geschiedenis van de verschillende dienstenbonden beschrijft. Na het uitkomen van het boek (zij zat in de leescommissie) heb ik haar niet meer gesproken, maar enkele weken geleden bleken Mieke Veenstra en Floor van Gelder op zoek naar haar. Zij troffen op de website van de VHV voornamelijk mannen aan en wilden daarin verandering aanbrengen door, om te beginnen, het vakbondsleven van Co van den Born te bespreken. Zij wilden haar daarover benaderen maar hadden geen adres of telefoonnummer. Ik hielp zoeken en probeerde een telefoonnummer in Amsterdam Noord en kreeg haar direct aan de lijn. Haar geheugen bleek prima en zij woonde nog steeds zelfstandig. Mieke en Floor konden na twee weken voor een afspraak bellen, omdat zij eerst nog even naar het ziekenhuis moest. Van een afspraak is het niet meer gekomen, omdat Van den Born in het ziekenhuis is overleden en op 21 februari in besloten kring gecremeerd.
Co van den Born verdient het echter met gepaste bewondering en trots herdacht te worden als baanbreekster voor vrouwen in de vakbeweging, in het bijzonder vanwege haar opmerkelijke werkwijze en volharding om de gelijke beloning en behandeling van vrouwen te bereiken.
Bob Reinalda