Het geheugen van de vakbeweging

CNV honderd jaar

Geen strijd maar overleg

Aan het begin van de vorige eeuw, zo rond 1900, ontstaat bij verschillende christelijke vakbonden in Nederland behoefte aan meer onderlinge samenwerking. De Twentse textielbond Unitas neemt daarop het voortouw met het oprichten van een koepelorganisatie die een dergelijke samenwerking structurele vorm moet geven. Na een periode van intensief overleg worden de statuten van een koepelorganisatie in een geheelonthouderscafé in Arnhem getekend. Het is dan 13 mei 1909 en de Vakcentrale CNV is een feit.

Beeldmerk CNVBeeldmerk CNV

Als eerste voorzitter van de nieuwe vakcentrale wordt medeoprichter Hendrik Diemer gekozen. Het centrale uitgangspunt wordt: ‘Het Christelijk Nationaal Vakverbond aanvaardt als grondslag de Christelijke beginselen en verwerpt mitsdien de klassenstrijd.’ Daarmee geeft het CNV meteen de richting aan die het wil gaan koersen: geen strijd maar overleg.
Het CNV is een interconfessionele organisatie. Dat wil zeggen dat het CNV zowel katholieken als protestanten, als ook andere geloofsbelijders organiseert. Maar in 1912, drie jaar na de oprichting, verbiedt de rooms-katholieke kerk ineens haar kerkgangers lid te worden van het CNV. Pas in het midden van de jaren ’70 wordt het verbod opgeheven en sluiten de eerste katholieke bonden zich weer aan bij het CNV. Er wordt wel gesuggereerd dat als het verbod destijds niet was uitgevaardigd, het CNV nu de grootste vakorganisatie zou zijn geweest.

CNV koopt vakantieoord
Desondanks verwerft het CNV zich na de Eerste Wereldoorlog een maatschappelijke positie. Dit is onder andere het gevolg van de overheidssteun aan de werkloosheidsfondsen van de vakbeweging. Het CNV krijgt bovendien een plaats in de Hoge Raad van Arbeid, die als een begin van de Nederlandse overlegeconomie kan worden beschouwd.
In de jaren ’20 ontwikkelt het CNV zich als zelfvoorzienende organisatie. Dat wordt benadrukt door de aankoop van een eigen drukkerij en een eigen vakantieoord. De verhouding met de ARP komt in deze periode op scherp te staan vanwege het pleidooi dat het CNV houdt over de invulling van medezeggenschap in bedrijven.
In de daarop volgende jaren ’30 ondergaat Nederland de ernstige gevolgen van de crisis. Het CNV verzet zich tegen inkomensverslechtering en pleit voor het algemeen verbindend verklaren van cao’s. De vakorganisatie houdt vast aan de koppeling van de gulden aan de goudprijs, maar kan er niet echt mee zitten als deze uiteindelijk toch wordt losgelaten. Het CNV zet zich in tegen de werkloosheid en vraagt met name aandacht voor de positie van jongeren.

CNV heft zich op
Op 10 mei 1940 valt het Duitse leger Nederland binnen. Uit angst dat het nieuwe regime slechts één (door Duitsland beďnvloede) vakbeweging toestaat, besluit het CNV zichzelf op te heffen. Het dagelijkse werk valt stil, maar lopende ontwikkelingen gaan ondergronds verder. Zo worden afspraken tot vergaande samenwerking gemaakt met de twee andere vakcentrales, het NVV en KAB.
Direct na de oorlog, op 25 juli 1945, richt het CNV zichzelf opnieuw op. Het oorspronkelijk aantal leden wordt weer snel bereikt, zelfs gevolgd door een ledengroei. Het CNV is via de Stichting van de Arbeid nauw betrokken bij het herstelbeleid en accepteert een geleide loonpolitiek. Ook praat de vakorganisatie een woordje mee als het gaat om de invulling van de sociale zekerheid in Nederland. Het CNV benadrukt dat niet de overheid, maar de sociale partners de werknemersverzekeringen moeten uitvoeren.

Eerste buitenlandse werknemers
Halverwege de jaren ’50 is de Nederlandse economie hersteld van de oorlogsschade en stijgt de welvaart. In 1954 wordt voor het eerst een loonsverhoging toegekend die hoger ligt dan de inflatie en een verdere uitbouw van de sociale zekerheid is mogelijk. De samenwerking met de andere vakcentrales wordt geďntensiveerd en het CNV probeert greep te krijgen op de ARP. Dat laatste lukt niet.
In de jaren ‘60 groeien de economische bomen tot in de hemel: de lonen blijven fors stijgen mede als gevolg van een krappe arbeidsmarkt. De vrije zaterdag wordt ingevoerd en de eerste buitenlandse werknemers betreden met de hartelijke instemming van de vakbeweging de Nederlandse arbeidsmarkt.
Ook een gevolg van de krappe arbeidsmarkt is dat het CNV gaat nadenken over de rol van de getrouwde vrouw. In bepaalde beroepsgroepen leidt hun komst tot ingrijpende cultuurveranderingen. De relatie met de ARP verbetert aanzienlijk, vooral omdat de politieke partij veel CNV-voorstellen overneemt in haar eigen verkiezingsprogramma.
Werkloosheid door oliecrisis
Dan volgt de oliecrisis in 1973. De werkloosheid groeit opeens. Het CNV ontwikkelt ideeën over arbeidstijdverkorting, zoals een 36-urige werkweek en een vervroegde uittredingsregeling en verzet zich tegen afbraak van de sociale zekerheid.
De zoektocht naar vormen van samenwerking tussen de drie Nederlandse vakcentrales loopt begin 1974 vast: het CNV wil niet meedoen met een fusie, maar zijn eigen christelijk-sociale karakter behouden. NVV en NKV fuseren uiteindelijk wel tot de FNV.
Begin jaren ‘80 is de economische crisis nog steeds niet voorbij. Het idee van het CNV om loonmatiging in te ruilen voor arbeidsduurverkorting biedt mede de basis voor het beroemde Akkoord van Wassenaar (1982). Toch voorkomt dit akkoord niet dat de arbeidsverhoudingen gespannen blijven.

Grootste demonstratie ooit
Tot afgrijzen van het CNV verliest de vakbeweging onder invloed van de Paarse kabinetten haar bestuurlijke posities op het gebied van de sociale zekerheid in de jaren ‘90. Het CNV besluit de interne taken ingrijpend te herorganiseren. De discussies hierover zijn zeer intensief en op sommige momenten lopen de spanningen hoog op. Dat leidt ertoe dat het CNV in het najaar van 1996 bijna uit elkaar valt als gevolg van interne conflicten.

De nieuwe eeuw begint in eerste instantie met groot optimisme over de toekomst van de economie. Maar dat duurt niet lang. Terroristische aanslagen en de moorden op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004) zorgen voor maatschappelijke onrust en economische tegenslag. Het grote aantal arbeidsongeschikten brengt het CNV er in 2000 toe om een eigen visie op de toekomst van de WAO te presenteren – een voorstel dat brede navolging vindt. De vakbeweging raakt verwikkeld in een massaal conflict met het kabinet over de gevolgen van de vergrijzing en de arbeidsongeschiktheid. Na de grootste vakbondsdemonstratie ooit (Museumplein, 300.000 mensen), wordt eind 2004 alsnog in de beste poldertradities een overeenkomst gesloten.

CNV maakte ontwikkelingen mogelijk
Tijdens zijn 100-jarig bestaan bepleitte het CNV met wisselend resultaat de medezeggenschap van werknemers op de terreinen van arbeid en inkomen. De vakorganisatie droeg bij aan de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving in de 20ste eeuw. In sommige gevallen maakte de opstelling van het CNV bepaalde ontwikkelingen mogelijk, in andere gevallen kwamen als gevolg van CNV-inbreng nieuwe ontwikkelingen op gang. Dat laatste geldt met name voor de toenemende aandacht voor de combinatie van gezin en werk en voor de herinrichting van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

De medezeggenschap van werknemers is ten opzichte van het begin van de 20 e eeuw aanzienlijk toegenomen, maar met name in de jaren ’90 is weer veel van die positie verloren gegaan. Het blijkt dat het CNV in de tijd gezien een flexibele organisatie was en is, die er telkens weer in slaagt zijn organisatie aan te passen aan belangrijke sociaaleconomische ontwikkelingen en aan de preferenties van zijn leden.

En nu naar de toekomst: 7 idealen
Bij een verleden hoort natuurlijk ook een toekomst. 100 Jaar geleden koos het CNV positie en dat doen we nog steeds. In het kader van zijn jubileum koos het CNV zeven idealen om in de toekomst na te streven. Daartoe zijn zeven projectgroepen opgestart die elk met een eigen ideaal aan de gang gaan. In de ‘week van het CNV’ vanaf 15 november 2009 zijn de uitkomsten van de projecten zichtbaar gemaakt.