Het geheugen van de vakbeweging

Aankondiging eerste Landelijke arbeidsvoorwaardenregeling voor het bankbedrijf, Beurscourant, 14 januari 1942

Naar een landelijke regeling in bezettingstijd

De CAO voor het bankbedrijf – voorgeschiedenis

Op 22 mei 1942 werd door het Bureau van den Gevolmachtigde voor den Arbeid van het Departement van Sociale Zaken de Landelijke regeling van salarissen en andere arbeidsvoorwaarden voor administratief personeel, werkzaam in het bank- en effectenbedrijf vastgesteld. Het College van Rijksbemiddelaars vond het wenselijk de “geldende bindende regeling van arbeidsvoorwaarden van bankkantoren te Amsterdam, Den Haag en Rotterdam dd. 11 november 1941( Staatscourant 1941, no. 223) uit te breiden tot een landelijke regeling voor administratief personeel werkzaam in het bank- en effectenbedrijf.”

Aangezien met betrekking tot de salariëring van dit personeel buiten de drie genoemde steden nog enige feitelijke ervaring moest worden verkregen, kreeg de regeling een voorlopig karakter. Omdat ‘typen’ viel onder het begrip ‘administratieve arbeid’ werd de aparte vermelding van “typist” in de definitie werknemer overbodig geacht. Met verwijzing naar de Verordening (Nederlandse Staatscourant 1940, nr. 235) werd met ingang van 1 juni 1942 de regeling van arbeidsvoorwaarden voor de drie grote steden (met concentraties van het bank- en effectenbedrijf) ingetrokken en de nieuwe Landelijke regeling bindend vastgesteld.

Deze nieuwe Landelijke regeling was vrij ingewikkeld en bevatte:

  1. De begripsomschrijvingen “werkgever” en “werknemer”; er werden ‘bedrijfsgroepen’ in de tekst vermeld: Handelsbanken en Effectenhandel.
  2. Bepalingen inzake salarissen en andere arbeidsvoorwaarden voor de werknemers met een indeling in drie klassen (A, B en C);
    getalsverhoudingen in relatie met de klassenindeling;
    salarisschalen met regelgeving;
    vacantie (12 werkdagen; uitkering bij ziekte en ongeval;
    schorsing en een overgangsbepaling.

Bijlage I bevatte een vrij uitvoerige Leidraad voor de indeling van de werknemers in de drie klassen. In Bijlage II werden, afzonderlijk voor mannen en vrouwen, de netto salarissen naar leeftijd vermeld, met per klasse een minimum gemiddeld salaris en een minimum salaris voor Amsterdam. In Bijlage III werden de netto salarissen voor Rotterdam-Den Haag opgenomen. In Bijlage IV werden de netto salarissen voor de Provincie Gemeenteklasse I opgenomen. In Bijlage V werden de netto salarissen voor de Provincie Gemeenteklasse II opgenomen. In Bijlage VI werden de netto salarissen voor de Provincie GemeenteklasseIII opgenomen.

De gemeenten van de eerste en tweede klasse werden met name genoemd. De niet genoemde gemeenten waren van de derde klasse. Uit de tekst valt op te maken dat er in het bezette Nederland aan deze Landelijke regeling geen werkgevers- en werknemersorganisaties te pas waren gekomen.

Na de oorlog, op 28 april 1947, werd een Landelijke regeling van salarissen en arbeidsvoorwaarden voor administratief personeel, werkzaam in het Bankbedrijf bindend vastgesteld. Dat gebeurde op verzoek van de Werkgeversvereniging voor het Bankbedrijf (i.o) en de Bedrijfsunie van samenwerkende organisaties van Handels- en Kantoorbedienden; op advies van de Stichting van de Arbeid en met verwijzing naar Artikel 12 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.

Alle voorgaande Regelingen van salarissen en arbeidsvoorwaarden, tot en met 1946, werden ingetrokken. Van die nieuwe Landelijke regeling weken de inhoud, opzet en structuur niet noemenswaardig af van haar voorgangers. Eind november 1946 hadden “partijen” een voorstel tot wijziging van de Landelijke regeling van 22 en 23 mei 1942 (gewijzigd op 28 mei 1942 en op 2 en 4februari 1943) ingediend. Dit werd door het College van Rijksbemiddelaars niet goedgekeurd omdat het geen bepalingen bevatte omtrent maximum salariëring. Omdat het aanbrengen van zulke bepalingen tijd vergde werd een voorlopige regeling getroffen.

Uit de ‘Overwegingen’ bleek dat “partijen” hebben gesteggeld met het College van Rijksbemiddelaars over een Minimum gemiddelde jaarsalaris en een Maximum totaal salaris. Klaarblijkelijk bood dat te veel ruimte voor een gunstiger salariëring van individuele werknemers. Door veel vakbondsbestuurders en werkgeversvertegenwoordigers werd niet voor niets gesproken over het College van Rijksbeknibbelaars.

Het heeft tot 1950 geduurd eer de Algemene Regeling van salarissen en arbeidsvoorwaarden voor het administratief personeel in het Bankbedrijf kon worden omgezet in een CAO voor het Bankbedrijf. En het heeft nog een kwart eeuw langer geduurd eer tussen de Werkgeversvereniging voor het Bankbedrijf, de vakbonden die traditioneel partij waren bij de cao en de Vereniging Hoger Personeel Bankbedrijf, een principe besluit werd genomen over de vernieuwing van de verouderde salaris-paragraaf.

 

Geert Wagenaer, oud vicevoorzitter BVA / oud secretaris VHV

Haarlem, december 2013

Zie ook:

Geert Wagenaer, CAO Banken 50 jaar

Geraadpleegde literatuur:

  • Landelijke Regeling … 1942
  • Landelijke Regeling … 1947
  • CAO’s voor het Bankbedrijf
  • ”Collectief Geregeld…” (VHV-1993)
  • ”Om de stem te doen horen…  (WGV-Bankbedrijf-2002”)

[Met dank aan oud-collega’s en voorgangers Gerard Kriek en Guus Mauritz, die hun ervaringen en kennis als cao-onderhandelaar in het Bankbedrijf met mij deelden]