Het geheugen van de vakbeweging

Cacao- en chocoladebewerkers

De voedings- en genotmiddelenindustrie zou je de ‘wortel’ van het menselijk bestaan kunnen noemen. Van ‘simpele’ producten zo van het land is het uitgegroeid tot agrarisch-industrieel-complex. Een factor van belang in de Nederlandse economie. Voeding is meer en meer een product geworden van industriele bereiding en bewerking. De industrialisering van ons voedsel vangt aan in de negentiende eeuw. Er wordt niet alleen voedsel geproduceerd die in onze primaire behoefte voorziet, maar ook ‘snoeperijen’.

De zoetwarenindustrie speelt in op onze smaak. Jaarlijks versnoepen we voor zo’n 5 miljard gulden. Bijna 1/5 hiervan besteden we aan chocolade. De cacao- en chocolade-industrie is dus een belangrijk onderdeel van de zoetwarenindustrie. Het zoete geldt vooral het product. De ‘beloning’ die de arbeid zoet maakt is ook in deze tak van bedrijvigheid vaak ver te zoeken.

Cacao

De cacaodrank stamt uit Mexico. Vanaf het eerste kwart van de zeventiende eeuw worden cacao-bonen in Spanje ingevoerd. In de achttiende eeuw vinden we de aanvang van de cacao-industrie in Zeeland. De grondstof komt uit Suriname. Van de cacao-bonen worden tabletten gemaakt. De tabletten die gezoet zijn met suiker worden uit de hand gegeten. De ongezoete tabletten worden met melk gekookt tot een chocoladedrank. De drank is niet echt populair, aangezien ze vet, bitter en slecht verteerbaar is, maar men acht het goed voor de gezondheid. Ruim de helft van het gewicht van de cacaoboon bestaat uit vetten. Het is Coenraad van Houten die er in 1828 in slaagt door persing 55% van het vet uit de bonen te verwijderen en de aldus verkregen droge chocolade te vermalen tot een – door toevoeging van potas – in warm water oplosbaar poeder. De aard en productiewijze van de cacao veranderd daarmee ingrijpend, maar de chocolademelk wordt een drinkbaar en gewaardeerd product. De cacao- en chocolade-industrie wordt een bedrijfstak van betekenis. Rond de eeuwwisseling zijn de voornaamste bedrijven: Van Houten in Weesp, Bensdorp in Amsterdam en Bussum, Korff in Amsterdam, Driessen in Rotterdam en Kwatta in Breda.
Cacao en chocolade worden geconsumeerd door alle bevolkingsgroepen. De ‘lagere klasse’ is een grote consument van zoetigheid. Aangezien cacao en chocolade niet behoren tot de eerste levensbehoeften zijn ze gevoelig voor schommelingen in de prijs. Als de prijs te veel stijgt wordt cacao vervangen door koffie of thee en chocolade door suikergoed.
Cacao is een belangrijk Nederlands product. Nog in 1989 wordt 11% van de wereldproductie van cacaobonen in Nederland verwerkt. Nederland behoort op de wereldmarkt tot de grootste verbruikers en is de belangrijkste exporteur van cacaoboter, cacaopoeder en chocoladeproducten.

Alle ogen zijn gericht op Kwatta

De zegswijze ‘alle ogen zijn gericht op Kwatta’ is nog niet vergeten al bestaat de cacao- en chocoladefabriek Kwatta al lang niet meer. In 1883 richt P. de Bondt samen met zijn compagnon J.G. van Embden een bedrijf op in Breda. Het bedrijf noemen ze Kwatta naar de cacaoplantage van Van Embden in Suriname. De gebroeders Stokvis, die het bedrijf tien jaar later overnemen, moderniseren het en breiden het uit.
Als op de cacaomarkt in 1907 een crisis uitbreekt en de grondstoffenprijzen sterk stijgen, moeten veel cacao- en chocolade bedrijven hun deuren sluiten. Kwatta overleeft dankzij de verpakte reep.
Op de wikkel staat een soldaatje. Vijf soldaatjes geven recht op een gratis reep. De reep doet het goed bij de soldaten. Het leger is afnemer van Kwatta en de reep is in de kazernes te koop. De reep wordt daarom ook wel manoeuvre-reep genoemd. In 1905 werken er voor het bedrijf nog maar dertig mensen. In 1938 is dat uitgegroeid tot 700. Zijn in 1905 de mannen nog in de meerderheid, in 1938 zijn er meer vrouwen dan mannen in dienst.
Kwatta, sticht bedrijven in België, Duitsland en Frankrijk. In 1921 wordt het bedrijf in Breda uitgebreid met een modern bedrijf in het naburige Princenhage. Beide bedrijven blijven naast elkaar functioneren. In 1924 wordt Sickesz in Amsterdam en in 1935 Driessen in Rotterdam overgenomen. Het Rotterdamse bedrijf wordt stilgelegd en de productie overgebracht naar Princenhage.

De ‘cacao- en chocolade bonden’

De eerste tekenen van drang naar organisatie onder de cacao-, chocolade en suikerbewerkers zijn in 1893 te Rotterdam en in 1895 in Amsterdam merkbaar. Die pogingen lukken echter niet. Eerst in 1898 komt er in Amsterdam een duurzame organisatie tot stand: de vereniging voor cacao-, chocolade- en suikerbewerkers Door Eendracht Verbetering. Er ontstaan ook plaatselijke verenigingen in Rotterdam, Breda en de Zaanstreek, die in contact staan met de Amsterdamse vereniging. Vanaf 1 januari 1900 verschijnt er een vakblad. In 1908 komt er een fusie met de Nederlandsche Bond voor Arbeiders in het Bakkersbedrijf die opgericht is in 1894. De werknemers in de cacao- en chocoladebedrijven zijn vanaf dat moment merendeels georganiseerd in bonden die zich primair richten op bakkersgezellen al is er ook sprake van aansluiting bij de fabrieksarbeidersbonden St. Willibrordus en de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders. De bonden voor de cacao- en chocoladebewerkers – die voorlopers zijn van de Voedingsbond FNV en dus ook van FNV Bondgenoten – zijn: de Nederlandsche Vereeniging van Cacao-, Chocolade- en Suikerbewerkers, Koek- en Banketbakkers en de Nederlandsche R.K. bond van Bakkers-, Cacao-, Chocolade- en Suikerbewerkers. De socialistische bond heeft in Breda vanaf 1910 een constante, maar kleine aanhang. De afdeling Breda van de R.K.-bond wordt opgericht in 1916. Ongeveer een derde van het personeel bij Kwatta is lid van de R.K.-bond.

De arbeidsvoorwaarden

De lonen in de cacao- en chocolade-industrie lopen sterk uiteen. Alleen in de Zaanstreek bestaat een onderlinge loonafspraak tussen de werkgevers. Bij Van Houten zijn de lonen hoger, bij Kwatta lager dan gangbaar is in de branche. Er wordt in de productie met uurlonen en tarieflonen gewerkt, in de verpakkingsafdelingen met stukloon. Het loon van de vrouwen in de productie liggen 50% beneden het minimumloon van de mannen. De werktijden zijn aan het begin van de twintigste eeuw tien ŕ elf uur per dag. Van Houten vormt een uitzondering daar wordt in 1905 de achturen-dag ingevoerd. Tegen Sinterklaas en Pasen wordt er veelvuldig overgewerkt en wordt het aantal uren opgerekt tot wel zestien uur per dag.
In drukke tijden wordt de arbeidswet regelmatig overtreden doordat de wettelijk voorgeschreven rusttijden niet in acht worden genomen. Over de gemaakte overuren wordt geen toeslag betaald. Bij Kwatta zijn de voorzieningen bij ziekte slecht en pensioenen ontbreken geheel. Het pakket aan arbeidsvoorwaarden bij Kwatta, zijn vergeleken met andere grote bedrijven in Breda niet bijzonder gunstig.

De Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO)

In de bedrijfstak is sprake van grote concurrentie. Alleen Van Houten in Weesp kan zich, vanwege haar grote export, aan de binnenlandse concurrentie onttrekken. Kwatta kent een groot assortiment. Het bedrijf kan minder profiteren van schaalbesparingen en is daardoor zeer gevoelig voor concurrentie. Begrijpelijkerwijze is het Bredase bedrijf dan ook de animator om tot een landelijke loonregeling te komen. Van Houten voelt daar echter niets voor. In 1917 komt bij Kwatta een loonregeling tot stand uitsluitend met de katholieke bond.
In 1919 leidt het overleg met de Nederlandsche Vereeniging van Suikerwerk- en Chocoladefabrikanten tot een collectief contract. Het is eerste collectief contract dat in deze vorm voor de chocolade- en suikerbedrijven tot stand komt. ‘De Faam’ in Breda sluit zich bij dit contract aan. De cacao-fabrikanten stellen eenzijdig zelf een loonregeling vast. De loonregeling van de cacao-fabrikanten ligt gemiddeld twee gulden per week lager dan het collectieve contract wat afgesloten is met de chocolade- en suikerbedrijven. De arbeidsduur in het collectief contract bedraagt voor 1919 nog 522 uur, maar zal in 1920 naar 50 uur worden verlaagd. Aan het begin van de jaren twintig is er sprake van een economische inzinking. Loonsverlagingen zijn zowat in alle bedrijven en bedrijfstakken aan de orde van de dag. Ook in de cacao- en chocolade-industrie is dat het geval. In de loop van 1923 worden de lonen met 10% verlaagd.

Kwatta Basta!

Door de vakgroep Cacao-, Chocolade en suikerbewerkers van de socialistische bond wordt in augustus 1928 een program van eisen opgesteld die na overleg met de beide confessionele organisaties wordt omgezet in een ‘ontwerp-overeenkomst’ die aan alle werkgevers in de bedrijfstak wordt toegezonden. Enkele weken later worden 63 werkgevers in 12 plaatsen bezocht met het doel de ontwerp-overeenkomst te bespreken. Bij vijf bedrijven heeft dat succes; onder meer bij Kwatta te Breda. De lonen worden door middel van een toeslag met F1,25 verhoogd. De erkenning van de socialistische organisatie is opmerkelijk aangezien Kwatta jarenlang weigerde met deze bond in overleg te treden. Nog voor enkele maanden weigerde het bedrijf overleg over een ontslagkwestie. Een werknemer met twintig dienstjaren, die lid is van de socialistische bond, werd toen door Kwatta ontslagen. De bond besluit op te roepen tot een boycot van de Kwatta-producten. Op 16 september 1928, als er in een vijftal steden door het NVV en SDAP georganiseerde betogingen plaats vinden voor ontwapening, staat op elk der terreinen van samenkomst een groot bord met de tekst: “Kent uw plicht, Sickesz en Kwatta is voor den arbeiders basta!”
De tekenaar Jan Rot verzorgt een tekening die in Het Volk en in de Voorwaarts verschijnt. Andere kranten weigeren een bericht of zelfs een advertentie te plaatsen. Het zal niet nodig zijn want de vakbladen van nagenoeg alle bonden nemen de tekening en het motto wel op. In het bijzonder wordt ook steun ondervonden van de coöperaties. De oproep tot boycot krijgt een zodanige bereik dat Kwatta dat in de verkoop voelt. Op 27 september worden de voorzitter en de secretaris van de bond Is. Goudsmit en A. Hillebregt op het bedrijf ontvangen. In het onderhoud dat dan plaats vindt wordt het volgende compromis bereikt:

  1. De directie van ‘Kwatta’ erkent ten volle de vrijheid van haar personeel om zich te organiseren in de vakbond zijner keuze;

  2. De directie zal voortaan bij het overleg met de Algemeene Bond omtrent de personeel-belangen zich niet uitsluitend bepalen tot de schriftelijke gedachtewisseling, doch ze zal het bestuur van de bond, wanneer het daartoe de wensch te kennen geeft, ook ontvangen.

  3. Wat het ontslag betreft, komen partijen overeen, daarin zonder enige rancune te berusten, doch, met het oog op het 20-jarig dienstverband van den betrokkene, zal aan zijn organisatie een bedrag van /200,- (zegge twee honderd gulden) te zijnen behoeve door “Kwatta” worden betaald. Terstond na aanvaarding van deze overeenkomst zal de vakbond, hier bedoeld, in dag- en vakbladen, zoomede aan de clientčle bekendheid geven, dat het conflict is geregeld, zodat er verder geen bezwaar meer bestaat, wederom de Kwatta- en Sickesz-artikelen te koopen en te verkoopen.”

Crisis

In 1929 kan het overleg met Kwatta nog positief worden afgerond. De toeslag van /1,25 per week wordt in vast loon omgezet en de lonen worden daarenboven nog met fl 1,00 verhoogd. In 1930 is er opnieuw een loonsverbetering van fl 1,00 per week en wordt het aantal vakantiedagen op zes gebracht. De crisisjaren doen hun intreden en ook in de cacao- en chocolade-industrie laat zich dat voelen. Het aantal werknemers die in 1930 nog 7.350 bedraagt is in 1932 al gedaald tot 5.633.
In 1931 worden bij Kwatta nog een aantal meisjes, van veertien-vijftien jaar, uit Bergen op Zoom in dienst genomen die daar bij de Liga werkten. Bij Liga verdienden ze twee ŕ drie gulden per week. In Breda is dat zeven gulden per week, wat overigens door de directie van Kwatta als teveel wordt beschouwd. Vanwege de loonconcurrentie besluit Kwatta een bezuiniging door te voeren. Eerst worden de meisjes vervangen door jongens die minder loon krijgen. Daarna worden successievelijk de oudere werknemers ontslagen en worden jeugdige werknemers in hun plaats gesteld.

De directie van Kwatta verklaart in 1934: “Al in mei is gepoogd met de arbeidersorganisaties tot overeenstemming te komen over loonsverlaging. Doch dat is geweigerd. En er werd gedreigd met staking, indien de directie van Kwatta toch tot loonsverlaging zou overgaan. Slechts onder voorwaarden waren de bestuurders bereid in loonsverlaging toe te stemmen. Zij wilden eerst na inzage van boeken en balansen de overtuiging hebben, dat Kwatta echt met verlies werkt. Wij hebben dit verzoek kategorisch afgewezen, daar dit ons inziens de medezeggenschap in de fabriek voorbereidt. Zolang wij niet wettelijk daartoe worden verplicht, zullen wij ons daartegen verzetten. En wij menen dat dit ook in de geest van de kommissarissen is. ” In 1937 is 40% van het duurdere personeel vervangen door goedkoper personeel. De lonen bij Kwatta zijn lager dan gebruikelijk in de bedrijfstak.

Het einde van het Kwatta-soldaatje

Er veranderd veel in jaren 60 en 70 van de twintigste eeuw op de Europese cacao- en chocolademarkt. De landen die cacaobonen produceren gaan nu zelf cacao en chocolade produceren. De export naar de Oostbloklanden stagneert doordat in die landen de productie van chocola zelf ter hand wordt genomen. Kwatta neemt – in een poging de bedrijfspositie te versterken – de firma Wijnand Beke in Den Haag over en gaat samenwerkingsverbanden aan met Rademakers (Haagse Hopjes) en Van den Dungen (Jamaica-rumbonen). Daarna wordt Kwatta zelf ingelijfd door het belgische Eurochoc wat op haar beurt weer onderdeel is van het Engelse Continental Foods. Het is inmiddels 1973 en het bedrijf lijdt zwaar verlies. Voor 200 personeelsleden wordt ontslag gevraagd. Bonden en ondernemingsraad willen een onderzoek naar het (wan-)beleid van Kwatta, maar zien daarvan af onder de dreiging van Kwatta om dan onmiddellijk het bedrijf te sluiten. Het zal alleen maar uitstel van executie zijn. Er volgen opnieuw ontslagen. In 1977 verhuist Kwatta, met een deel van het dan nog resterende personeel – onder de naam Pieter Nieuwerkerk – naar Etten-Leur. Het fabriekspand van Kwatta in Breda valt in 1979 onder de slopershamer.
© Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
september 2000

Geraadpleegde literatuur

Is. Goudsmit, Uit het duister naar het licht (Amsterdam 1934)
Gerh. Van Dijk, “De Eeuw van Van Houten” in:
Honderd jaar (Den Haag 1928)
Marlou Schrover,
Het vette, het zoete en het wederzijdse profijt (Hilversum 1991)
Marlou Schrover, “Smaakegalisatie, Bossche bollen en koekjesgiganten” in: Voedings- en genotmiddelenindustrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993)
annie Stegeman,
In het gareel. Zoetwarenindustrie in West-Brabant, 1900-1986 (Utrecht 1987)
Ria Jaarsma, “Voedings- en genotmiddelenindustrie” in:
Werken aan Werk. Nummer 2 (Hilversum 1992)