Het geheugen van de vakbeweging

Broedertrouw, de eerste landarbeidersbond

In ballades wordt de landman bezongen en zijn leven geromantiseerd. De werkelijkheid voor degene die hun bestaan aan de grond ontlenen is echter verre van romantisch. De middeleeuwse lijfeigene wordt de loonslaaf van de negentiende eeuw. Het werk is zwaar, de dagen lang, het loon karig en zijn leven somber. De werkers in het veen voeren, welhaast met de regelmaat van de seizoenen, actie voor een beter loon. De landarbeiders komen tegen het einde van de negentiende eeuw in verzet tegen hun slechte omstandigheden.

De landman van voor 1800 is arm, vergeten en rechteloos. Hij is schatplichtig aan- en afhankelijk van bezitters en regeerders. Landarbeiders treffen we aan in dienst van grootgrondbezitters en kloosters. Bij de veelal kleine en arme boeren komt de landarbeider nog niet of nauwelijks voor. In de eerste decennia van de negentiende eeuw groeit de groep loonafhankelijk landarbeiders. Volgens schattingen telt ons land in 1850 200.000 landarbeiders. Uit de beroepstellingen van 1889 en 1899 blijkt dat er dan 363.225 respectievelijk 388.225 mannen en vrouwen in de land- en tuinbouw werken. Direct na de ‘Franse tijd’ is er een betrekkelijke welvaart in het boerenbedrijf die aanhoudt tot 1817. Daarna treedt er een crisis in die duurt tot 1849. De periode 1849-1880 is er weer een van bloei. De boeren hebben goede inkomsten in die periode. Omstreeks 1880 zet de grote landbouwcrisis in. De Verenigde Staten en Argentinië komen met hun graanovervloed op de wereldmarkt. Denemarken begint de Nederlandse boter te verdringen. In Australië komt de margarineproductie en -export op gang. De Nederlandse landbouw, in tal van opzichten achterlijk en verouderd, kan de wereldconcurrentie niet aan. De crisis die, in tegenstelling tot die van 1817-1849, niet alleen de akkerbouw, maar ook de veehouderij en de tuinbouw treft, houdt zo’n vijftien jaar aan.
Hilgenga vat in zijn boek 40 jaar landarbeidersbond de omstandigheden van de landarbeiders in de negentiende eeuw als volgt samen: A We weten dus betrekkelijk weinig van het lot en het leven van den Nederlandsen plattelandsarbeider, maar dat weinige spreekt van lage lonen en slechte arbeidsvoorwaarden, van armoede en ontbering, van miserabele huisvesting aan dijken en modderlanen, van geen of slecht onderwijs, van bedeling bij werkloosheid, ziekte en ongeval, van oud en arm, van maatschappelijk en politiek onrecht. Zelfs de jaren, waarin het ‘den boer goed ging’, de ‘gouden tijden’ gingen den landarbeider schier ‘ongemerkt’ voorbij.’

Bollejagen

In de negentiende eeuw is het in de gemeente Haskerland de gewoonte, dat de veenbazen zich, voor de aanvang van de veenarbeid, verenigen om het loon van de werklieden te bepalen. Zodra zij het onderling eens zijn delen de veenbazen de hoogte van het loon mee aan zijn arbeiders. In de regel aanvaarden de werklieden dit loon zonder enig verzet. Dit eenzijdige loonsysteem wordt lang niet overal zo voetstoots aanvaard als in Haskerland. Daar waar in groepen wordt gewerkt, zoals in het veen of bij de dijk- en kanaalaanleg, ontwaakt, anders dan bij de meestal alleenwerkende boerenarbeider, de gemeenschapszin. De werklieden, die bovendien gedurende het karwei gezamenlijk gehuisvest zijn, zijn minder afhankelijk van de veenbaas dan de autochtone werklieden met vast werk. De trekarbeid en het seizoenmatige karakter van het werk zijn daarbij van invloed. Gedurende de hele negentiende eeuw is er in de venen regelmatig sprake van ‘bollejeije’ of ‘bollejagen’. ‘Bolje’ is het Friese woord voor ‘oproerig zijn’. De oudst bekende staking in de veenderij is die in Schoterland in 1810. Stakingen komen daarna wel meer voor, maar vanaf pakweg 1830 is het welhaast elk jaar raak in de ene of de andere turfwinning. Tot aan de jaren zeventig zijn de ‘haarden van onrust’ vooral te vinden in: Opsterland (Tijnje, Terwispel, Nijbeets) en Steenwijkerwold. In de periode 1870-1885 blijft het betrekkelijk rustig, maar daarna, in 1888 en 1890, zijn er zeer omvangrijke stakingen die niet tot enkele veenderijen beperkt blijven, maar vrijwel alle veenwinningen in het noorden treffen. Dat tussen 1870 en 1885 niet gestaakt wordt heeft alles te maken met een crisis in het veen. De vanaf 1875 dalende lonen worden door de werklieden geaccepteerd aangezien de prijs van de turf ook almaar daalt. In 1888 is de rek er echter uit. In Nieuw-Amsterdam breekt op 16 april een staking uit die binnen twee dagen tot succes leidt. De staking slaat over naar andere verveningen in het noorden van Drenthe en bereikt daarna ook de Friese veengebieden. De staking is massaal en gedisciplineerd. De staking kent niet alleen de eis van hoger loon, maar richt zich ook tegen de gedwongen winkelnering. Rond 12 mei komt het overal tot een vergelijk. De lonen stijgen een beetje en de werklieden gaan weer aan het werk.

Gedwongen winkelnering

Twee dagen na afloop van de stakingen van 1888 debuteert Ferdinand Domela Nieuwenhuis in de Tweede Kamer met een interpellatie. Dat de problemen van gewone werklieden in het parlement aan de orde worden gesteld is ongekend en geeft de werklieden een gevoel van erkenning. Voor het eerst zijn de Handelingen der Tweede Kamer een bestseller en raken uitverkocht. In de interpellatie deelt Nieuwenhuis mee, dat de veenarbeider bij een arbeidsdag van 14 ŕ 16 uur /6, – per week verdient. Zijn betoog richt zich echter vooral op het kwaad van de gedwongen winkelnering. Hij verlangt een wettelijke regeling. De gedwongen winkelnering is in de venen wel de ergste misstand. Veenarbeiders zijn gedwongen te kopen in de winkel van de baas tegen hogere prijzen en mindere kwaliteit dan in de gewone winkel. Tien pond roggebrood kost 32 cent, maar bij de veenbaas 39 cent. Een pond spek kost 31 cent, bij de veenbaas 39 cent. Gemiddeld zijn de prijzen bij de veenbaas 25% hoger. Wordt er naar de zin van de baas door een veenarbeider te weinig in zijn winkel gekocht, dan is er voor hem het volgend jaar geen werk meer. In de winter kan de arbeider bij de veenbaas borgen, maar die schuld moet in het voorjaar wel worden inverdiend. Vaak krijgen de werklieden hun loon niet eens in handen, maar moeten ze het doen met een lopende rekening. In alle opzichten zijn de veenarbeiders met handen en voeten gebonden aan de veenbaas. De reacties in de kamer op de interpellatie van Nieuwenhuis zijn ronduit cynisch. De liberaal Van der Feltz reageert met de opmerking, dat de arbeiders maar sparen moeten en het ARP-kamerlid Oppedijk stelt: A Wanneer aan de bevolking in de venen spaarzaamheid en orde geleerd waren in plaats van socialistische theorieën, zouden er geen werkstakingen hebben plaats gehad.@ Begin juli 1888 dient Nieuwenhuis een wetsontwerp in tegen de gedwongen winkelnering. Bijna een jaar later op 15 mei 1889 deelt de minister van justitie mee, dat hij zelf met een wetsontwerp zal komen. Dat wetsontwerp komt er, maar wordt, nadat Nieuwenhuis niet in de Kamer is herkozen, ijlings weer ingetrokken. Het zal tot 1907 duren aleer er een wet tot stand komt.

Broedertrouw

Op 27 november 1889 zitten in de herberg van Jinstje Scholten in de Friese gemeente Het Bildt zo’n 50 landarbeiders bijeen. Zij hebben gehoor gegeven aan een oproep in de krant geplaatst door de landarbeiders: Durk Kuik en Jan Stap. De vergadering start rustig, maar als een van de vergaderaars zijn hart lucht over het onrecht op het platteland, lopen de gemoederen snel op. Afgegeven wordt op het systeem van koppelbazen en ook de grieven omtrent de slecht betaalde vrouwen- en kinderarbeid komen aan de orde. In deze stemming wordt de hoofdzakelijk uit landarbeiders bestaande vereniging “Broedertrouw” opgericht. Germ van Tuinen, visser en landarbeider uit Lieve Vrouwenparochie, wordt gekozen tot voorzitter en Jan Stap, uit Sint Jacobiparochie, tot vice-voorzitter. Het nieuws van de oprichting van Broedertrouw gaat als een lopend vuurtje door Het Bildt. Het aantal leden neemt snel toe. Het doel van de vereniging luidt: “De vereniging stelt zich ten doel lotsverbetering der arbeiders in de eerste plaats. Niettemin zal zij de overige belangen der arbeiders in ’t bijzonder en van de vierde stand in het algemeen, niet uit het oog verliezen. Met alle ten dienste staande middelen zal zij trachten dit doel te bereiken”.
De afdeling St. Jacobiparochie van Broedertrouw formuleert in het voorjaar van 1890 haar looneis en legt die voor aan de boeren. In de regel wordt zo’n negen cent per uur betaald. Broedertrouw wenst een loon van twaalf cent. De boeren weigeren op het voorstel in te gaan met als gevolg dat op 17 mei de landarbeiders het werk neerleggen. Binnen een week wordt de looneis ingewilligd. De afdeling St. Annaparochie slaagt er direct daarna in dezelfde looneis ingewilligd te krijgen. De poging van Broedertrouw om tot een loonactie te komen voor geheel Noordelijk Friesland mislukt echter. Op een bijeenkomst, door Broedertrouw bijeengeroepen, verschijnen achtentachtig bestuursleden van landarbeidersverenigingen uit veertien plaatsen. Maar de organisaties buiten Het Bildt voelen zich te zwak om aan een loonactie deel te nemen. Op de bijeenkomst wordt ook gesproken over een landelijke landarbeidersbond, maar tot besluiten komt het niet.
De reactie op het succes van Broedertrouw komt spoedig. In het midden van 1890 vinden 150 boeren in Het Bildt elkaar en verbinden zich tot onderlinge steun bij werkstaking. Ze stellen voor “goedgezinde” arbeiders een minimumloon van tien cent vast, maar bovenal zullen zij: ‘hun vrijheid om de werktijd en de wijze van werken naar welgevallen te regelen’ onder geen beding prijsgeven. Desondanks slaagt Broedertrouw op 1 augustus er in een overeenkomst te sluiten met 35 boeren waarin het loon op twaalf cent per uur wordt bepaald. Bij de overige boeren wordt het werk op 5 augustus neergelegd. Het aantal stakers bedraagt 150 en het verloop van de staking is rustig. De regering besluit desondanks 100 man infanterie, 25 veldwachters en een aantal marechaussees naar het ‘oproerige’ gebied te zenden. De landbouwers trachten de staking te breken met behulp van onderkruipers die ze 15 cent per uur betalen met kost en inwoning. Germ van Tuinen en Jan Stap, de stakingsleiders, worden er van beschuldigd onderkruipers met de dood te hebben bedreigd. Beide worden echter vrijgesproken. Hun advocaat heet: Pieter Jelles Troelstra.
Beide partijen in de staking zijn onwrikbaar. De staking duurt tot in de winter voort. Veel stakers vinden elders werk. De boeren krijgen de oogst met veel moeite en met hoge kosten binnen. Met de geldelijke steun die Broedertrouw weet in te zamelen worden de stakers in de winter aan het vlasbraken gezet. In het voorjaar van 1891 laait de strijd weer op. Broedertrouw stelt dezelfde eisen als het jaar ervoor. De staking verbreedt zich tot de hele gemeente. Herhaaldelijk komen stakers in botsing met de politie. De boeren besluiten de leden van Broedertrouw voortaan niet meer in dienst te nemen. Ondanks dat de stakingsuitkering laag is, vaak niet meer dan /2,50 per week, houden de ongeveer 500 stakers het een tijdlang vol. Als blijkt dat de boeren zelfs in de drukke oogsttijd niet toegeven, begint de staking te verlopen. Velen bedanken voor de bond en gaan weer aan het werk. Begin september wordt de staking beëindigd. Niet alleen de staking is verloren, maar ook de organisatie gaat teniet. In 1892 vormt Broedertrouw zich om tot een gewone afdeling van de Sociaal Democratische Bond; er zijn dan nog maar 23 leden over van de ruim 600 op het hoogtepunt van de organisatie.

Landarbeiders organiseren zich

Het gaat de boeren na 1900 steeds beter. De landarbeiders merken van deze zichtbare vooruitgang, de toename van werkgelegenheid daargelaten, maar bitter weinig. Het kan niet anders of op deze zo eenzijdige ontwikkeling moet een reactie komen. Er zijn twee gebeurtenissen die een nieuwe stoot geven aan de geschiedenis van de agrarische vakbeweging. De eerste is de oprichting van de Bond van Zuivelfabrieksarbeiders, voorloper en één van de twee zuilen van de moderne landarbeidersbond. De tweede gebeurtenis is een nieuwe stakingsbeweging onder de land- en veenarbeiders.
Het is Marten Kalsbeek, werkzaam op de zuivelfabriek te Warga, die het initiatief neemt tot het oprichten van de bond. Hij nodigt de zuivelwerknemers uit afgevaardigden te zenden naar een bijeenkomst te Leeuwarden. Uit zestien plaatsen is er een vertegenwoordiging op de bijeenkomst aanwezig en uit nog eens veertien plaatsen is een adhesie gestuurd. De bond wordt opgericht, met Kalsbeek als voorzitter, en besluit onmiddellijk een fonds in te stellen om collega’s die ontslagen worden vanwege hun lidmaatschap te kunnen steunen.
In 1901 is het overal in het agrarische bedrijf onrustig. In de venen, in de landbouw en zelfs in de tuinbouw en het zuivelbedrijf zijn er stakingen voor loonsverbetering. Van de 53 in dat jaar geregistreerde stakingen zijn er dertig in het agrarische bedrijf. Vooral de landarbeidersstaking in het Oldambt maakt indruk. Alhoewel er in 1897 een Nederlandse Bond van Landarbeiders is opgericht door het opnieuw opgerichte Broedertrouw in St. Jacobiparochie en een zusterorganisatie met dezelfde naam in Enkhuizen is er geen sprake van een landelijk opererende organisatie. In 1900 zijn er 21 landarbeidersverenigingen met 1.375 leden. Zes van deze verenigingen zijn rooms-katholiek en vijftien zijn neutraal of sociaal-democratisch.
In de eerste jaren van de Bond van Zuivelfabrieksarbeiders vlot het niet met het aantal leden. Opgericht met 180 leden is de bond vier jaar later nog maar tot 304 leden gegroeid. Vier vraagstukken houdt de jonge organisatie bezig: lonen, arbeidstijden, vrije dagen en pensionering. De rij van vele acties die de bond zal voeren, wordt geopend met het verkrijgen van één vrije dag om de acht dagen. Het voorstel voor deze vrije dag wordt naar dertig fabrieksbesturen gestuurd. Slechts één neemt de moeite om te antwoorden. Antwoord geven aan een organisatie van werknemers wordt door de meeste bedrijven nog als ver beneden hun stand beschouwd, maar ondanks dat wordt in meerdere fabrieken zwijgend het verzoek om een vrije dag ingewilligd. De lonen in de zuivel stijgen onder druk van de organisatie. De bond komt, na het overlijden van Van Kalsbeek in 1904, onder leiding van Pieter Hiemstra die in dat jaar tot voorzitter wordt gekozen. Hiemstra is een energiek man en onder zijn leiding, met name nadat hij in bezoldigde dienst is gekomen, zal de Bond zijn vleugels uitspreiden ook buiten Friesland. De Bond van Zuivelfabrieksarbeiders zal negen jaar zelfstandig bestaan om dan te fuseren met de landarbeiders.
In 1907 wordt, met steun van het NVV, de Nieuwe Nederlandse Landarbeidersbond opgericht, die zich onmiddellijk bij het NVV aansluit. De steun van het NVV valt te begrijpen tegen de achtergrond dat de in 1897 opgerichte Nederlandse Landarbeidersbond aangesloten is bij het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS) en het NVV dus geen landarbeiders in zijn gelederen telt.
In 1908 sluit de Bond van Zuivelfabrieksarbeiders zich eveneens aan bij het NVV. Nu beide bonden, actief in de agrarische bedrijfstak, lid zijn van dezelfde vakcentrale groeit het inzicht dat samenwerking verstandig is. Zowel de landarbeiders als de zuivelbereiders hebben immers te maken met dezelfde werkgever. Het zijn de boeren die eigenaar zijn van de coöperatieve melkfabrieken. Het duurt niet lang of er wordt tot fusie besloten. Op 23 februari 1909 smelten beide organisaties ineen tot de Bond van Arbeiders in Landbouw- en Zuivelbedrijf. In 1912 zal ‘tuinbouw’ nog aan de naam worden toegevoegd. De gefuseerde bond telt 1.087 leden, 767 uit de zuivel en 310 landarbeiders. Voorzitter van de nieuwe bond is Pieter Hiemstra; hij zal dat tot 1938 blijven.

Aanvallen en verdedigen

Wie zich realiseert dat in het begin van de twintigste eeuw nog geen enkele arbeidsovereenkomst in de landbouw bestaat, kijkt wat verbaasd naar de resultaten die enkele tientallen jaren later genoteerd kunnen worden. In 1920 zijn 53 CAO’s met 3.850 werkgevers voor 11.900 werknemers. Tien jaar later is dat gegroeid tot 158 CAO’s met 6.233 werkgevers voor 31.342 werknemers.
Deze resultaten konden alleen worden bereikt door grote inspanningen. De afspraken moeten welhaast van boerderij tot boerderij en van dorp tot dorp veroverd worden. In bijna elk dorp is het proces hetzelfde. Eerst wordt de bond geweigerd als gesprekspartner. Het gevecht om erkenning gaat aan alle resultaten vooraf. Leden van de bond worden gedreigd met ontslag. De plaatselijk bestuurders worden bedreigd met uitsluiting van werk. De boeren pressen de kasteleins om geen zaal te verhuren aan de bond. Er is een aanhoudende laster aan het adres van de bond en zijn bestuurders. Er is een schier eindeloze rij van acties nodig om de bond te erkennen als vertegenwoordiger van de werknemers. In 1914 en 1919 moet de bond bewijzen wat ze waard is. De landbouwers in het Oldambt gaan in 1914 niet in op het loonvoorstel van de bond. Het wordt een strijd waarbij uitsluiting en het inzetten van onderkruipers niet wordt geschuwd. Na een staking van twee maanden komt er een overeenkomst tot stand. In 1919 wil de bond een loonsverhoging van 20 tot 30%. Ze heeft het klimaat mee. Het ledental is sterk gestegen en er is sprake van een krachtige sociale beweging die heel Europa tot beroering brengt. De onderhandelingen leiden niet tot een bevredigend resultaat en op 5 mei wordt de staking afgekondigd. Meer dan 1.500 mannen en enige honderden vrouwen leggen het werk neer. Op 11 juni komt er een compromis tot stand. Globaal gesproken is het resultaat dat de stakers ongeveer 3/4 van hun eisen zien ingewilligd. Het allervoornaamste resultaat is echter dat de boeren zijn gaan beseffen dat ze met de bond moeten leren leven.

Landarbeiders gaan internationaal

Grensarbeid is onder landarbeiders geen onbekend verschijnsel. Zijn het vóór 1880 onze oosterburen die naar ons land komen tijdens de maai- en oogsttijd, na 1880 is van het omgekeerde sprake. In Duitsland is er rond 1900 al sprake van een sterke vakbeweging. Tal van ‘Hollanders’ komen in Duitsland met vakactie in aanraking. Pieter Hiemstra kan tot voorbeeld dienen. Driemaal werkt hij als melkknecht in Duitsland. Hij maakt er kennis met de Duitse vakbeweging en leert er Duits spreken, hetgeen hem later ten nutte zal zijn. Het is tegen deze achtergrond dan ook niet vreemd dat het initiatief tot oprichting van de Internationale Landarbeiders Federatie (ILF) in Nederland ligt. De statuten van de Nieuwe Nederlandse Landarbeidersbond bepaalden al bij oprichting dat een middel is: samenwerking zoeken met buitenlandse landarbeidersbonden. Het duurt echter tot 1920 aleer het bestuur van de bond besluit naar Berlijn te gaan om met de Duitse zusterorganisatie te overleggen. Op dat tijdstip zijn in Berlijn ook de zusterorganisaties uit Denemarken en Zweden aanwezig. Hiemstra reist daarna door naar Frankrijk om ook de Franse Landarbeidersorganisatie te interesseren. De Engelse- en Italiaanse landarbeidersbond stemmen eveneens in met het Nederlandse initiatief. Op een conferentie te Amsterdam op 17 tot 19 augustus 1902 wordt de Internationale opgericht. Er sluiten zich bonden aan uit 10 landen met gezamenlijk meer dan 2 miljoen leden. Het secretariaat van de Internationale wordt in Amsterdam gevestigd. Hiemstra wordt tot secretaris-penningmeester gekozen.

1929

Tien jaar na de staking van 1919 in oostelijk Groningen breekt in hetzelfde district opnieuw een staking uit. De staking is, door zijn duur maar vooral ook door zijn omvang, de grootste landarbeidersstaking die ons land ooit kende. 5.000 mannen en vrouwen in het Oldambt staken 52 maand (van 1 mei tot 12 oktober 1929) tegen rijke, machtige werkgevers, tegen boerenzoons en onderkruipers uit het hele land en helaas ook tegen de christelijke vakorganisatie. Gedurende de gehele jaren twintig staan de lonen onder druk. In 1923 verkondigen de werkgevers dat het loonpeil teruggebracht moet worden naar het niveau van vóór 1914. In 1924 wensen de werkgevers dat de wettelijke arbeidstijd weer wordt verhoogd tot 53 ŕ 56 uur. Waar de landbouwers de daling van de landbouwprijzen gebruiken als argument tot loonsverlaging, wijst de bond op de stijgende kosten van levensonderhoud en de toch al lage beloning in de landbouw. Als tegen het eind van het decennium het in de landbouw economisch wat beter lijkt te gaan, acht men de tijd rijp loonsverbetering te vragen. Het Oldambt wordt uitverkoren om de onderhandelingen te starten, aangezien daar de laatste jaren het aantal leden is gegroeid en de lonen het laagst zijn. Hiemstra en Hilgenga zijn de onderhandelaars van werknemers zijde en verdedigen het voorstel voor een loonsverhoging van 15%. Ze krijgen van de voorzitter van de werkgevers echter te horen: ‘Er komt dit jaar niets bij!’. De leden wijzen het werkgeversstandpunt om de lonen gelijk te houden af en besluiten met 1.190 stemmen vóór en 75 tegen om in staking te gaan. Het conflict is hard. Er wordt door de gemeente een samenscholingsverbod afgekondigd. Verschillende landarbeiders, die zich verzetten tegen het inzetten van onderkruipers, komen door vechtpartijen en de overtreding van het samenscholingsverbod in de cel terecht. Bij rellen met de marechaussee wordt in Finsterwolde een man doodgeschoten die niets met de staking heeft te maken. Werkgevers spannen processen aan om landarbeiders uit hun woning te zetten. Op 15 augustus wordt door een bemiddelaar een compromis voorgesteld van 10% loonsverhoging met ingang van 1 mei 1930. Het hoofdbestuur van de bond adviseert het voorstel te aanvaarden, maar de stakers wijzen het in grote meerderheid af. Achteraf kunnen we vaststellen dat ze daarmee hun hand overspeelden. Door het grote aantal onderkruipers krijgen de boeren hun oogst binnen en daarmee kan de staking als verloren worden beschouwd. Het hoofdbestuur besluit de staking op te heffen. Het compromisvoorstel wordt nogmaals aan de stakers ter stemming voorgelegd, maar de bestuurders worden op de vergaderingen weggehoond. De economische opleving van 1929 is slechts van korte duur. Een nieuwe crisis staat voor de deur die tot 1935 zal aanhouden. Eerst in dat jaar zal weer sprake zijn van acties voor loonsverbetering. In dat licht bezien is het compromis van 10% loonsverhoging nog niet zo=n slecht resultaat.

De Ommelanden

Een bijzonder hardnekkige staking vindt van 21 augustus 1952 tot 21 september 1953 plaats bij de zuivelfabriek ‘De Ommelanden’ in de stad Groningen. De staking staat onder leiding van de Algemene Nederlandse Agrarische Bedrijfsbond (ANAB). ANAB is een naamswijziging van de in 1945 (her)opgerichte Algemene Nederlandse Landarbeidersbond. De naamswijziging is nodig vanwege de bedrijfstakgewijze organisatie die in 1952 in het NVV wordt doorgevoerd. Vanaf dat moment zijn niet langer de beambten en de handarbeiders in verschillende bonden georganiseerd. De staking heeft tot doel verbetering van de arbeidsvoorwaarden, met name een aanvaardbare pensioenregeling. Echter het doel van het conflict verschuift meer en meer naar de erkenning van de bond als onderhandelingspartner namens de werknemers. De directie van “De Ommelanden”, de christelijke vakbeweging en een deel van de christelijke pers beschuldigen de stakers er van, dat zij op revolutie uit zijn. De Nederlandse Christelijke Landarbeiders schrijft in haar vakblad, dat de ANAB: ‘een machtsdronken revolutionair (is), die in plaats van met wettige en geoorloofde middelen op te komen voor de handhaving van de rechten van de arbeiders, sociale en economische belangen opoffert in een strijd om de macht’.
De ANAB doorstaat alle aanvallen en is sterk genoeg om de staking vol te houden en uiteindelijk te winnen. De stakingsleider, Sake van der Ploeg, krijgt door dit voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk lange conflict als vakbondsbestuurder landelijke bekendheid. Van der Ploeg zal van 1965 tot 1973 voorzitter zijn; eerst van de ANAB en als deze met de Algemene Bedrijfsbond Voeding- en genotmiddelen (ABVG) fuseert van de Agrarische en Voedingsbedrijfsbond (AVB).
© Dik Nas / Vakbondshistorische Vereniging
20 oktober 2000
Geraadpleegde literatuur Johan Frieswijk, Socialisme in Friesland 1880-1890 (Amsterdam 1977) Johan Frieswijk, >Hiemstra, Pieter Feddes= in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging Deel 3 (Amsterdam 1988) Ger Harmsen, Tilly Berkenbosch en Simon Mintjes Van turf en tabak tot plasticbuizen (De Knipe 1991) Ger Harmsen/Bob Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid (Nijmegen 1975) J. Hilgenga 40 jaren, Nederlandse Landarbeidersbond. Gedenkboek van de Nederlandse bond van arbeiders in het landbouw-, tuinbouw- en zuivelbedrijf 1900 – 1940 (Utrecht 1940) Kerst Huisman, >Getuigenissen uit het land van Stiefmoeder Aarde= in: Jaarboek voor het socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1979 (Nijmegen 1979) J.J. Kalma, >Stap, Jan Abrahams= in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging Deel 2 (Amsterdam 1987) Otto S. Knottnerus, >Hilgenga, Jan= in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging Deel 2 (Amsterdam 1987) Jaap Nieuwenhuize,>Van Pieter Hiemstra … … tot Cees Schelling= in: Spil. Kritisch kwartaaltijdschrift met achtergrondjournalistieke en populair-wetenschappelijke bijdragen over de problemen van de landbouw en van de plattelandssamenleving hier en elders (Ruurlo 1983) Drs. Th. Plattenburg, Landarbeiders (Hilversum 1943) Martin Schouten, De Sociale zijn in aantogt. De Nederlandse arbeidersbeweging in de negentiende eeuw (Amsterdam 1974) Pieter Terpstra, Opkomst en strijd van de arbeidersbeweging in Friesland (z.pl. z.j.) W.H. Vliegen, De dageraad der volksbevrijding (Amsterdam 1922) Geert Wijnhoven, Voeding in de strijd (Amsterdam 1994)