Het geheugen van de vakbeweging

Bram Buijs

De afdelingslijn is de basis voor het brede vakbondswerk

“Men moet het probleem ‘Leiding-Leden’ niet dramatiseren. In feite gaat het om de mens in al zijn facetten. Het is een probleem van de grote organisaties in een gecompliceerde maatschappij die niet zonder deze organisaties kan….

Bram BuijsBram Buijs

In het voorstel is gedacht aan een adviescommissie in de geest van de commissie ‘Leiding-Leden’, die permanent van advies kan dienen, kan waken over de te volgen weg en voortdurend nieuwe voorstellen in overweging kan brengen…. De bond moet uitmaken waar wij zullen beginnen. Ook hier is sprake van prioriteiten…. De afdelingen zullen veel werk moeten verzetten. Vooral jongeren moeten actief bij het werk betrokken worden. De vakgroepen moeten verder worden uitgebouwd en op dit punt kunnen bepaalde afdelingen wellicht tot samenwerking komen…. Het contact tussen kieskringen en bondsraadsleden moet versterkt worden…. Het werk van de districtsbestuurder kan misschien vereenvoudigd worden door bepaalde districten te verkleinen of door het overnemen van kleinere klusjes door de afdelingsbesturen.” De eerste vraag aan Bram Buijs is of hij iets nieuws gezien had in het rapport ‘Bouwen aan de bond’. Zijn antwoord bestaat uit het aanhalen van enkele zinsneden uit de inleiding van wetenschappelijke medewerker Heinz Umrath, uitgesproken op het congres van de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond (ANB) gehouden in juni 1958 in Maastricht. Aan de orde is dan het rapport ‘Leiding Leden”, waarvoor op het congres in 1955 opdracht is gegeven.
Eén van de leden van de commissie, die verantwoordelijk is voor deze studie, is Bram Buijs. Bijna 30 jaar later is diezelfde Bram Buijs voorzitter van de commissie die de wetenschappelijke arbeid van Harrie Coenen en Bert Ormel begeleidt. Het is dus niet zo verwonderlijk dat hij feilloos de parallellen weet te trekken tussen de rapporten ‘Leiding-Leden’ en `Bouwen aan de bond’. Als Buijs in genoemde commissie in 1955 wordt geplaatst is hij enige maanden bezoldigd voorzitter van de afdeling Amsterdam van de ANB. Nauwelijks een jaar te voren krijgt hij – bezoldigd administrateur in Vlissingen – een brief van bondsvoorzitter Cor Brandsma en bondssecretaris Jacques Mes of hij bereid is met hen ‘over bepaalde dingen’ van gedachten te wisselen. In het gesprek wordt duidelijk wat wordt bedoeld. Brandsma draait er niet om heen: er moet een nieuwe vent in Amsterdam komen. En het hele bondsbestuur vindt dat jij die man moet zijn. Buijs vindt het wel een uitdaging. Ondanks zijn gebondenheid aan Vlissingen, waar hij een plaats in de gemeenteraad heeft verworven. Ondanks ook het advies van zijn vader, voor wie het bondswerk weinig geheimen kent. Het antwoord is dan ook positief. Vervolgens moet hij kennismaken met het Amsterdamse afdelingsbestuur. Dat pakt goed uit. De scepsis waarmee het afdelingsbestuur aanvankelijk heeft gereageerd op het voornemen van het bondsbestuur is overwonnen. Ook de eerste confrontatie met de leden in een uitpuilende vergader­zaal van het Foresterhuis pakt goed uit.
Als eerste niet-Amsterdammer gaat Bram Buijs leiding geven aan de oudste afdeling van de ANB. Hij zal de laatste bezoldigde voorzitter zijn. Kort voor zij toetreding tot het bondsbestuur – in 1962 – schrijft hij een notitie waarin hij pleit voor afschaffing van de bezoldigde plaatselijke bestuurders. Zijn opvatting is dat het onbezoldigde kader meer bij de uitvoering van het afdelingswerk moet worden betrokken. Het zou daarin moeten worden begeleid door een bezoldigde districtsbestuurder. Slechts de administratie en de SFB-taken zouden aan een bezoldigde kracht moeten worden toevertrouwd.

In 1964 volgt Buijs Brandsma op als ANB-voorzitter. Na de fusie met de Algemene Bond voor de Meubel- en Houtnijverheid in 1970 wordt hij voorzitter van de aldus gevormde Bouwbond NVV. Op het bondscongres in 1970 werd onder meer gesproken over het onderwerp ‘de structuur van de ANB’. Opnieuw een voorbeeld van het feit dat de bond steeds bezig is geweest met het functioneren van de bond in al z’n geledingen. Als de Bouwbond NVV in 1976 een zware federatie aangaat met de Bouw- en Houtbond NKV deelt hij met Leo Brouwer het voorzitterschap van de Federatie Bouw- en Houtbonden. De fusie van beide bonden met ingang van 1 januari 1982 leidt tot de Bouw- en Houtbond FNV. De eerste voorzitter daarvan: Bram Buijs.

De afdelingslijn is de basis voor het brede vakbondswerk

“De omstandigheden waaronder wij nu moeten werken zijn bizar. Juist onder deze omstandigheden moet de betrokkenheid van de leden bij het vakbondswerk worden vergroot. Vandaar dat het bondsbestuur heeft gezegd: er moet een onderzoek komen om te bekijken hoe die betrokkenheid kan worden bevorderd. Zonder afbreuk te willen doen aan het rapport ‘Bouwen aan de bond’ moet ik zeggen: Het biedt weinig nieuws onder de zon. De steen der wijzen is niet gevonden. Bovendien vraag ik me af of alles dat door de zegslieden naar voren is gebracht juist is. Ik zet daar op sommige punten wat vraag­tekens bij. Daartegenover staan de voordelen van dit onderzoek. Het heeft een zekere diepgang. Het biedt ook en schrikeffect. En er zijn dingen uitgerold die goede handvatten bieden voor het bondswerk.”
“De democratie is een onlosmakelijk element van onze vakbeweging. Het functioneren daarvan is echter problematischer geworden als gevolg van het streven van enge naar brede vakbeweging, naast strijd- ook overlegorganisatie. Je wilt de leden overal bij betrekken, maar je moet ook slagvaardig blijven. Dat is de spanning die voortdurend binnen de bond heerst. Daardoor worden er fouten gemaakt.” “Vroeger kwamen de bondsraden in de regel tweemaal per jaar bijeen. Tegenwoordig gebeurt dat zo’n zeven ŕ tien keer. Je slaagt er daardoor niet in om elke keer daaraan voorafgaand de leden te raadplegen. Je kunt er bovendien vaak niet aan ontkomen om de bondsraad achteraf te vragen zijn oordeel over het handelen van het bondsbestuur te geven. Anders zou het onwerkbaar worden.”

Wantrouwen
“Door dit alles heen loopt de problematiek van het vertalen van het beleid, van ingewikkelde vraagstukken naar de leden toe. Ondanks alle goede bedoelingen slagen wij daarin kennelijk niet zo goed. Met als gevolg een basis van wantrouwen en een afkeer om naar vergaderingen te komen.” “In mijn Vlissingse tijd, kort na de Tweede Wereldoorlog vergaderden wij veel minder. De belangstelling was toen overigens ook niet zo groot. Misschien wel als gevolg van een te groot vertrouwen in de bondsleiding. Het afdelingsbestuur functioneerde in die tijd geheel op zichzelf.”
“Het contact met de bondsleiding verliep veelal door middel van de bondskrant. Op afdelingsbestuursvergaderingen stonden onderwerpen uit die krant op de agenda.” ‘We schreven soms ingezonden stukken tegen de strekking van sommige artikelen. Het bondsbestuur reageerde daar dan weer op. Tegenwoordig plaatsen wij bij de ingezonden brieven de opmerking: ‘de redactie neemt geen verantwoordelijkheid voor deze brieven’. Zelden wordt er nog een commentaar bijgeplaatst. Beide werkwijzen hebben hun schaduwzijden.” “Als afdelingsbestuurder in Vlissingen en Amsterdam besteedde ik veel tijd aan het klachtenwerk. Daardoor waren er veel contacten met de leden. Je kende hun problemen. Maar je kende daardoor ook de situatie op de bouwwerken ter plaatse. Zij werkten tenslotte bijna allemaal in hun woonplaats of directe omgeving.”

Modderpoelen

“In Amsterdam ging ik elke dinsdag enkele bouwwerken lang. Om een praatje te maken tijdens de schaft. Soms kwam je abominabele werkomstandigheden tegen. Modderpoelen als bouwplaatsen. Daar probeerde je dan wat aan te doen. Met het bedrijvenwerk, zoals wij dat later zijn gaan voorstaan, had dat weinig te maken. Het was niet gestructureerd. Maar op deze manier kon je wel ter plekke de sfeer proeven, registreren.” “Naar mijn mening hoef je voor bedrijvenwerk geen nieuwe structuren te bouwen. De kanalen zijn er. Het gaat erom ze te benutten; geen misverstand: aanwezigheid van kader van de bond in de bedrijven – op bouwobjecten en in fabrieken – is een activiteit waaraan de bond aandacht moet blijven schenken. Scholing, informatie en begeleiding van bedrijfskader is daarbij onmisbaar.”
“De afdelingslijn is de basis voor het brede vakbondswerk. De mensen werken in de bouwnijverheid. Soms in bedrijf X, even later in bedrijf Y. Vandaar dat de afdelingslijn de hoofdslagader moet blijven in de besluitvorming binnen de bond.”
“Ik loop niet voorop bij het doortrekken van de bedrijvenlijn naar de bondsraad, het wetgevend orgaan. Mijn vrees is dit: Er zitten goede mensen in de ondernemingsraad, in het bedrijvenwerk. Hun zicht zal echter sterk zijn gericht op hun eigen bedrijf, niet op de algemene belangen. Hoe vaak bedisselen ondernemings­raden niet zaken, waarbij wij vraagtekens plaatsen. Bovendien: bedrijven zijn elkaars concurrenten. Beslissingen van de ene ondernemingsraad kunnen nadelige gevolgen hebben voor een ander bedrijf. Een plaats voor de bedrijvenlijn vergelijkbaar met die van vakgroepsraden, dat zou in mijn ogen kunnen. In dat verband is vroeger al eens gediscussieerd over de mogelijkheden tot een ‘vakgroep bouw’ te komen.”

Kwaliteitszetels

“Ik ben er ook geen voorstander van andere groepen binnen de bond kwaliteitszetels te geven in de bondsraad. Dat lijkt me geen goede benadering. Dat is de weg terug. Vandaag zijn het ondernemingsraadsleden en uitkeringsgerechtigden, later zijn het de stukadoors, de schilders, de meubelmakers enzovoorts. In de bondsraad moeten simpelweg de beste mensen zitten, ongeacht hun functie of positie. En zij dienen de afwegingen te maken die nodig zijn vanuit de solidariteitsgedachte.”
“De behoefte om een eigen plaats in het besluitvormingsproces te krijgen begrijp ik goed. Maar ik geloof er niet in dat je daardoor meer voor de verschillende groepen zou kunnen doen. Ook niet voor uitkeringsgerechtigden. Er is geen vakbeweging in Europa die zich zo heeft laten leiden door de belangen van de mensen die gedwongen buiten het arbeidsproces zijn geraakt als de onze. Hoewel er in de structuur geen bijzondere plaats aan hen was toegekend. Misschien kan het hen met zo’n eigen plaats beter het gevoel geven dat ze erbij horen. Maar we moeten niet de illusie hebben dat we daardoor ook hun belangen beter kunnen behartigen.” “Als er één signaal uit het onderzoek is waar op moet worden gereageerd dan is het wel de constatering dat het werk op steeds weer dezelfde mensen neerkomt. Het werk moet over een grotere groep mensen worden verdeeld. Je ontkomt er dan niet aan om hen een stuk opleiding te geven, willen zij de kans krijgen die taken op zich te nemen. Wat mij betreft hoeft met het maken van een begin hiermee niet te worden gewacht tot de bespreking van het rapport binnen de bond is voltooid. Wél wil ik erop wijzen dat veel van het vakbondswerk vrijwilligerswerk blijft. Je kunt mensen moeilijk tot iets verplichten. Je moet leden en kaderleden wel stimuleren tot deelname aan scholingscursussen. Het als voorwaarde stellen om een functie in de bond te mogen vervullen, gaat, denk ik, te ver. De leden kiezen de mensen voor functies in de bond. Zij moeten de afweging maken of iemand voor een functie geschikt wordt geacht. Dat moet zo blijven.”

(Dit verhaal is gebaseerd op een interview dat samen met Joop Gijsbers is afgenomen. Het is verschenen in Stuwing jaargang 9, nr. 2, 1985. Bram Buijs is op 4 januari 1987 overleden.)