Het geheugen van de vakbeweging

In 1995 namen 36.000 werknemers deel aan de grootste bouwstaking uit de geschiedenis

Onder Dak! – FNV Bouw 1982-2015

BOUWVAKKERS VAAK MASSAAL
OP DE BARRICADEN

STAKEN VOOR EEN GOEDE CAO

Van oudsher staken bouwvakkers vaker dan andere werknemers. Dat is niet alleen een Nederlands, maar ook een internationaal verschijnsel. Vroeger staakten bouwvakkers vaak omdat hun werk zwaar, ongezond en ongeregeld was en ze geen band voelden met het bedrijf. En tegenwoordig? De leden van FNV Bouw hebben in de afgelopen kwart eeuw in een aantal indrukwekkend grote stakingen het voorbeeld van hun voorgangers gevolgd, maar hun tactiek wel aangepast.

De oudst bekende staking in de wereldgeschiedenis vond plaats in Egypte. In ongeveer 1180 voor onze jaartelling legden de bouwers van graftomben het werk neer vanwege een loonachterstand. Dat waren bouwvakkers. Als we een sprong in de tijd maken naar Nederland rond 1800, komen we ook bouwvakkers tegen als eerste stakers. Er werden toen grote projecten uitgevoerd, zoals het graven van kanalen, en ook daar kwamen vaak loonconflicten voor. Daarbij ging het er soms hard aan toe. Zo zei een staker in 1823: ‘Jongens, wij moeten morgen niet werken, en die aan het werk gaat moeten wij met de spade tussen hals en nek slaan, dan krijgen wij opslag.’ Ook in de ruim anderhalve eeuw tussen 1823 en de oprichting van de Bouw- en Houtbond FNV legden bouwvakkers geregeld het werk neer. Hoewel er uiteraard ook kleinere conflicten zijn geweest zoals het Amsterdamse Bouwvakkersoproer van 1966, beperken we ons hier tot de landelijke stakingen. Zoals die van 1960 toen bouwvakkers, samen met collega’s uit andere sectoren, de geleide loonpolitiek ten val brachten. Wat was er aan de hand? De aannemers wilden de lonen alleen verhogen als ze de verhoging in de prijzen mochten doorberekenen. Daarvoor was toestemming van de regering nodig maar die weigerde. Er waren al enige kleine stakingen uitgebroken, maar nu riepen de gezamenlijke bonden een landelijke staking uit. In het hele land staakten ongeveer veertigduizend bouwvakkers twee weken lang. De werkgevers gingen door de knieën.

AUTOMATISCHE PRIJSCOMPENSATIE

Sjaak van der Velden

Tien jaar later staakten opnieuw enige tienduizenden bouwvakkers. Nu om een uitkering ineens van 400 gulden. In andere sectoren hadden de werknemers die gekregen maar de aannemers weigerden dat voorbeeld te volgen. Toen de vakbonden dreigden het werk neer te leggen, stapten de werkgevers tevergeefs naar de rechter. Stakingen bij tientallen bedrijven zorgden er vervolgens voor dat het geld er kwam. Een jaar later was het weer raak. Nu ging het om invoering van de automatische prijscompensatie, een belangrijke zaak omdat de inflatie hoog was. Dit keer boden de aannemers meer weerstand waarbij hun ‘solidariteitskas’ dienst deed om de afzonderlijke bedrijven binnenboord te houden. Toch zagen de bonden kans de strijd vrijwel volledig te winnen. In 1977 kwamen bouwvakkers in actie voor behoud van de automatische prijscompensatie. Na bijna een maand zegevierden de 35.000 stakers.

TIENDUIZENDEN STAKERS

Toen op 1 januari 1982 de Bouw- en Houtbond FNV tot stand kwam, was er een baggerstaking gaande. Op 12 december hadden baggeraars die werkzaam waren in de Perzische Golf, Afrika en voor de kust van Portugal, het werk voor een dag neergelegd. Zij knokten voor een betere verlofregeling. Op 28 december kwamen veel baggeraars in Sliedrecht bijeen en besloten tot een wereldwijde staking in januari. Vlak voor die uitbrak, wilden de ondernemers weer praten en kwam men tot een compromis.

Omdat er in de jaren na de oprichting van de nieuwe bond sprake was van een economische crisis en grote werkloosheid was er weinig animo om strijd te voeren. Sterker nog, de vakbeweging sloot in 1982 met de werkgevers het beroemde Akkoord van Wassenaar. Daarin werd een gematigde loonontwikkeling afgesproken in ruil voor het creëren van meer banen. Ondanks de grote werkloosheid werd door de bonden in 1985 gestaakt voor een 36-urige werkweek. Het resultaat was een gemiddeld 37-urige werkweek die werd bereikt door het invoeren van achttien roostervrije dagen. Ook in 1990 werd actie gevoerd voor de 36-urige werkweek, die toen werd binnengesleept.

ULTIMATUM

Tien jaar na het Akkoord van Wassenaar rees de twijfel of loonmatiging wel de juiste aanpak was. Veel echte banen kwamen er niet bij en het loonaandeel in de totale productie was al jaren aan het dalen. Leden morden dan ook af en toe over het vakbondsbeleid. In november 1994 besloot de bondsraad van de Bouw- en Houtbond FNV tot het stellen van een hogere looneis dan centraal was afgesproken. Voorzitter Roel de Vries moest alle zeilen bijzetten om de achterban van nog hogere looneisen af te houden. Toen bovendien in februari 1995 bleek dat de bouwondernemers de regeling voor vrijwillig vervroegde uittreding wilden afbouwen was de beer los. Op 22 februari legden de eerste arbeiders spontaan het werk neer. Acht dagen later verstuurden de bouwbonden van FNV, CNV en het Zwarte Corps een ultimatum naar de ondernemersorganisatie. Er volgden vertrouwelijke gesprekken waarin de ondernemers kleine concessies deden. Dat was echter niet genoeg. Op 9 maart legde dertigduizend man het werk neer om de tien actiebijeenkomsten van de bonden te bezoeken. Vijf dagen later begon de staking echt. In enkele dagen liep het aantal stakers op tot twintigduizend en groeide daarna door tot 36.000.

De bouwvakkers zaten het grootste deel van de tijd thuis, klusten wat bij en gingen eens per week naar een van de door de bonden georganiseerde terugkombijeenkomsten. Soms werd daarbij gedemonstreerd, zoals op 23 maart toen drieduizend stakers door Rotterdam trokken. Verder waren het vooral bijeenkomsten met ‘peptalk’, een cadeautje voor thuis en muziek. Omdat er geen schot in de zaak zat, waren de bonden bereid tot een compromis. Dat werd door de tegenpartij echter niet aanvaard en door de bondsleden al helemaal niet. ‘Op regionale bijeenkomsten hebben stakers woensdag met fluitconcerten en boe-geroep het bondsvoorstel onthaald’, schreef de Volkskrant. Omdat diverse grote aannemers wel wilden schikken werd er opnieuw gepraat. Tijdens het paasweekeind bereikten de onderhandelaars een akkoord en via de media hoorden de stakers dat ze dinsdag weer aan het werk moesten. Alleen de stukadoors, die al die tijd hadden meegestaakt, gingen nog een week door tot ook in hun sector een akkoord werd bereikt.

MINDER MASSAAL

Nadat het enkele jaren beter was gegaan, viel de economische groei in het begin van deze eeuw terug. De aannemers grepen dit aan om hun plannen door te drukken. Ze wilden onder andere de lonen niet verhogen en de reisurenvergoeding versoberen. De vakbeweging accepteerde dat niet en stelde de looneis die binnen de FNV was afgesproken. Op 14 februari 2002 vond de eerste actie plaats en daarna volgden stakingen, werkonderbrekingen, poortacties en manifestaties. Op 2 mei werd een principe-akkoord bereikt,  waarna de stakers het werk hervatten. Deze staking was minder massaal dan eerdere landelijke stakingen. Dat was een bewuste keuze om met minder kosten het grootst mogelijke effect te bereiken. Er werd niet alleen gestaakt, maar actievoeders blokkeerden ook snelwegen of trokken met shovels op naar het hoofdkantoor van de werkgevers. Na afloop bezon FNV Bouw, zoals de bond zich inmiddels noemde, zich verder op de beste wijze van actievoeren voor de toekomst.

Naast de grote bouwstakingen, waren er ook acties van specifieke beroepsgroepen. Het voorbeeld van de baggeraars is al genoemd, maar ook de schilders lieten zich niet onbetuigd. In  1991 staakten zij met enkele duizenden vier dagen voor handhaving van de prijscompensatie en behoud van de bestaande atv-dagen. De werkgevers verkeken zich op de strijdlust van de schilders en moesten toegeven. In 1999 staakten de schilders weer, toen de werkgevers de arbeidsvoorwaarden wilden verslechteren. Toen het werk zeven dagen had stilgelegen, zwichtten de werkgevers en kwam er een cao-akkoord tot stand. Kort nadat FNV Bouw officieel was opgeheven, moesten de schilders opnieuw in actie komen. De werkgevers negeerden de bonden, toen die de door hen voorgestelde verslechteringen niet wilden slikken, en sloten een cao af met een alternatieve partij, de belangenvereniging LBV. Er waren in de tweede helft van 2016 korte stakingen, werkonderbrekingen en protestacties. Bij het ter perse gaan van dit boek was het conflict nog gaande.

EFFICIËNTER EN GOEDKOPER

Koffiedik kijken is geen sterk punt van historici maar misschien is het mogelijk om lijnen uit het verleden door te trekken naar de toekomst. Het werk is nog steeds tamelijk gevaarlijk, maar wel minder ongeregeld dan in het verleden. De recente flexibilisering van de arbeid lijkt de losse banden tussen arbeid en kapitaal weer terug te brengen, maar hoe bouwvakkers daar met het oog op collectief optreden mee om moeten gaan is nog geen uitgemaakte zaak. Het wiel moet wat dat betreft opnieuw worden uitgevonden. Algemene landelijke bouwstakingen zijn misschien typisch iets voor de periode van geleid en centraal loonoverleg toen ook de organisatiegraad op zijn hoogtepunt was. Daarvoor kwamen ze niet voor en daarna was het bewust beleid om het werk niet massaal neer te leggen. Gerichte en goed gecoördineerde acties waarbij bepaalde bedrijven worden uitgekozen, zijn voor de vakbeweging efficiënter en goedkoper en zullen vermoedelijk in de nabije toekomst het beeld bepalen. De stand van de conjunctuur, dat zal duidelijk zijn, bepaalt daarbij in hoge mate of het zin heeft het werk neer te leggen.

Landelijke bouwstakingen
sinds de Tweede Wereldoorlog

Jaar Aantal stakers Gestaakte dagen
1960 40.500 666.000
1970 20.000 10.500
1971 30.000 56.000
1977 7.700 51.500
1985 11.600 106.000
1990 15.700 183.000
1995 36.000 699.000
2002 20.000 224.000

 

Sjaak van der Velden (Rotterdam, 1954) noemt zich op zijn website een ‘eigengereid historicus’. Anderen betitelen hem als ‘stakingsexpert’. Voor het zo ver was heeft hij jarenlang als timmerman gewerkt. Hij studeerde Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden en promoveerde in 2000 op ‘Stakingen in Nederland 1830-1995’. Hij heeft gewerkt bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en de SP. Momenteel is hij zelfstandig historicus. Van der Velden heeft tientallen publicaties op zijn naam staan.