Het geheugen van de vakbeweging

Polijsten met een vijl (links op de voorgrond) en slijpen met een door een krukas bewogen slijpsteen van zwaarden. Pentekening naar voorbeeld van een tekening van de rond 830 in de abdij van Hautvillers bij Reims gemaakte z.g. Utrecht Psalter, zo genoemd omdat het bewaard wordt in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek.


Een bijna vergeten ambacht – vijlenkappen

De firma N.V. G. Watson’s & Zoon’s Vijlenfabriek en Slijperij te Rotterdam produceert tussen 1850 en 1959 vijlen en raspen voor alle beroepen en doeleinden. Na ruim honderd jaar verhuist het bedrijf naar Den Bosch, nadat het in 1957 onderdeel is geworden van Nicholson File, een Amerikaans concern, wereldleider in de fabricage van vijlen.
Tot de vrijwel vergeten beroepen behoort zeker ook de vijlenkapper wiens handwerk relatief laat ten onder is gegaan. Eind negentiende eeuw wordt het vijlenkappen gemechaniseerd en veranderd het ambachtelijke produceren van vijlen in een industriële activiteit.

Een oud stukgereedschap

In de schaarse literatuur over het beroep van vijlenkapper wordt vermeld dat er tijdens de bronstijd al vijlen worden gemaakt en dat de vijl als gereedschap zelfs al in de steentijd tot ontwikkeling is gekomen. Het is mogelijk, maar enige twijfel over deze bewering mag geuit worden. Kenmerk van het neolithicum (nieuwe steentijd) is dat metalen nog niet beschikbaar zijn en waar zou een vijl dan van zijn gemaakt en nog belangrijker waar zou deze vijl dan voor zijn gebruikt? Van en voor steen is het voor de hand liggende antwoord. Gereedschappen in het neolithicum zijn vooral gemaakt van vuursteen en verder van been, hoorn en hout. De producten die uit deze grondstoffen zijn vervaardigd hebben geen van allen een vijl van node, hooguit om ze wat gladder te maken. Vuursteen is daarvoor niet echt geschikt en als het dus al plaats vindt zal er een ruwe steensoort voor zijn gebruikt en dat lijkt niet erg op vijlen, maar meer op schuren of slijpen. Het is speculatief maar als er in de steentijd producten zijn geslepen of geschuurd, dan hebben we eerder te maken met een voorloper van de slijpsteen dan van de vijl. In de bronstijd is er wel sprake van metaal, maar brons is als materiaal voor het meeste werk niet hard genoeg en heeft dus zijn beperkingen. In de antieke wereld waaien de technische vernieuwingen in het handwerk over naar Egypte deels vanuit Mesopotamië en deels, in het bijzonder de metallurgie, uit het Hettitische rijk in Anatolië en Noord-Syrië. De ontwikkeling in Egypte verloopt traag, omdat de vindplaatsen van metalen slecht toegankelijk zijn en moeilijk te ontsluiten. Uit koper, dat in het derde millennium v.Chr. in de Sinaï wordt gevonden, en uit brons, dat in het tweede millennium v.Chr. uit Azië wordt geïmporteerd, maken de Egyptenaren gereedschappen, waarmee steen en hout, beter dan met stenen werktuigen, kunnen worden bewerkt. Er is nog een ander probleem en dat is de datering van de Bronstijd en de IJzertijd. In West-Europa wordt het begin van de IJzertijd op ca. 800 v.Chr. gesteld, maar in het Midden-Oosten, met name in Anatolië, is de ijzertijd al begonnen circa 2.000 v.Chr. en het is dus niet uit te sluiten dat de vijl van ijzer ouder is en in de plaats moet worden gesteld van die van brons. IJzer opende voor de gereedschapsproductie nieuwe wegen. Egyptenaren en vervolgens Kelten en Romeinen gebruiken vijlen in velerlei vorm. De werkelijke herkomst en ouderdom van de vijl blijft giswerk, maar op een afbeelding uit de z.g. Utrecht-Psalter uit ca. 830 zien we het scherpen van zwaarden met vijl en slijpsteen, waarmee wordt aangetoond dat in ieder geval in de vroege-middeleeuwen vijlen zijn gebruikt.

Ook archeologisch is het gebruik van vijlen in de middeleeuwen aangetoond. Opgravingen in het Noord-Duitse Federsen Wierde tonen aan dat er in de tweede en derde eeuw op ruime schaal ijzer wordt bewerkt. Tussen de gevonden gereedschappen bevinden zich vijlen. Bij opgravingen in Normandië zijn gereedschappen gevonden, waaronder vijlen, die gedateerd kunnen worden tussen de vierde en zesde eeuw. De middeleeuwse woud- en boerensmidsen maken naast landbouwwerktuigen en wapens ook de grondtypes van gereedschap zoals we die nog steeds gebruiken: tangen, hamers, vijlen, doorslagen, draadtrekkers, eenvoudige zagen, bijlen en hakken. In de late middeleeuwen ontwikkelt de fabricage van de vijl zich verder, vooral de vervanging van de kaphamer door de beitel is een belangrijke productieverbetering. In de vroegmoderne tijd bestaat er een uitgebreid assortiment van vijlen afgestemd op de gebruiker. Christiaan Huijgens meldt tenminste in 1686 dat horlogemakers, naast kleine nijptangen en beiteltjes, diverse soorten vijlen gebruiken. Dat er ook klantgericht geproduceerd wordt blijkt uit een geschrift uit de zestiende eeuw. Het vermeld dat een vrouw haar gevangen echtgenoot een vis laat bezorgen, met een vijl erin verstopt. Hij weet met behulp van die vijl de gevangenis te ontvluchten.

Vijlen in soorten en maten

Vijlen zijn in hun algemene toepassing werktuigen die gebruikt worden voor het afwerken en vormgeven van voorwerpen van allerlei aard en materiaal. Smeden en timmerlieden hanteren de vijl, maar ook voor de schoenmaker, de instrumentmaker en de pedicure is het een onmisbaar stuk gereedschap. De vijl heeft een langwerpige vorm en een gekapt of korrelig oppervlak. De vijl kent verschillende hardheden al naar gelang het te bewerken materiaal terwijl de tanding grof of fijn kan zijn, al naar de behoefte om het werkstuk ruwer of gladder te bewerken. Vijlen komen voor als: hand- of blokvijlen, platspitse, halfronde, ronde (rattestaarten), vierkante of driekante vijlen, cabinetvijlen, sleutelvijlen, etc., die in allerlei lengten worden geleverd, waardoor vijlen voor tal van doeleinden kunnen worden gebruikt. Voor vele handwerkers, als goud- en zilversmeden, instrumentmakers, muntmakers, schrijnwerkers, smeden en stempelmakers, zijn vijlen onmisbaar. De vijl bestaat uit een arend (het gevest) en het profiel. In het profiel zijn tandjes aangebracht, waardoor de vijl gebruikt kan worden om oppervlakken te bewerken. De meeste vijlen zijn dubbelhouwig, d.w.z. dat de tanden (insnijdingen) in twee richtingen ‘overkruis’ zijn gekapt, waardoor talrijke en onderling nabijgelegen ruitvormige tandjes ontstaan, die aan het oppervlak een gelijkmatige ruwheid of scherpte hebben. Er is een grote variatie in soorten en maten. Ze kunnen naar verschillende criteria worden onderverdeeld. Naar gebruikers, bijvoorbeeld een uurwerkmakervijl, ijzerwerkersvijl. Naar het te bewerken materiaal: houtvijl, ijzervijl, tinvijl. Naar de aard van de vijl: gekapt, gefreesd, gevijld. Bij gekapte vijlen kan de wijze van kappen een onderverdeling zijn: éénhouwig, tweehouwig en tenslotte is er de indeling naar fijnheid: grof, halfgrof, halfzoet, zoet en dubbelzoet. Een gangbaar onderscheid is naar de vorm van het kappen, zoals dwars, rechthoekig, gekruist. Tenslotte zijn er nog indelingen naar gewicht: grofvijlen, armvijlen. Zo groot als de variatie is in vijlen naar aard en vorm, zo groot is ook de variatie naar afzetgebied. Ieder ambacht en iedere tak van industrie heeft al naar gelang de aanwending wel zijn eigen wensen ten aanzien van vorm en kwaliteit. Naast handgemaakt zijn er, net als bij andere gereedschappen, machinaal geproduceerde vijlen.

Het maken van een vijl

Nadat de vijl in vorm is gesmeed wordt een beitelvormige hamer gebruikt om hem met regelmaat in te kappen. Elke slag moet goed worden geplaatst en dat maakt het een moeilijk karwei. Het wordt eenvoudiger als men in de vijftiende eeuw een hamer met losse beitels gaat gebruiken.

Voorstelling van een werkplaats voor metaal¬bewerking. Op de werkbanken zijn vijlen te onderscheiden en het is mogelijk dat de derde smid van links aan het vijlenkappen is. Miniatuur in een Engels handschrift uit de eerste helft van de veertiende eeuw.

Een vijl ondergaat ongeveer twintig handelingen voordat hij klaar is. Er zijn vier hoofdbewerkingen: smeden, slijpen, kappen en harden. Het ‘lichaam’ van de vijl, de zogenaamde ‘blanken’ worden gesmeed uit een stuk staaf of bandstaal. De blanken worden daarna in een oven uitgegloeid, zo nodig rechtgetrokken en eventuele vervormingen verholpen. Het verhitten en vervormen van staal zorgt voor spanning in – en verharding van het materiaal. Door langzaam verhitten en afkoelen, ontlaten genaamd, wordt de spanning en verharding opgeheven. De uitgegloeide blanken worden vervolgens in het gewenste profiel en breedte geslepen en de arend of aar (de punt waarop het heft wordt gezet) aan het profiel gesmeed. De arend wordt niet gehard om hem minder breekbaar te maken. Het nog gladde vijllichaam is gereed om bekapt te worden. Naar de aard van de kap onderscheidt men vijlen en raspen. Bij de raspen staan de tanden afzonderlijk, omdat ze met een centerpons worden gekapt. De vijlen worden onderscheiden in enkel of ruw en dubbel of gekruist gekapt. Elke soort vijlen heeft zijn eigen soort tanden. De grootte van de vijl en de grofte van de tanden bepaalt hoeveel tanden er moeten worden geslagen. Tijdens het kappen springen kleine metaalsplinters in het rond, waardoor oogletsel een serieus arbeidsrisico is. Na het kappen volgt het harden, zandstralen en controleren, waarna de vijl klaar is voor verpakking en transport. Een bekwaam kapper haalt ongeveer 80 slagen per minuut, wat een productie van ongeveer 24 basterdvijlen per dag mogelijk maakt. Naast het kappen van nieuwe vijlen, behoort ook het ‘verkappen’ van versleten vijlen tot het vak van de vijlenkapper, zoals uit de Amsterdamsche Courant van 31 oktober 1795 blijkt:

Hendrik Oosterman, mr. Smit en vylenkapper in de’ Anjelierstraat voorby de Fiolettestraat te Amsterdam, adverteerd aan alle mrs. Smits, molenaars, kopergieters en koperslagers, zyn extra continueeren met maaken en verkoopen van Smits- en molenvylen; en hard en verkapt de oude weder op als nieuw. Ook verkoopt en verhuurd hy alle soorten van kagchels en kagchelpypen.

Het gebruik van de vijl

… bij het handmatig vijlen wordt in de regel het werkstuk in een bankschroef geklemd en de vijl met beide handen bewogen…

Het vijlen lijkt in eerste blik eenvoudig, maar het is moeilijker dan je aanvankelijk denkt. De vijl moet zo precies worden gehanteerd, dat ze alleen aangrijpt op het te bewerken vlak. Zeker bij het ‘rondvijlen’ en ‘vlakvijlen’ komt het op het juiste gevoel voor maatvoering aan. Bij het handmatig vijlen wordt in de regel het werkstuk in een bankschroef geklemd en de vijl met beide handen bewogen. De rechterhand houdt het heft zo vast, dat vijl en arm een rechte lijn vormen. Het heft rust in de handpalm, terwijl de duim er bovenop ligt. Met de linkerhand wordt zoveel druk gegeven als nodig is voor het beoogde resultaat, waarbij tijdens het ‘strijken’ (vijlen) met de handpalm, met licht gekromde vingers, gedrukt wordt op het vijleinde. Het vijlen zelf gebeurd hoofdzakelijke in schuine richting naar de kanten van het werkstuk.

De Vijlenkapper

Er zijn circa twintig handelingen nodig om een vijl te maken, wat in de gebruikelijke vergaande arbeidsdeling betekent dat er ook vele handen aan te pas moeten komen van smeden, smidsknechten, slijpers, metselaars voor de opbouw van de ovens, hulpkrachten en natuurlijk van de vijlenkappers zelf. De productie van handmatig gekapte vijlen vindt voornamelijk plaats in Sheffield in Engeland en in Neurenberg en Remscheid in Duitsland. De vijlenkappers zijn hechte gemeenschappen, waar een buitenstaander niet of nauwelijks toegang toe heeft. Ze wonen geconcentreerd in enkele buurten en zijn strak georganiseerd in gilden. Het is vrijwel onmogelijk voor buitenstaanders om deel uit te gaan maken van het gilde of de groep. Om het vak zelfstandig te mogen uitoefenen, duurt de opleiding van leerling, via gezel, naar het meesterschap, zes jaar. Vanuit deze centra komen van tijd tot tijd vijlenkappers als (rondreizende) ambachtslieden naar Nederland. In de negentiende eeuw verplaatsen een aantal vijlenkappers uit het Duitse Ennepetal zich naar Utrecht waar ze zich in één wijk vestigen en min of meer de gildeachtige structuur van hun vaderstad overnemen. De wijze van vijlenkappen verandert gedurende de negentiende eeuw niet echt. De vijlenkapmachines die in de tweede helft van de negentiende eeuw op de markt komen breken nog niet echt door. Eerst in de twintigste eeuw maakt mechanisatie een eind aan het handkappen en aan de gemeenschappen van vijlenkappers. Het handkappen wordt uitgevoerd door zelfstandige kappers in kleine werkplaatsen aan huis of door kappers in loondienst bij een fabriek. De handvijlenkappers werken met een speciaal aambeeld en met hamers en beitels van verschillend gewicht en grote. De te bewerken blanken worden op het aambeeld met riemen vastgezet.

Een zelfstandige vijlenkapper aan de arbeid in zijn werkplaats. Vermoedelijk in Remscheid omstreeks 1920.

De beitel wordt met de linkerhand schuin gehouden, zowel ten opzichte van het werkstuk als ten opzichte van het lichaam, terwijl de rechterhand de hamer hanteert. De kunst van het kappen bestaat eruit, om met het nodige gevoel, de beitel in de goede schuinte te houden, de houwen parallel te plaatsen en de slag met de hamer gelijk te doseren. Geoefende vijlenkappers bereiken een grote exactheid waardoor hun producten lange tijd meer gewaardeerd worden dan de machinaal vervaardigde vijlen.

Van ambacht naar fabriek

Het is Leonardo da Vinci (1452-1519) die reeds in het begin van de zestiende eeuw een vijlenkapmachine ontwerpt. Vaklieden en uitvinders werken ook in de zeventiende en achttiende eeuw aan het construeren van een vijlenkapmachine, maar zonder praktische resultaten. Eerst in de negentiende eeuw komt er een vijlenkapmachine op de markt die uurwerkmakervijlen kan kapen. In het midden van de eeuw ontstaan naast de zelfstandige gereedschapsmakers fabrieken voor handgereedschap.

Model van de vijlenkapmachine naar het ontwerp van Leonardo da Vinci. De reconstructie is gemaakt door het Deutsches Museum in Munchen.

Rond 1840 maakt Johann Henrich Mannesmann in Remscheid een aanvang met een kleine vijlensmederij. Uit deze vijlensmederij ontstaat naast een handelsbedrijf ook een succesvol werkende vijlenfabriek waar alle bewerkingen onder een dak zijn gebracht. Zijn achterneven, de broers Max (1861-1915) en Reinhard (1856-1922) Mannesmann hebben daardoor de technische en financiële mogelijkheden, om omvangrijke proeven te doen voor nieuwe producten. Beide hebben nog het vijlenkappen geleerd, maar daarna een technische opleiding gevolgd. Hun uitvindersgeest voert hen spoedig naar producten als de naadloze buis. Uit de simpele vijlensmederij groeit een groot en internationaal bekend bedrijf.

Vijlenkapmachine gebouwd door de Firma Schmidt in Solingen in 1920. De machine kan maximaal 100 slagen per minuut maken terwijl de ‘blanken’ onder de bijtel doorschuift.

De firma DICK’sen Feilen-, Stahlwaren und Werkzeugfabrieken in Esslingen groeit uit tot de grootste vijlenfabriek van Duitsland.

De komst van de fabrieken is het begin van het einde van de zelfstandigheid van de vijlenkappers, die uiteindelijk voor de keus staan werkloos worden of in loondienst in de fabriek te gaan werken. Technische verbeteringen kunnen meerdere arbeidsgangen betreffen, maar ook een enkele productiestap. Ook nadat de blanken machinaal worden gesmeed, is het handmatig kappen nog onontbeerlijk. Tegen de dreigende economische en sociale neergang sluiten de vijlenkappers in Remscheid zich aaneen. Deze vereniging maakt nu deel uit van de plaatselijke afdeling van de IG Metall. Ook de fabrikanten verenigen zich. De belangentegenstelling tussen vijlenkappers en fabrikanten leidt tot grote arbeidsconflicten. De tragiek is dat deze conflicten de invoering en verdere ontwikkeling van vijlenkapmachines bevordert. De fabrikanten willen onafhankelijk worden van het weten en kunnen van de vijlenkappers. In 1862 wordt in Frankrijk en machine ontwikkeld die het vijlenkappen mechaniseert. De Engelsen komen in 1892 met een verbeterde en goed bruikbare vijlenkapmachine, die de weg voor grootschalige industriële vijlenproductie opent. Na 1900 komt de machinaal gemaakte vijl steeds meer in trek en loopt het tijdperk van de handkapper ten einde. Aan de vijlenkapmachines worden ook vrouwen ingezet.

Watson & Zoons

Georg Henry Watson, afkomstig uit Sheffield, start in 1840 met S.B. Hartogh Heys in Delft de stoomvijlenfabriek Watson, Hartogh Heys & Co. Watson is van beroep ‘File Manufacturer’, terwijl over Hartog Heys het adresboek van Delft laat weten dat hij vijlenkapper is en gevestigd ‘nevens de gasfabriek’. Het bedrijf gaat in 1846 ook smeedwerk verrichten en wordt in 1850 uitgebreid met een ijzergieterij, waarna een start wordt gemaakt met de fabricage van kachels. Watson, die medio jaren veertig de vennootschap verlaat, vestigt zich in 1848 in Rotterdam, waar hij twee jaar later een vijlenfabriek en slijperij begint aan het Zwaanshals. Hij levert desgewenst ook smeedwerk en handelt in slijpstenen. Het gaat goed met het bedrijf, zodat al in 1854 moet worden uitgebreid naar de andere zijde van het Zwaanshals. Watson beheerst al snel de markt en heeft grote vaste klanten, zoals Van Vlissingen en Dudok van Heel in Amsterdam, Beijnes in Haarlem en diverse scheepswerven en machinefabrieken in de Maasstad. Er worden in die tijd rond 600 vijlen per week gemaakt. Georg Watson overlijdt in 1870 en aangezien hij geen volwassen kinderen heeft wordt de leiding over het bedrijf overgenomen door zijn broer William Watson. In 1888 heeft het bedrijf 40 werklieden in dienst, waarvan 9 jonger dan achttien jaar. De werkdag is 11 uur, waarmee het bedrijf niet afwijkt van wat in die tijd gebruikelijk is. Door mechanisatie en de aanschaf van een stoommachine stijgt rond 1900 de productie naar 2400 stuks.

Tot de ‘zware jongens’ onder de vijlen mag deze armvijl wel worden gerekend. De vijl is met een lengte van 81,5 cm flink aan de maat. Hij is gemaakt voor zware bewerkingen in de scheepsbouw. Het Rotterdamse stadsmuseum kreeg in de jaren tach-tig van de vorige eeuw door bemiddeling van oud-personeelsleden voorwerpen en documenten ter beschikking waaronder deze armvijl. Het getuigt van de bijzonder producten die Watson kon maken

Tegen het einde van de negentiende eeuw maken de ijzer- en metaalbewerkers in Rotterdam schoorvoetend een aanvang met organisatie. In 1895 of 1896 komt er ook een vijlenkappersvereniging tot stand, onder de zinspreuk ‘Werken om te leven’. Tot secretaris wordt gekozen A. Eringaard. De vereniging sluit zich aan bij het Nationaal Arbeid-Secretariaat (NAS) en de Rotterdamsche Bestuurdersbond (RBB). Naast Watson bestaat er in Rotterdam nog een vijlenkappersbedrijf, de firma Kerkhoven & Vonk aan de Van Reijnstraat. Het laat zich niet vaststellen bij welke van die twee bedrijven Eringaard in dienst is of dat hij werkt als zelfstandig vijlenkapper. In die tijd heeft ook menige machinefabriek waar veel vijlen en raspen worden versleten zelf een vijlenkapper in dienst voor het herstelwerk. Dus is het ook nog mogelijk dat hij bij een ander metaalbedrijf werkt. Gelet op het vrijmoedige optreden van Eringaard bij de staking van de vijlenkappers kan vermoed worden dat hij niet bij Kerkhoven & Vonk in dienst is. De aanleiding voor de staking, die begin november 1896 uitbreekt, is het ontslag van de machinist van Kerkhoven & Vonk. ‘Werken om te leven’ eist in een petitie, ondertekent door 20 vijlenkappers werkzaam bij Watson en dertien in dienst van Kerkhoven & Vonk, dat hij weer in dienst moet worden genomen. Als het bedrijf dat weigert gaan 25 vijlenkappers bij Kerkhoven & Vonk in staking. Kort nadat de staking is uitgebroken bieden vier vijlenkappers zich weer bij het bedrijf aan. Drie van de vier worden daadwerkelijk teruggenomen, maar het is slechts een intermezzo, want na korte tijd gaan deze drie vijlenkappers opnieuw in staking en de vijlenslijper gaat nu ook mee. De RBB stelt een bemiddelingscommissie samen, waarvan naast RBB-voorzitter Th. de Rot, ook Eringaard deel uitmaakt. Het bedrijf laat weten dat ze het een mooi gebaar vindt van de RBB, maar er niet op in zal gaan. Opnieuw wordt een commissie gevormd nu met als opdracht een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de staking. Aan de heer Struve, Inspecteur van de Arbeid in Zuid-Holland wordt gevraagd het voorzitterschap op zich te nemen. Hij aanvaard dat op persoonlijke titel. De commissie van onderzoek komt tot de conclusie dat het ontslag van de machinist niet onrechtmatig is, maar dat het bedrijf wel beter met zijn personeel moet overleggen. Kerkhoven & Vonk pikken de suggestie om met hun personeel het gesprek aan te gaan niet op en de staking suddert voort. Eringaard vraagt begin 1897 nogmaals per brief aan de directie van het bedrijf om uitvoering te geven aan de suggestie om in gesprek te gaan met hun personeel. Het gebeurt niet en na bijna vier maanden moet de staking zonder succes worden opgeheven. De teleurstellende afloop van de actie betekent het einde van ‘Werken om te leven’. Vermoedelijk is de vereniging eerst na 1898 opgeheven want Eringaard is in dat jaar namens de vijlenkappers gast op het congres van de Algemene Nederlandsche Metaalbewerkersbond (ANMB).

Voor het transport van het gereed product naar de klant beschikte Watson over een eigen wagenpark. Zo te zien is het gewicht van de kist met vijlen die geladen wordt aan de zware kant. De expeditie van Watson aan de Uitweg in Hillegersberg in 1925.

Op 23 juni 1902 wordt er ten tweede male een vijlenkappersvereniging opgericht met als voorzitter M. Bonheur en secretaris W.J. Vermeulen. Beide worden al spoedig vervangen door Eringaard en J. Hulstkamp. Bij oprichting telt de bond 40 leden. De twee vijlenkappersbedrijven die Rotterdam rijk is zijn weliswaar concurrenten, maar houden ook elkaars hand vast als het gaat om aannemen van personeel. Ze hanteren een zwarte lijst en een werknemer die bij het ene bedrijf zijn congé heeft gekregen komt er bij de ander niet in. Oprichting van de nieuwe vijlenkappersvereniging heeft als achtergrond de dreiging dat beide bedrijven het voornemen hebben de standaardlonen te verlagen. De nieuwe vijlenkappersvereniging heeft meteen succes want het plan tot loonsverlaging verdwijnt in de ijskast. In 1905 fuseert de vijlenkappersvereniging met de plaatselijke metaalbewerkersvereniging ‘Vooruit’ en de Vereniging van Koper- en Blikbewerkers tot één metaalbewerkersvereniging die zich vervolgens op 1 november 1905 aansluit bij de ANMB. Eringaard wordt tweede voorzitter van het bestuur van de ANMB-afdeling Rotterdam. De vijlenkappers hebben daarna geen afzonderlijke organisatie meer gekend. Hoe groot het aandeel van de vijlenkappers aanvankelijk is in de nieuw opgerichte ANMB-afdeling blijkt uit het aantal van in totaal 138 leden op 1 januari 1906. Eringaard is ook anderszins actief in de arbeidersbeweging. Zo is hij voorzitter van het Bureau van Arbeidsrecht, waarbij in 1906 42 werknemersverenigingen zijn aangesloten en penningmeester van een NAS-fonds om stakingen financieel te ondersteunen. Hij maakt zich in 1907 andermaal verdienstelijk door, samen met mede-ANMB-bestuurslid P. v.d. Velde, bij de werf Rijkee & Co. een loonsverhoging te regelen voor de klinkers, waarmee hij een dreigende staking voorkomt. Eind 1907 stopt hij als voorzitter van het Bureau van Arbeidsrecht en ook als afdelingsbestuurder van de ANMB. We kennen de reden van zijn opstappen niet, daar kunnen we dus alleen maar naar gissen. Op 1 juli 1905 is het NVV opgericht en zou met haar werkzaamheden op 1 januari 1906 van start gaan. In april 1906 houdt de ANMB haar jaarlijks congres. Op de agenda onder meer de vraag of er moet worden aangesloten bij de nieuwe vakcentrale. Een omstreden zaak, want het hele bondsbestuur is tegen. Het congres verwerpt het voorstel tot aansluiting. Het daarna gehouden ledenreferendum besluit echter om wel aan te sluiten bij het NVV. We zagen al dat Eringaard actief is voor het NAS en mogelijk daarom tegen aansluiting bij het NVV is gekant. Als die aansluiting in 1907 toch tot stand komt zou dat voor hem reden hebben kunnen zijn om als bestuurder te stoppen. Hoe het ook zij we vernemen verder niets meer van hem.

Op initiatief van George Henri Watson jr. verandert de firma Watson in 1903 in een N.V. Naast Watson als meerderheidsaandeelhouder komen er enkele kleine aandeelhouders bij. Deze transformatie wordt gevolgd door aanschaf van vijlenkapmachines. Gaandeweg verdringt Watson alle ambachtelijke vijlenkappers in Nederland en de groei maakt uitbreiding noodzakelijk. In 1917 verhuist het bedrijf naar een nieuwgebouwde fabriek aan de Uitweg in Hillegersberg. In 1922 richt een grote brand veel schade aan, maar die komt men al snel te boven. In de jaren twintig verwerft de Rotterdamse onderneming R.S. Stokvis & Zonen een belang in het bedrijf van Watson. Stokvis is een in 1840 gestichte handelsonderneming gevestigd aan de Westzeedijk te Rotterdam. Stokvis handelt in tal van artikelen, van bloembollen tot walvisbaarden, maar ook levensmiddelen en vanaf eind negentiende eeuw ook gereedschappen en metaalwaren. Stokvis heeft reeds de beschikking over de merknaam Sandford en dat wordt nu de handelsnaam voor de vijlen van Watson. Het netwerk van Stokvis, met twaalf filialen in Nederland, zorgt voor een groeiende afzet van de vijlenfabriek. In 1940 neemt J.R. Watson als derde generatie de leiding van het bedrijf op zich. In de eerste oorlogsjaren kan er worden doorgewerkt, maar in 1944 moet het bedrijf worden stilgelegd. Na de bevrijding wordt met nieuwe machines en technieken de draad weer opgepakt. In de wederopbouw van ons land is er grote behoefte aan gereedschap. Het productieniveau ligt al spoedig op 15.000 vijlen per week, die overal in Nederland gretig aftrek vinden. Die goede afzet heeft niet alleen te maken met de kwaliteit van de vijlen, maar ook met het feit dat Watson nog de enige vijlenproducent in ons land is. Naast vijlen worden er ook stansmessen, messen voor tabakskerverijen en drukkerijen en blikscharen gemaakt. De slijperij functioneert onafhankelijk van de kapperij. In meerdere opzichten is Watson een familiebedrijf. Niet alleen wordt de directie gevoerd door drie generaties Watson, maar ook onder de werknemers zijn er vele opvolgende generaties in dienst van het bedrijf. De verhoudingen in het bedrijf zijn gemoedelijk en de ANMB constateert in de Metaalkoerier in 1951, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de onderneming, dat voor de Tweede Wereldoorlog best wat aan te merken was op de arbeidsverhouding, maar dat deze nu de toets der kritiek kan doorstaan. Gewezen wordt op het in 1949 opgerichte sociaalfonds en op de winstdelingsregeling. De bond bezet alle drie de zetels in de fabriekskern die behoorlijke actief is en een groot vertrouwen onder het personeel heeft. Het aantal werknemers is gegroeid tot honderd en de organisatiegraad is met 95% erg hoog.

Enkele van de vele etiketten die in de jaren vijftig van de vorige eeuw in gebruik zijn om soort en kwaliteit van de vijlen in voorraad te kunnen onderscheiden. De maten zijn in inches en de aantallen gaan in halve of hele dozijnen.

Elk van de vijlenkappersbedrijven hanteert zijn eigen maten en kwaliteitsnormen, maar in 1947 komen ze in de Verenigde Staten tot normalisatie. Watson geeft blijk een goed marktgevoel te hebben en volgt al snel dit voorbeeld. In 1954 toont het Amerikaanse Nicholson File belangstelling voor de Rotterdamse vijlenfabriek en nog voor het einde van het jaar zijn de Amerikanen eigenaar en maakt Watson deel uit van een gereedschappenmultinational. De overname is een grote verrassing voor het personeel, die pas op de hoogte worden gesteld als de overname een feit is. In 1957 wordt de naam gewijzigd in Nicholson File Nederland N.V. en verdwijnt Watson als bedrijfsnaam. In ’s-Hertogenbosch wordt een nieuwe fabriek gebouwd die in 1959 in gebruik wordt genomen. Dat ook gemeenten kunnen concurreren bij het aantrekken van bedrijven blijkt uit het feit dat de bouw van de nieuwe fabriek betaald wordt door de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Nicholson File betaalt dat terug in dertig jaar door middel van een huurkoopovereenkomst. Door een nieuwe naam en een nieuwe vestigingsplaats is Rotterdam na ruim honderd jaar een uniek bedrijf armer. Vanuit Den Bosch worden vijlen geproduceerd vooral voor landen in de EG, Afrika en het Midden-Oosten. Nicholson File wordt op zijn beurt in 1972 overgenomen door Cooper Industries, die het bedrijf als een welkome aanvulling ziet op hun reeds uitgebreide bezit van gereedschapsfabrieken. Een vijlenproducent ontbrak er nog aan. Cooper heeft zijn gereedschapsbedrijven samengevoegd onder de naam Cooper Tools en die een joint venture aan laten gaan met Danaher’s Tools, zodat Nicholson File nu onder de vlag van Apex Tool Group vaart. Het bedrijf in ’s-Hertogenbosch, dat in 1959 geldt als de modernste vijlenfabriek ter wereld bestaat echter niet meer. Op de Beurs Karwei in Utrecht begin 1977 demonstreert een oude vijlenkapper uit de Verenigde Staten hoe het handkappen in zijn werk ging. Hij is een van de nog slechts drie handvijlenkappers in de wereld. De vijlenkapper is een museumstuk geworden.

Dik Nas/Elahuizen,

Maart 2017

Geraadpleegde literatuur en bronnen

Archief van G. Watson’s en Zoon’s Vijlenfabriek en Slijperij N.V. in: Stadsarchief Rotterdam.

G. van der Houven, Een halve eeuw. Gedenkboek van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond 1886-1936 (Amsterdam 1936);
Metaalkoerier
(10 maart 1951);
J. Wacht, Heet voor de vuren. Een halve eeuw ontvoogdingsstrijd der Rotterdamse metaalbewerkers (Rotterdam 1954);
E. Fischer (red.) Venter, fabriqueur, fabrikant: joodse ondernemers en ondernemingen in Nederland (Amsterdam 1994);
H. Schneider, ‘Die Gaben des Prometheus. Technik in antiken Mittelmeerraum, zwischen 750 v.Chr. und 500 n. Chr.’ in: D. Hageman en H. Schneider, Propyläen Technik Geschichte 1. Landbau und Handwerk, 750 v.Chr. – 1000 n. Chr. (Berlijn 1997);
W.J. Diederichs en J. Manchen, Werkzeug. Mensch. Geschichte. Führer durch das Deutsche Werkzeugmuseum Remscheid (Remscheid 2000);
M.Schrover, ‘Potverkopers, vijlenkappers, winkeliers en stukadoors. Nichevorming onder Duitse migranten in de negentiende eeuwse stad Utrecht’ in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 26e jrg. No. 4 (2000); www.rotterdaminkaart.nl N.V. Watson’s & Zoon’s;
D. Nas, IJzer. De geschiedenis van een machtig materiaal (Soesterberg 2015);
www.kb.nl/delpher/kranten;

Herkomst afbeeldingen:
Propyläen Technik Geschichte 1, p. 425;
Propyläen Technik Geschichte 2, p. 15;
Deutsche Werkzeugmuseum Remscheid;
Baronas;
Collectie Rotterdam stad in kaart;
brochure Watson ca. 1950;