Het geheugen van de vakbeweging

Gaston Tessier (1887-1960), de eerste secretaris-generaal van de christelijke beambten-internationale

Internationale samenwerking voor een betere positie van beambten in de moderne economie

“Bescherming beambten tegen overdreven hardheid van het kapitalisme en vernielende utopieën van het socialisme”

In september 1921 werd het Internationaal Verbond van Christelijke Organisaties van Beambten opgericht. Vertegenwoordigers van de vijf nationale bonden uit België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk stonden aan de wieg van dit verbond. Feitelijk was het vooralsnog een Europese aangelegenheid. De toekomstige secretaris-generaal Gaston Tessier (Frankrijk) sprak bij de oprichting onder meer de volgende woorden:

“…Het is onze taak, de moderne karakteristieken van het beambtenberoep te verzekeren; het belang hiervan in nationale en internationale economie te onderstrepen; bestendig bekommerd om de belangen van elk land, dienen wij op grond van talrijke beschouwingen technische, wetgevende en sociale aard, maar vooral aangespoord door een verheven gevoelen broederschap, een reële en breed verantwoorde verstandhouding te verwezenlijken. Op deze zedelijke grondregel van rechtvaardigheid en liefde een wederzijds discrete en daadwerkelijk hulpbetoon vestigen, dat onze organisaties zal helpen om beambten tegenover de overdreven hardheid van het kapitalisme en de vernielende utopieën van het socialisme te beschermen, een doelstelling, die wij na rijpe bezinning geestdriftig nastreven”.

De Duitser Max Habermann werd de eerste voorzitter en de Nederlander M. Nauta de eerste penningmeester.

1921 tot 1939

Geert Wagenaer, auteur van dit artikel

De Christelijke Internationale van Beambten maakte een snelle groei door. In 1932 waren vijftien organisaties aangesloten. Naast die uit eerder genoemde landen waren de nieuwe organisaties gevestigd in Finland, Hongarije, Polen, Spanje, Tsjecho-Slowakije en Zwitserland. In de eerste tien jaren van zijn bestaan hield het Beambtenverbond naast het oprichtingscongres nog drie congressen in Luzern, Amsterdam en München, waar een reeks studies, die doorgaans waren gebaseerd op onderzoeken, aan de orde waren. Ze waren voornamelijk bestemd als documentatie voor de aangesloten organisaties, ter ondersteuning van activiteiten in eigen land. De meest markante studies waren: “de arbeidsduur en zondagsrust voor beambten”; “de werkloosheid bij de beambten”; “de bijzondere sociale instellingen voor beambten”; “de voorwaarden om een beambtenbetrekking te kunnen aanvaarden”; “de vakverenigingpolitiek betreffende beambtensalarissen”; “de nadelen bij invoering van kantoormachines” en “de bescherming van de gesalarieerde uitvinder”.

Vanaf 1926 pleitte de christelijke beambten-internationale voor de instelling bij het Internationale Arbeids Bureau te Geneve een apart orgaan belast met de studie van de bijzondere problemen der beambten teneinde hen volledig de internationale arbeids-reglementering te laten genieten. In 1929 kon aan het congres in München worden gemeld dat het Internationaal Arbeids Bureau (IAB) had besloten een permanente commissie voor beambten op te richten. Deze commissie kwam in april 1931 en maart 1933 bijeen. Drie vertegenwoordigers van de Christelijke Internationale van Beambten namen actief deel aan de werkzaamheden van de commissie.

Vanaf 1927 was het Verbond geregeld vertegenwoordigd in diverse nationale afvaardigingen van vakorganisaties uit verschillende landen die aan de jaarlijkse vergaderingen van het IAB deelnamen. Tijdens het congres van mei 1934 in Parijs werd het Verbond zwaar getroffen. De Duitse organisatie was door het naziregime ontbonden en kon niet deelnemen aan dit congres. Wel waren er negen nieuwe organisaties vertegenwoordigd uit Canada, Chili, Brazilië, Joegoslavië, Letland, Mexico, Roemenië, Scandinavië en IJsland. Daarmee werden de  Europese grenzen overschreden en was de Christelijke vakinternationale daardoor een effectieve internationaal verbond geworden. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren echter de meeste propagandamogelijkheden afgebroken.

Vóór de droeve congresmaand van september 1939 werden nog twee congressen gehouden: in 1936 in Karlsbad en in 1938 in Antwerpen. Deze congressen behandelden: “Het juridisch statuut van de handelsvertegenwoordigers en handelsreizigers”; “De arbeidsvoorwaarden van de beambten”; “De positie van de oudere beambten”; “De toestand der technici”; “De hygiëne in kantoor en magazijn”; “Het juridisch statuut van de werkmeesters” en “De collectieve overeenkomsten voor de bedienden”.
Veel aangesloten organisaties moesten zich bij het congres van 1939 helaas verontschuldigen. De Beambteninternationale was nog wel vertegenwoordigd in de vergaderingen van 1935, 1936 en 1938 van de Consultatieve Commissie voor Beambten van het IAB te Geneve. Het internationaal verbond werd genoodzaakt zijn werkzaamheden vanaf september 1939 tot het einde van WOII op te schorten.

1945 tot 1960

Vanaf september / oktober 1945 was er in Brussel weer contact tussen de vertegenwoordigers van de christelijke vakorganisaties voor beambten uit België, Frankrijk, Nederland en Zwitserland. Daardoor was het mogelijk het VIIIe congres (in mei 1946 te Luxemburg) voor te bereiden. Op dit congres werd het startsein gegeven voor de naoorlogse activiteiten van het Internationaal Verbond. Ook werd de 25e verjaardag van de oprichting herdacht. België, Frankrijk en Nederland leverden de voorzitter, secretaris-generaal en penningmeester.

Het congres boog zich over het samenstellen van de bestuursorganen en het opstellen van nieuwe statuten. Het behandelde voorts een verslag over: “Het belang van de beambte in de produktie als gevolg van de economische ontwikkeling” en een verslag over: “De noodzaak van nu en voor de toekomst van specifieke groeperingen voor bedienden, technici en meesterschapspersoneel”.

In juli 1949 werd het IXe Verbondscongres in  Straatsburg gehouden. Daar werden twee technische verslagen in studie genomen:

  1. “De beroeps- en opleidingsoriëntatie der beambten in verband in verband met het probleem der volledige tewerkstelling” (H.J. Vermeulen-Ned.) en
  2. “Het belang van de taak van de bedienden, de technici en het kaderpersoneelvoor een doelmatige vertegenwoordiging van de werknemers op conomisch vlak” (J.Tessier-Fr.).

In de eerste vergadering van de heropgerichte Consultatieve Commissie voor Beambten en Intellectuele Werknemers werd stelling genomen ten aanzien van het probleem van “Arbeidstijd en rusttijden in kantoor en magazijnen. De Verbondsvertegenwoordigers konden ‘zeer doelmatig’ aan de discussies deelnemen.

Begin 1950 werd de Nederlander J. de Wit (HKW) voorzitter van het Verbond. Hij vervulde die functie tot juli 1959, de maand van zijn overlijden. Het Xe congres in Innsbruck bracht een nieuwe – nog – langere naam: Internationaal Verbond van Christelijke Organisaties van Bedienden, Technici, Werkmeesters, Hoger Personeel en Vertegenwoordigers (I.V.C.O.B.T.W.Hp.V). De Duitse benaming was aanzienlijk korter: Internationales Bund Christlicher Angestelten-Verbande. Er kwamen verder de navolgende onderwerpen aan de orde: ”De organisatiemodaliteiten voor ingenieurs en kaderpersoneel in het kader van de christelijke vakbeweging”, “Het belang van de taak der bedienden, technici en kaderpersoneel voor de produktiviteitsstijging”en “De actualiteitsproblemen die de handelsvertegenwoordiger en de handelsreiziger aanbelangen”.

Het verbond kende als interne organisatie een Congres, een Bestuursraad en een Bestuur. De samenstellende delen van de Europese Organisatie zijn: de Europese Raad, het Europees Comité en de Beroepssecties.

De Beroepssecties werden gevormd door vertegenwoordigers in relatie tot de bedrijfstakken waarin ze werkzaam waren. De naam lijkt echter de lading niet te dekken. Die had vooral betrekking op het beroep dat men uitoefende.

In de bestuursvergaderingen van 1953 en 1954 werd: “De werkloosheid van de beambten” en “De beambte in de moderne economie” besproken. J. Bruck uit België werd de nieuwe secretaris-generaal. “Werkloosheid bij beambten en gesalarieerde intellectuele werknemers” kwam ook aan de orde in de derde zitting van het Consultatieve Commissie van het IAB.

Op het XIe congres in 1955 te Geneve werden onder meer de onderwerpen behandeld: “De spreiding en de verkorting van de wekelijkse arbeidsduur” en “Het organisatiebesef bij ingenieurs en kaderpersoneel”. Op de bestuursvergadering van 1956 in Amsterdam kwam onder meer aan de orde: “De beambten in de privésector en de automatie” en in 1957: “De jongere beambten en de beroepsorganisatie” en “De produktiviteit bij kantoorarbeid”. Op het congres van 1958 in De Haan-aan-Zee (België) stonden de Europese gemeenschappen en instellingen centraal door twee referaten. Dat van de Belg C. Josz handelde over: “De Europese  gemeenschappen en de opdracht van de vakbeweging”. “De Gemeenschappelijke Markt, Euratom en de hoofdarbeiders” was van Wil Albeda, toen medewerker van het CNV, later minister van Sociale Zaken. Tijdens dit congres werd ook de oprichting van een regionale Europese organisatie van het Verbond voorbereid.

In 1959 kwam zowel het bestuur als de Europese Raad van het Verbond bijeen. Het bestuur beraadslaagde over: “De plaats en de taak van de bediende, de technicus en het kader-personeel in de economische democratie”. De Europese Raad bestudeerde “De harmonie der sociale stelsels in de Europese Economische Gemeenschap”. In de “Beambtencommissie” van het I.A.B. kwam: “De wekelijkse rusttijd in de handel en op de kantoren” aan de orde en werd tot een algemene studie besloten over de problemen der hoofdarbeiders.

In september 1960 hield het Verbond een buitengewoon congres in Straatsburg om de statuten van het Verbond te wijzigen en die van de Europese Raad vast te stellen. Voor het eerst na WOII werd weer een Duitser tot voorzitter van het Verbond gekozen en een Fransman tot voorzitter van de Europese Raad. In februari 1961 heeft het Verbond een Europees secretariaat in België geïnstalleerd. De voorlopers van de Dienstenbond CNV en De Unie hebben samen met de Belgische zusterorganisaties een belangrijke rol gespeeld bij de 40-jarige ontwikkeling van het internationaal verbond.

Geert Wagenaer

Haarlem, september 2015

 

Geraadpleegde literatuur

Geschiedenis, program, organisatie”- Internationaal Verbond van Christelijke Organisaties van Bedienden, Technici, Werkmeesters, Hoger Personeel en Vertegenwoordigers. Inhoud: I. korte historische schets; II. beginselen e doelstellingen; III. interne organisatie; de statuten van het Verbond; statuten van de Europese Organisatie; lijst van besluiten, wensen en moties (1946-1960); samenstelling Uitvoerend Bureau (Bestuur-1960).

Bedienden in Beweging”. Een geschiedenis van de Landelijke Bedienden Centrale 1890-1960 (Peter Vanhooren-1985)