Het geheugen van de vakbeweging

Beknopte geschiedenis van 150 jaar vakbeweging

In de 19-de eeuw richtten arbeiders de eerste vakbonden op om hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen. Dit was bittere noodzaak. Nu, ruim honderd jaar later, zijn die vakbonden nog steeds nodig. Een geschiedenis in vogelvlucht.

Het hoofdkantoor van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, de eerste 'moderne bond'Het hoofdkantoor van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, de eerste ‘moderne bond’

Het ontstaan van vakbonden kan niet los gezien worden van de industriële revolutie (mechanisering), die massa-arbeid in fabrieken en werkplaatsen tot gevolg had. Arbeiders werden gedwongen tot onmenselijke lange werktijden. De grote tegenstellingen in de maatschappij en materiële nood onder de arbeidersbevolking groeiden. Bij werkloosheid, ziekte en ouderdom liepen zij ondraaglijke risico’s.
De eerste vormen van samenwerking zijn ontstaan met het oprichten van ziekte- en werkloosheidskassen. Een vorm van onderlinge solidariteit om de ergste nood bij ziekte en werkloosheid op te vangen. Uitkeringen van overheidswege bestonden er immers niet.
De oprichting van plaatselijke vakbonden maakte arbeiders bewust van hun afhankelijkheid van de werkgevers en de kracht van gezamenlijk optreden. Het leverde een eerste tegenkracht op voor afspraken over het loon. Het samen optrekken van arbeiders leidde tot meer onderlinge solidariteit. De plaatselijke bonden verenigden zich in plaatselijke samenwerkingsverbanden als de Sociaal Democratische Bond (SDB). Eind 19-de eeuw werden landelijke vakbonden opgericht om de belangenbehartiging onder vakgenoten beter te organiseren. De typografen waren in 1866 de eersten.
Binnen de vakbeweging ontstonden al gauw twee belangrijke stromingen aan de linkerkant: een socialistische en een anarchistische. De socialisten wilden door politieke druk een betere wetgeving voor de arbeiders tot stand brengen. Rechtsbescherming, sociale wetten en kiesrecht waren enkele van de belangrijke actiepunten. Zij wilden het privé-eigendom van productiemiddelen afschaffen – de oorzaak van de grote maatschappelijke ongelijkheid – zodat de grote maatschappelijke ongelijkheid zou verdwijnen.
De anarchistische organisaties verwachtten niet dat de overheid de positie van werknemers zou verbeteren. Zij waren tegen centraal geleide organisaties, tegen betaalde bestuurders en zagen meer in de spontane acties door de arbeiders zelf. Volledige vrijheid zonder dwang of regels zouden mensen pas werkelijk gelukkig maken. In 1893 richtten zij het de eerste Nederlandse vakcentrale het Nationaal Arbeiders Secretariaat (NAS) op.
In 1894 wordt de eerste moderne socialistische bond opgericht door een fusie van vier bonden die een succesvolle staking voor loonsverhoging hadden gewonnen: de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (ANDB). De ANDB heeft als eerste bond de kenmerken zoals we die op dit moment nog kennen binnen de FNV: een eigen blad, wekelijkse contributiebetaling, opbouwen van stakingskassen, een eigen kantoor, vrijgestelde (bezoldigde) bestuurders in dienst van bond en scholing van de leden. Ook kwamen er fondsen voor uitkering bij ziekte of overlijden. Hierdoor ontstond een bond die onafhankelijk was van de werkgevers.
De socialistische bonden kregen van katholieke en protestantse kant sterke tegenwind. Paus Leo XIII schreef in 1891 de encycliek Rerum Novarum. Hierin veroordeelde hij de ideeën van socialisten en anarchisten. Katholieke arbeiders werd verboden lid te worden van socialistische of anarchistische bonden. Ook de afschaffing van het privé-eigendom van productiemiddelen kon niet door de rooms-katholieke beugel. De paus pleitte voor samenwerking in eigen kring tussen werkgevers en arbeiders. In protestantse kring dacht men min of meer hetzelfde. Voor de katholieke en protestantse arbeiders werden in die tijd verenigingen opgericht waar arbeiders en werkgevers lid van waren.
In het begin van de 19-de eeuw weigerden de werkgeversvereniging in de haven van Amsterdam vakorganisaties te erkennen. De directie van Blaauwhoedenveem had zelfs de arbeiders verboden lid te worden van een vakbond. In 1903 besloot vakbond de Federatie het lidmaatschap in de haven voor arbeiders verplicht te stellen en verbood georganiseerde arbeiders samen te werken met ongeorganiseerden. De arbeiders bij de firma Müller gaven daarom geen goederen mee aan de arbeiders van Blaauwhoedenveem en werden vervolgens ontslagen. Daarop ging het gehele personeel bij Müller in staking. De staking breidde zich al snel uit over de gehele haven en ook het spoor sloot zich erbij aan. Na enkele dagen capituleerde de spoorwegdirectie: het personeel behoefde niet voor besmette vemen te rangeren (erkenning van de bond bij het spoor), de ontslagenen werden weer in dienst genomen en het loon over de stakingsdagen werd uitbetaald. De solidariteit voor erkenning van vakbonden had een klinkende overwinning behaald.
Dan komt het kabinet van Abraham Kuyper komt met drie wetten die het onder andere voor ambtenaren en spoorwegpersoneel strafbaar stellen om te staken. Deze worgwetten (stakingsverbod voor ambtenaren) worden door de kamer aangenomen. Een tweede spoorwegstaking in april tegen de regeringsplannen wordt door regering en werkgevers met militair geweld beëindigd.
In 1906 bundelden een aantal vakbonden hun krachten in het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). In 1909 volgde het Rooms-Katholiek Werklieden Verbond (RKWV). Samen fuseerden zij in 1979 in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).
Na de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) heerste er in Europa een revolutionaire sfeer. In 1918 leidde dat in Nederland tot een oproep tot revolutie van Troelstra, voorman van de SDAP (na 1945 PvdA). In Nederland heeft dat niet tot overname van de macht geleid, maar de angst bij rechts Nederland zat er wel in. Mede hierdoor zijn door rechtse kabinetten de rechten van arbeiders in de daaropvolgende jaren uitgebreid. De achturendag (zes dagen per week) voor industriële bedrijven werd ingevoerd. Door het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht kregen arbeiders een stem. Door de gelijksschakeling van het bijzonder (christelijk) en openbaar onderwijs kregen arbeiderskinderen de mogelijkheid onderwijs te gaan volgen.

De samenwerking van verschillende landelijke bonden in het NVV leverde grotere stakingskassen op en een grotere organisatiekracht. Het aantal (langdurige) stakingen groeide. Er is langdurig en massaal gestaakt bij de Landarbeidersbond in Oost-Groningen, in de venen in het Noorden van Nederland, in de textiel in Twente, enzovoort. Het bewustzijn van eigen kracht van arbeiders groeide.
In 1929 stortten wereldwijd de aandelenbeurzen in (Beurskrach). Dit leidde ook in Nederland tot massawerkloosheid. In nauwe samenwerking tussen NVV en de SDAP (voorganger van de PvdA) werd het Plan van de Arbeid (1935) geschreven: uitvoeren van openbare werken tegen normale lonen (werkgelegenheid) om de koopkracht te bevorderen. De regeringen-Colijn weigerden echter te investeren en de werkloosheid bleef dus hoog, hoger ook dan in de andere Europese landen.
Na de Tweede Wereldoorlog stelde het NVV voor om een grote vakcentrale te vormen, los van elke godsdienstige of politieke binding, om de belangen van de werknemers te bundelen. De katholieke en protestantse vakcentrales wezen dit voorstel af. De samenwerking tussen de vakcentrales bleef beperkt gedurende de wederopbouw van Nederland. Tussen vakbonden, werkgevers en kabinet werden afspraken gemaakt: de overlegeconomie. Het poldermodel kwam tot stand. Het NVV was vertegenwoordigd in de Stichting van de Arbeid (overleg met werkgevers) en de Sociaal Economische Raad; er werden afspraken gemaakt over de wederopbouw. De naoorlogse kabinetten stonden tot 1959 onder leiding van Drees (PvdA). Belangrijke verbeteringen kwamen tot stand door invoering van het staatspensioen (AOW) en andere sociale voorzieningen, beperkte zeggenschap via de ondernemingsraden, enzovoort. De werknemers kregen via de vakbonden echter geen invloed op de bedrijfsvoering. Er kwam een geleide loonpolitiek: geen vrije onderhandelingen over de cao dus.
In de jaren zestig werd de geleide loonpolitiek afgeschaft. Wel bleef de overheid via wettelijke maatregelen de mogelijkheid tot ingrijpen in de lonen opeisen.
In 1976 werd de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) opgericht door een fusie tussen de twee grootste vakcentrales: NVV en NKV. Ook de socialistische en katholieke bonden van beide vakcentrale fuseren.
In de jaren zestig en zeventig werd voor hele bedrijfstakken de internationale concurrentie voelbaar. Er werd gereorganiseerd ten koste van veel banen in de scheepsbouw. In de textiel- en kledingindustrie werd de werkgelegenheid verplaatst naar Noord Afrika (lage lonen). De eerste grote bedrijfsbezetting bij Enka in Breda (1968, nu AKZO) tegen de sluiting van het bedrijf omdat elders meer winst gemaakt kon worden, werd een feit. Het progressieve kabinet-Den Uyl (1973 – 1977) wist slechts een van zijn vier hervormingsvoorstellen tot een goed einde te brengen: de ondernemingsraad werd een werknemersaangelegenheid. De werkgever was niet meer automatisch voorzitter van de ondernemingsraad.
De daarop volgende kabinetten in de jaren tachtig en negentig voerden een strikt bezuinigingsbeleid. Er werd flink gesnoeid in de sociale zekerheid. De ‘markt’ moest meer ruimte krijgen door privatisering van overheidsdiensten als het openbaar vervoer, post, telefoon, enzovoort. Tevens werden de gevolgen van de mondialisering van de economie duidelijk: verplaatsing van bedrijven naar het buitenland.

De aanbesteding van overheidsactiviteiten had verslechtering van de arbeidsomstandigheden (ontslag, ‘rondje rond de kerk’, verslechtering van de roosters, enzovoort) tot gevolg. Ontwikkelingen die tot de dag van vandaag voortduren.
Ruim 100 jaar na de oprichting van het NVV zijn veel zaken belangrijk verbeterd. Maar de besluiten over verkoop/fusies van bedrijven, verplaatsing van bedrijven, reorganisaties, overwerk, ontslagen, enzovoort worden uiteindelijke nog steeds in directiekamers genomen. Ook over de hoge salarissen en bonussen van directieleden wordt in achterkamers besloten. Verbeteringen – hoe belangrijk ook – veranderen weinig aan de afhankelijke en kwetsbare positie van de meeste werknemers. Voor werkelijke verbetering van de positie van de werknemers zijn sterke bonden noodzakelijk en een actieve inzet van de leden. Ook nu nog zijn lidmaatschap en actieve inzet nog steeds noodzakelijk.
Ed van Eijbergen
September 2007