Het geheugen van de vakbeweging

Bart van Pelt, markant vakbondsbestuurder in Tilburgse textielindustrie

Vrome katholiek in sociaaldemocratisch omgeving

Bart van Pelt ( (1889-1958)

Jarenlang heeft Bart van Pelt een grote rol gespeeld in de Tilburgse vakbeweging. Opgegroeid in een katholiek gezin kiest hij uiteindelijk voor de NVV-bond voor textielarbeiders. Maar behoudt lange tijd zijn katholieke geloof, totdat hij in 1918 naar aanleiding van de ‘revolutiepoging van Troelstra’ bij de biecht ‘het schuifke’ krijgt. Dik Nas verdiepte zich in zijn kleurrijke levensverhaal.

Norbertus Joannes (Bart) van Pelt, bestuurder van de Algemene Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven ‘De Eendracht’, geboren te Tilburg op 24 februari 1889 en overleden te Amsterdam op 22 december 1958. Hij was de zoon van Adrianus Gregorius van Pelt, thuiswever en Helena van Abeelen. Op 17 januari 1917 treedt hij in het huwelijk met Petronella Elisabeth (Lies) van Gastel, met wie hij twee dochters kreeg. Na haar overlijden op 25 juni 1955 hertrouwt hij met Wilhelmina (Mien) van Ginkel. Pseudoniem: Brabander.

Bart van Pelt te midden van collega’s op de Waaijenberg te Epe, het conferentie- en scholingsoord van de ABTK ‘De Eendracht’, ca. 1955. V.l.n.r. Cees de Hay, alge­meen secretaris Algemene Nederlandse Metaalbewer­kersbond (ANMB), Theo de Jong, voorzitter ABTK ‘De Eendracht’, Bart van Pelt, Jan Fahner, algemeen secre­taris ABTK ‘De Eendracht’ en mevrouw Fahner.

Thuiswevers

Van Pelt is de oudste zoon in een vroom Rooms-Katholiek gezin met zes kinderen, die woont in de Tilburgse buurtschap Hasselt. Zijn moeder is een dochter van een keuterboer en zijn vader is een wever, die stamt uit een familie van thuiswevers. Bij de grootouders van Bart staan vier handgetouwen in een nauwe ruimte waar ook gegeten, geslapen en gewoond moet worden. Eind negentiende eeuw betrekken de thuiswevers het garen (ketting en inslag) van de fabriek, terwijl de geweven stukken daar weer naar terug moeten worden gebracht. Meestal een taak voor de vrouwen, die ook moeten zorgdragen voor het garenspoelen. Op dagen dat het regent moet de nat geworden ketting, die met lijm is bestreken, boven de kachel worden gedroogd. Het zorgt voor een onbeschrijfelijke stank in huis. De leefomstandigheden van de thuiswevers zijn vaak erbarmelijk. Grootvader Van Pelt wordt slechts vijftig jaar oud. De vader van Bart geeft op enig moment het thuis weven op en wordt baas van de appreteerafdeling bij de firma E. Elias.

Bart gaat in Tilburg ‘bij de Fraters’ naar school. Buiten schooltijd moet hij in het bos houtsprokkelen of dennennaalden bijeengaren. Het hout is voor in de kachel en de dennennaalden dienen als strooisel in het hok van de geit, het schaap of het varken. Na zijn Eerste Communie zit zijn schooltijd erop en gaat hij, net als zijn vader, werken bij de firma E. Elias. Voor een ‘gewone werkweek’ van 69 uur (13 uur per dag, minus 1½ uur schaft) verdient hij een gulden. Om de andere dag moet er tot middernacht worden overgewerkt. Voor de overuren krijgt hij drie cent per uur betaald. Voor een werkweek van 84 uur krijgt hij derhalve fl. 1,45.

Van Pelt heeft al op jeugdige leeftijd een sterk ontwikkelt rechtvaardigheidsgevoel. Als in 1902 een vrouw die colporteert met de Vrije Socialist door de jeugd met drek wordt gegooid en uitgejouwd, vraagt hij de frater van de zondagsschool wat die daarvan vindt. De frater antwoord: “dan moet deze vrouw hier maar wegblijven”. Het is voor de jonge Bart aanleiding om de zondagsschool te verlaten en enige tijd van zijn zakgeld een exemplaar van het blad te kopen bij de colporteerster. In 1905 sluit hij zich aan bij het interconfessionele Unitas, waarvoor hij actief is als bode-propagandist. Begin 1908 woont Van Pelt een debatavond bij georganiseerd door Unitas. Gedebatteerd wordt er over de vraag ‘Kan een katholiek socialist zijn’ door A. Mensink van Unitas en A.F. Muller propagandist van SDAP en NVV in Noord-Brabant. De argumenten van Muller overtuigen Van Pelt en nog diezelfde avond besluit hij zijn lidmaatschap van Unitas te beëindigen en zich aan te sluiten bij de Algemeene Nederlandsche Bond van Textielarbeiders (ANBT) ‘De Eendracht’. Hij wordt in het afdelingsbestuur gekozen en raakt in zijn omgeving al snel bekend als een ‘rooie’. In zijn ouderlijkhuis leidt dat, met name bij zijn moeder, tot de nodige spanningen. In 1908 breekt er een staking uit bij de Wed. De Beer. Alle leden van ‘De Eendracht’ worden ontslagen en moeten voor werk uitwijken naar Duitsland en België. De afdeling Tilburg van ‘De Eendracht’ moet worden opgeheven, omdat alle leden onder druk van de fabrikanten en de clerus voor het lidmaatschap hebben bedankt. In 1914 is er sprake van een heroprichting. Van Pelt wordt voorzitter van de afdeling Tilburg-Goirle van de ANBT ‘De Eendracht’ en schrijft in het vakblad van de bond over de arbeidsomstandigheden bij de firma Elias. Als hij bovendien in november 1915 gaat colporteren met een brochure aan de poort van het bedrijf wordt hij ontslagen. Hij komt op ‘de zwarte lijst’ en kan nog slechts in een ander deel van de stad werk vinden. Van de in 1913 opgerichte Tilburgse Bestuurdersbond, met een gezamenlijk ledental van circa 200 spoormannen, sigarenmakers en textielarbeiders, wordt Van Pelt secretaris. In datzelfde jaar wordt hij ook lid van de SDAP waar hij vooralsnog alleen de vergaderingen bezoekt, waaronder de debatbijeenkomsten met de priesters J. v.d. Brink en H.J. van Vorst, die in die tijd volle zalen trekken.

Eerste cao Tilburgse textielindustrie

In 1917 treedt hij in het huwelijk met Lies van Gastel een dochter van een spoorwegman. Omdat ze katholiek wensen te blijven, trouwen ze voor de kerk en zullen ze ook hun twee dochters laten dopen.

De staking en uitsluiting van 1917, waarvan de aanleiding een lange voorgeschiedenis kent, is cruciaal voor de Tilburgse arbeidsverhoudingen. Na een duur van zes weken wordt de eerste collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor de textielindustrie in Tilburg overeengekomen. In de considerans is opgenomen, dat de Vereeniging van Tilburgsche Fabrikanten van Wollen Stoffen, de Nederlandsche Roomsch-Katholieke Textielarbeidersbond “St. Lambertus” en de Algemeene Nederlandsche Textielarbeidersbond ‘De Eendracht’, als partners een contract aangaan, waar de individuele bedrijven niet in ongunstige zin voor de werknemers van mogen afwijken. De goede samenwerking tussen de katholieke en de socialistische bond heeft zeker bijgedragen aan het succes. De samenwerking is echter van korte duur. De ‘vergissing’ van Troelstra in 1918 is voor de clerus aanleiding katholieken te verbieden om lid te zijn van een socialistische organisatie. Het echtpaar Van Pelt vertelt eerlijk, tijdens de biecht, dat ze lid zijn van ‘verboden’ organisaties. Ze krijgen ‘het schuifke’, zoals dat in katholieke kringen zo fraai wordt genoemd. Van Pelt en zijn vrouw zijn nooit meer naar de kerk gegaan om te biechten. Bij hun overlijden zijn hen de heilige sacramenten onthouden.

Zijn standvastige optreden, in het voor de ‘De Eendracht’ zo moeilijke, door de katholieke gedomineerde, werkgebied is de leiding van de bond niet ontgaan. Na het vervullen van zijn dienstplicht als landstormman treedt Van Pelt in 1918 in dienst van de bond als bestuurder-propagandist met als standplaats Tilburg. Als vakbondsman is Van Pelt bedachtzaam. Hij weet dat ‘De Eendracht’, als kleine organisatie naast St. Lambertus, nooit alleen kan opereren in het overleg met de bedrijven. Hij zoekt de strijd niet op, maar gaat het als het nodig is ook niet uit de weg. Door zijn bedachtzaam optreden ziet ‘De Eendracht’ kans om zich blijvend in Tilburg te vestigen. Een voorname taak is te zorgen dat de bond groeit in ledental. Van Pelt gaat regelmatig op de fiets op propagandatocht in de rond Tilburg liggende dorpen. Op zaterdagavond colporteert hij met De Eendracht in Goirle. Meestal verkoopt hij er zo’n vijftien a zestien krantjes. Op een avond ziet hij takkenbossen op de weg liggen. Het blijkt een hinderlaag te zijn van waarachter met stenen op hem wordt gegooid. Hij weet snel weg te komen, zodat hij er zonder kleerscheuren vanaf komt. De volgende zaterdag colporteert hij weer in Goirle.

Sociaaldemocratisch gemeenteraadslid

In 1919 verovert de SDAP in de gemeenteraad van Tilburg zeven zetels. Het is voor het eerst dat de sociaaldemocraten in de raad van Tilburg zijn vertegenwoordigd. Van Pelt is een van de zeven nieuwe sociaaldemocratische gemeenteraadsleden. Hij zal dat blijven, met een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog, tot 1956. Vanaf 1931 is hij fractievoorzitter.

In 1923 wordt Van Pelt lid van het Burgerlijk Armbestuur. Zijn komst is voor de voorzitter en vier leden van het bestuur, die niet in een bestuur wensen te zitten met een socialist, reden om op te stappen. Door taai volhouden weet hij met enkele medestanders de minimale uitkeringen te verhogen. Zijn grootste tegenstanders zijn de ‘renteniers’ onder de bestuursleden. In de ruim vijfentwintig jaar dat Van Pelt zitting heeft in het Armbestuur heeft hij velen een helpende hand kunnen toesteken. Voor alles is hij een man die zonder aanzien des persoons mensen wil helpen. Jan Coolen, lid van de ANBT ‘De Eendracht’ vanaf 1916 en stakingsleider in de textielstakingen van 1917 en 1935 omschrijft hem als volgt: ‘… een goeie vent, vooral menselijk goed. Hij stond voor iedereen klaar. Het maakte hem niets uit of je nou socialist was of katholiek.’

De staking in de Tilburgse textielindustrie die in 1935 uitbreekt uit protest tegen de aangekondigde loonsverlaging en zes weken duurt heeft niet het beoogde succes. Het is een ‘wilde’ staking en St. Lambertus en ‘De Eendracht’ houden zich buiten het conflict, hoewel hun leden meestaken en kaderleden met steunlijsten rondgaan. Voor Van Pelt is dit conflict een nachtmerrie, omdat hij, tegen zijn zin aan de kant moet blijven staan. Deze gedwongen afzijdigheid grijpt hem zo aan dat hij van narigheid vele kilo’s afvalt.

Joods onderduikadres

Over zijn handelen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog heeft Van Pelt nooit veel willen zeggen en dat gebrek aan mededeelzaamheid heeft hem bijna opgebroken. Als in 1945 een ‘noodraad’ in Tilburg wordt ingesteld wordt hij door R.K.-kiesmannen ervan beschuldigd naast H.J. Woudenberg, de door de Duitsers aangestelde commissaris voor het NVV, het woord te hebben gevoerd op een propagandabijeenkomst voor het oprichten van de nieuwe NVV-afdeling ‘Vreugde en Arbeid’. De beschuldiging is door een college onder leiding van professor Van de Ven onderzocht met als conclusie dat Van Pelt geen enkele blaam treft. Hij weigerde met de NSB samen te werken en na een aanvankelijke aarzeling, ‘je kunt de mensen met een uitkering toch niet in de steek laten’, nam hij begin 1941 ontslag uit de bondsdienst. Het huis van de Van Pelts diende als Joods onderduikadres; hij verrichtte regelmatig hand- en spandiensten voor mensen die in nood verkeerden en onderhield contacten met politieke- en bondsvrienden om na de oorlog het werk van de arbeidersbeweging weer op te kunnen pakken. De eerste naam die prijkt op het lijstje van her-oprichters van de Tilburgse ‘De Eendracht’ is die van Bart van Pelt. Op 13 november 1944 is zijn lidmaatschap herstelt en heeft hij zijn taak als bestuurder-propagandist weer opgepakt. Van Pelt zou zeker carrière in de bond hebben kunnen maken, maar de daarvoor noodzakelijke verhuizing naar Amsterdam stuit op onoverkomelijke bezwaren bij zijn vrouw. Later zal hij de Tilburger Theo de Jong, die in Bart van Pelt zijn voorbeeld zag, bij de bond promoten. De Jong komt in dienst van de ‘De Eendracht’ in de functie van penningmeester om enige jaren later tot voorzitter te worden gekozen.

Tegenslagen

In de laatste jaren van zijn leven krijgt Van Pelt nog de nodige tegenslagen te verwerken. In 1955 overlijdt vrij plotseling zijn vrouw. Hij heeft dit verdriet nog maar nauwelijks kunnen verwerken of de man die zich zijn hele leven voor de Tilburgers heeft ingezet ziet zich in het streven om wethouder te worden gedwarsboomd door de KVP. Van Pelt is zeer teleurgesteld, want het had de bekroning van al zijn werk moeten worden. In 1956 neemt hij afscheid van de gemeenteraad. Na in het huwelijk te zijn getreden met Mien van Ginkel, de weduwe van een goede vakbondsvriend, verhuist hij in 1957 naar Amsterdam. Evert Kupers, voorzitter van het NVV, vraagt Van Pelt om zijn levensverhaal op papier te zetten. Hij voldoet aan de vraag en schrijft vier schoolschriftjes vol met herinneringen aan zijn Brabantse tijd die hij op 13 december 1958 naar Kupers stuurt. Negen dagen later overlijdt hij aan een hersenbloeding.

Dik Nas    

augustus 2018

Publicaties

B. van Pelt, ‘Herinneringen uit Brabant van een socialist en vakbondsman’ in: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1980 (Nijmegen 1981) p. 194-225.

Geraadpleegde literatuur

G. Harmsen, J. Perry en F. van Gelder, Mensenwerk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid (Baarn 1980) p. 108;
G. Harmsen, ‘De herinneringen van Bart van Pelt’ in: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland 1980 (Nijmegen 1981) p. 190-193;
J. Varkevisser, Th.A.J. de Jong (Amsterdam 1984, ter inzage bij het IISG) p. 478, 488, 490;
A.J.M. Wagemakers, ‘Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving 1888-1919’in:  Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland LXXXIII (Tilburg 1990) p. 9, 141, 154, 155, 197-201, 205, 221, 224, 263, 265, 266, 268-282, 291, 296;
W. Staubach, Theo de Jong over de Tilburgse textielindustrie (Amsterdam 1993, niet gepubliceerd) p. 6-7;
H.J.M. van Doremalen, De handen ineen. Geschiedenis van 100 jaar vakbeweging in Tilburg (Tilburg 1996) p. 63, 77, 124;
A.J.M. Wagemakers, ‘Bart van Pelt (1889-1958). Vakbondsman in hart en nieren’ in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur XIV (Tilburg 1996) p. 87-90;
A.Th. de Jong, Eenzame strijd, Th.A.J. de Jong “Theo” – Tilburg *1913 Amsterdam †2002 (Doorwerth 2007; niet gepubliceerd) p. 63-65.