Het geheugen van de vakbeweging

Arbeidsomstandigheden bij het spoor rond 1900

Achtergronden van de Spoorwegstaking van 1903

Vanaf 1890 zijn er twee, elkaar beconcurrerende spoorwegbedrijven in Nederland: de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HSM) en de Maatschappij tot exploitatie van de Staatsspoorwegen (SS). De staat heeft veel bemoeienis met de spoorwegbedrijven, maar op het gebied van de arbeidsvoorwaarden van het personeel heeft de staat geen invloed. De liberale polticus Treub pleit ervoor om van de beide maatschappijen staatsbedrijven te maken. In 1898 spreekt hij profetische woorden. Treub voorspelt dat de concurrentie tussen de spoorwegbedrijven zal leiden tot loonstrijd tussen werkgevers en werknemers. De directies moeten trachten het loon als deel van de exploitatiekosten te drukken, terwijl de arbeiders zich hiertegen zullen verzetten.

Rond 1900 is de onvrede onder het spoorwegpersoneel groot. De lonen bij de spoorwegbedrijven zijn laag, de arbeidstijden lang, vrije tijd schaars (slechts één vrije zondag in de twee maanden) en de boetes veelvuldig. Komt een trein te laat dan volgt onherroepelijk een boete voor de machinist, terwijl ook materiële schade aan het personeel wordt doorberekend. Klagen over superieuren heeft weinig zin, want de klachten worden door de directe chef zelf in behandeling genomen.
Vakorganisatie komt moeizaam van de grond omdat de spoorwegdirecties de vakbonden niet als onderhandelingspartner erkennen. De bonden werken met geheime ledenlijsten om de georganiseerden te behoeden voor ontslag.

De staking van januari 1903

Op 26 januari 1903 breekt een staking uit in de Amsterdamse haven bij het Blauwhoedenveem. Onderkruipers nemen het werk van de stakers over. Uit solidariteit met de stakende arbeiders van het overslagbedrijf, weigert de HSM-rangeerder Dirk Vreeken op 29 januari 1903 een goederenwagon naar dat bedrijf te rangeren. Hij wordt geschorst en uit protest gaan alle collega’s van het rangeerterrein de Rietlanden in staking, evenals de arbeiders op het goederenstation Oostenburgergracht en het oostelijk deel van het Centraal Station. Het Centraal Station is per spoor onbereikbaar geworden. De werknemers van de Staatsspoorwegen sluiten zich aan bij hun collega’s van de HSM en over het hele land leggen spoorwegarbeiders het werk neer. Via pamfletten worden de stakers door de stakingsleiders geďnstrueerd.br> De directies van beide spoorwegmaatschappijen staan machteloos en vragen de regering om hulp. Maar zonder rijdende treinen is het vervoer van regeringstroepen naar Amsterdam onmogelijk. Even lijkt het erop dat de door Karl Marx voorspelde grote kladderadatsch is begonnen en dat de klassenstrijd definitief in het voordeel van de arbeiders beslecht zal worden.br> In de avond van 31 januari breekt er paniek uit in de gelederen van de spoorwegdirecties Om de opstand te bezweren, worden vrijwel alle eisen van de stakers ingewilligd. Alleen van de eis voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden willen de spoorwegdirecties niets weten. De stakers hebbenn tenslotte zelf aangegeven dat het om een solidariteitsstaking gaat. De vertegenwoordigers van de bonden, die vanaf nu wel serieus worden genomen als onderhandelingspartners, zwichten voor dit argument. De staking wordt opgeheven. De twee gestaakte dagen worden zelfs uitbetaald! De spoorwegarbeiders hebben een verpletterende overwinning behaald.

Het Comité van Verweer

Op 25 februari 1903 lanceert minister-president Kuyper in de Tweede Kamer zijn wetsvoorstellen waarin staken voor ambtenaren en spoorwegpersoneel strafbaar wordt gesteld.
De wetsvoorstellen komen niet uit de lucht vallen. Vooral in Amsterdam blijft de situatie grimmig na de algemene spoorwegstaking. De havenarbeiders staken gewoon door en ook de arbeiders in dienst van de gemeente worden steeds onrustiger. Gesterkt door het succes van hun collega’s bij het spoor, dreigen ze met stakingen voor betere arbeidsvoorwaarden. Terwijl ze nog in een overwinningsroes verkeren, gooien vakbondsleiders Jan Oudegeest en Fred Petter olie op het vuur. Ze dreigen met nieuwe spoorwegstakingen als er wetten komen, die het spoorwegbeambten verbieden te staken. De regering trekt hierop het verlof in van twee jaargangen militairen. Het leger wordt in staat van paraatheid gebracht om in geval van nieuwe ongeregeldheden, hard op te kunnen treden.
Op initiatief van Oudegeest komen op 20 februari 1903 bestuurders van verschillende socialistische arbeidersorganisaties bijeen in het ANDB-gebouw in Amsterdam. Besloten wordt een gezamenlijk Comité van Verweer op te richten dat moet proberen het aannemen van de ‘dwangwetten’ te voorkomen. Namens het comité spreken vooraanstaande socialisten op bijeenkomsten overal in het land, de persen draaien op volle toeren voor het drukken van agitatiemateriaal en in de Tweede Kamer spreekt Troelstra als Brugman om het parlement er toe te bewegen de wetsvoorstellen niet aan te nemen.
Van katholieke zijde wordt het Comité van Verweer bestreden door het in allerijl opgerichte Katholiek Comité van Actie, terwijl van protestant-christelijke zijde zowel de net opgerichte Bond van Orde, als de vakvereniging ‘Recht en Plicht’ het Comité in een zwart daglicht stellen.

De Staking van april 1903

Vooralsnog hopen de socialisten dat de liberalen in de Tweede Kamer het tij zullen keren. Deze hebben grote bezwaren tegen het strafbaar stellen van staken, vóórdat de spoorwegarbeiders een deugdelijke rechtspositie hebben. Kuyper ‘lijmt’ de liberalen door per Koninklijk Besluit een enquętecommissie aan te kondigen die de rechtspositieregeling binnen de spoorwegbedrijven onder de loep neemt. Hier nemen de liberalen genoegen mee en de wetten zijn niet meer tegen te houden.
De dag waarop de ‘dwangwetten’ ter goedkeuring aan de Tweede Kamer worden voorgelegd, roept het Comité van Verweer een spoorwegstaking uit. Gewapend met geheime instructies melden veertig ‘vertrouwensmannen’ van het Comité zich bij belangrijke knooppunten, om van daaruit de staking te leiden. Het wordt een compleet fiasco. De regering en de spoorwegdirecties hebben een uitgebreid pakket voorzorgsmaatregelen getroffen, waardoor een nooddienstregeling prima functioneert. Veel spoorwegarbeiders werken gewoon door, beschermd door militairen, terwijl de stakers zoveel mogelijk worden vervangen door ‘onderkruipers’.
De spoorwegdirecties geven stakende werknemers een paar uur de tijd zich bij de directe chef te melden, om ontslag te voorkomen. Velen gaan hier op in.
Ondanks het dramatische verloop van de spoorwegstaking, breken in Amsterdam spontaan solidariteitsstakingen uit. Om de controle over de staking niet geheel te verliezen, proclameert het Comité van Verweer voor donderdagochtend 8 April een algemene werkstaking. In Amsterdam leggen hierop ruim 25.000 man in allerlei bedrijfstakken het werk neer, maar ook hier hebben de voorzorgsmaatregelen van de burgemeester hun uitwerking. Alle overheidsbedrijven en -instellingen blijven functioneren.
Al snel wordt duidelijk dat ook de algemene staking tot mislukken gedoemd is. Om verder onheil te voorkomen, voelt het Comité zich gedwongen om een dag later de staking op te heffen.

De NVV

‘Mede-arbeiders! ’t is een eisch van goede krijgskunde te retireeren als dat moet. Het moet thans.’ Met deze woorden begint het pamflet waarmee het Comité van Verweer de stakingen afblaast. Dit manifest is evenals de andere manifesten van het Comité, geschreven door de SDAP-afgevaardigde Willem Vliegen. De woede en frustratie na de verloren staking richten zich vooral op hem, op Comité-voorzitter Oudegeest en op Troelstra, de partijleider van de sociaal-democraten. Onder aanvoering van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, beschuldigen de syndicalisten de sociaal-democraten van verraad. Als syndicalisten verwachten ze dat de door hen gewenste sociale omwenteling via een algemene staking moet worden verkregen. Volgens hen begon de solidariteitsstaking net op gang te komen en lag de overwinning in het verschiet op het moment dat de staking werd afgeblazen.
Tijdens twee nachtelijke vergaderingen van 11/12 en 12/13 april 1903 in het ANDB-gebouw, waarin het Comité van Verweer verantwoording wil afleggen voor haar daden, is in een grimmige sfeer voorgoed een bres geslagen tussen de syndicalisten en de zogenaamde ‘modernen’. Voor de laatsten is de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) hét voorbeeld van een goede vakbondsorganisatie. De bond heeft bezoldigde bestuurders onder leiding van een krachtige voorzitter en hoge contributies voor de leden en daardoor een goed gevulde stakingskas. Het stakingsmiddel alleen in laatste instantie toegepast.
Ook de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel (NV) wordt omgevormd tot een moderne bond. In 1906 richt ANDB-voorzitter Polak samen met zijn NV-collega Oudegeest het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV, voorloper van FNV) op. In korte tijd ontpoppen de aangesloten, modern georganiseerde bonden zich tot gesprekspartners waar de werkgevers niet omheen kunnen als er beslist wordt over arbeidsvoorwaarden.
Tien jaar na de oprichting van het NVV tekent Albert Hahn een prent waaronder hij tevreden schrijft: ‘Na tien jaar. Het anarchisme in de vakbeweging is morsdood.’