Het geheugen van de vakbeweging

Arbeidsmobiliteit en ontwikkeling van de vakbeweging rondom het Drielandenpunt

Verslag van de VHV-vriendenbijeenkomst van 27 oktober 2012

Globalisering lijkt een betrekkelijk nieuwe fenomeen. Tijdens de vriendenbijeenkomst van de VHV op 27 oktober j.l. in Maastricht bleek dat er 150 jaar geleden in deze grensstreek ook al sprake van was. De Werkgroep Limburg van de VHV presenteerde de ruim tachtig aanwezigen een perfect en divers beeld van grensoverschrijdende arbeid voor de Eerste Wereldoorlog en de gevolgen voor de vorming van arbeidersbewegingen in Limburg, Duitsland en Belgie.

Mijnwerkers gevraagd, strijd op de arbeidsmarkt in de grensstreekMijnwerkers gevraagd, strijd op de arbeidsmarkt in de grensstreek

Ad Knotter van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg  nam ons mee naar het einde van de negentiende en de eerste decennia van de twintigste eeuw in Zuid-Limburg.  Leen Roels van (Mijn Erfgoed) beschrijft de situatie van nijverheid en diverse groepen mijnwerkers/gastarbeiders en de immigratie- en pendelpatronen vanaf het einde van de 18e eeuw.En Willibrord Rutten vertelde over de spanningen op de arbeidsmarkt voor mijnwerkers na de Tweede Wereldoorlog. 
Knotter constateerde dat sinds 1870 een arbeidersbeweging op gang kwam, zowel van katholieke als van socialistische signatuur, die vanaf het einde van de negentiende eeuw ook onder de Zuid-Limburgse industriearbeiders invloed begon uit te oefenen. Na de Eerste Wereldoorlog kwam een einde aan dat fenomeen en  oriënteerde De Zuid-Limburgse arbeidersbeweging zich steeds meer op de landelijke katholieke of socialistische koepelorganisaties. Hij schetste de situatie in de oudste industrieplaats van Limburg, het grensstadje Vaals en de oudste fabrieksstad Maastricht.  werd het fenomeen toegelicht. De meest  bepalende industrietak voor Limburg was echter de mijnindustrie.

De steenkolenmijnbouw

De arbeidsmobiliteit tussen de steenkolenmijnen aan de Duitse en Nederlandse grens was in de negentiende eeuw groot. In 1912 trokken er 1100 mijnwerkers vanuit o.a. Kerkrade over de grens. Omgekeerd  was 18,6 procent van de werknemers van de Domaniale Mijn in de periode 1907-1912 in Duitsland geboren.  Tussen 1899 en 1925 werden in Limburg elf nieuwe steenkolenmijnen geopend waardoor de vraag mijn mijnarbeiders enorm groeide; van nauwelijks 600 in 1898 tot bijna 38.000 in 1930. Maar de zuigkracht van de Duitse arbeidsmarkt bleef bestaan waardoor er tekorten aan arbeiders ontstond en groeide de afhankelijkheid van arbeidsmigranten uit het buitenland. Het aantal buitenlandse werknemers in alle Limburgse mijnen nam toe van 429 in 1905 tot 2.500 in 1913; hun aandeel van 17 naar 24 procent. Het ging vooral om Duitsers, Slovenen, Polen en andere Oost-Europeanen, afkomstig uit het Ruhrgebied en uit het Akense mijndistrict. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam het aantal migranten af.

Katholieke en socialistische mijnwerkersbonden

In de mijnstreek is de vakbeweging ontstaan uit of in nauwe verbinding met arbeidersorganisaties van over de grens. Dat geldt zowel voor de katholieke als de socialistische. Er is een nauw verband met het grensoverschrijdende karakter van de arbeidsmarkt voor mijnwerkers tot aan de Eerste Wereldoorlog. In Kerkrade en omgeving was dit al heel lang het geval. Daar waren de mijnwerkers al aangesloten bij de Duitse interconfessionele bond voor er sprake was van een eigen Christelijke Mijnwerkers Bond in Limburg. Deze bond kwam tot stand onder invloed van uit Duitsland teruggekeerde mijnwerkers, vooral na de grote staking van 1905. De Limburgse mijnwerkersbond werd zelfs afdeling van de Duitse bond.
De eerste katholieke verenigingen van mijnwerkers die rond 1900  ontstonden, waren eerder verenigingen voor onderling hulpbetoon dan vakverenigingen. In 1907 werd de een ‘Algemeene Bond van Christelijke Mijnwerkers in Nederland’, kortweg Christelijke Mijnwerkers Bond (CMB) opgericht door Chr. Zielemans die in Duitsland al propagandist van de Christliche Gewerkvereind was geweest. Tussen 1907 en 1912 groeide het aantal leden van 969 tot 1.341, maar daalde daarna weer tot 500 in 1914. De band met de Duitse Gewerkverein werd in 1922 verbroken. Dat was nodig om gebruik te kunnen van het  Werkloosheidsbesluit 1917, dat voorzag in  een toeslag op de werkloosheidskassen van Nederlandse vakverenigingen. Daarmee was de nationalisering van de mijnwerkersvakbond een feit. In 1926 werd de interconfessionaliteit formeel verlaten en de naam gewijzigd in de Nederlandsche Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB). De NKMB sloot zich aan bij het in 1925 gestichte Roomsch Katholieke Werklieden Verbond (RKWV) als landelijk verbond van katholieke vakorganisaties.
Ook socialistisch mijnwerkersbond ontstond met de steun van Duitse zusterorganisaties o.a. van de collega’s in Aken en het NVV. In 1909 werd in Heerlen een Algemeene Nederlandsche Mijnwerkersbond (ANMB) opgericht, met voornamelijk uit ‘Holland’ afkomstige leden, die eerder in het Ruhrgebied in de mijnen hadden gewerkt. Het ledental groeide snel tot 700 in 1910, maar stagneerde daarna om tijdens de Eerste Wereldoorlog weer te groeien tot 3.209. Dat was meer dan dat van de christelijke bond, die toen, zoals gezegd, 1.656 leden had. De socialistische bond verloor tussen 1919 en 1933 terrein en toen daalde het percentage modern georganiseerden van bijna 40 tot iets meer dan 20 procent. Na 1926 wist de katholieke bond de ANMB definitief te overvleugelen: tussen 1926 en 1931 verdubbelde het aantal leden van de NKMB, terwijl dat van de ANMB met nog geen 50 procent steeg maar bij verkiezingen voor de zogenaamde fondscommissies van het Algemeen Mijnwerkers Fonds (AMF) bleek het ANMB, vooral onder  ongeorganiseerden over veel aanhang te beschikken.  Ook de katholieke mijnen hadden twijfel of zij de mijnwerkers blijvend aan zich zouden kunnen binden in deze ‘jaren van zware strijd’  waarbij velen zich afvroegen  ‘of ook in deze mijnstreek het christendom te gronde zou gaan’, zoals een van hen schreef. Er werden in alle afdelingen geestelijke adviseurs benoemd waarbij de bond ingeschakeld werd in de propaganda voor het geloof en tegen vrijdenkers, socialisten, neo-malthusianisme en al het andere waar de R.K. kerk  een bedreiging in zag. Knottter noemt dit een ‘confessionaliseringsoffensief’ waarbij de wens de eogen Limburgse kahtolieken sterk aan zich te binden in de strijd tegen de toch nog verrassend grote invloed van de socialistische bond in de eerste helft van de jaren 1920. ‘

Mijn-Erfgoed

Leen Roels beschrijft tijdens de middagbijeenkomst  de tewerkstelling van immigratie van arbeidskrachten in het Luikse bekken, eerste van het nabije platteland en later uit Vlaanderen. Anders dan in Nederlans waar sprake was van een conjunturele aanwezigheid was er daar sprake van een structurele aanwezigheid van buitenalnders en forensen in de steenkolenmijnen, de machinebouw (van Cockerill) en de wapeninsdustei FN. De grote vraag naar arbeidskrachten kan niet altijd worden opgevangen door de groei van de bevolking. Vaak verkiest de plaatselijke bevolking de metaal- en glasindustrie boven de gevaren en het ongezonde werk in de mijnen. In 1876 is 13,3% van de arbeiders in de Luikse mijnindurei van Vlaamse herkomst en 7,5% afkomstig uit buurlanden als Duitsland, Nederland en Luxemburg. De mobiliteit is in Belgie vergeleken met de buurlanden tegen het einde van de 20ste eeuw uitzondelijk hoog, bijvoorbeeld door de subsidieiring van treinabonnementem waardoor dagelijks of wekelijks kand worden gependeld. De kahtolieke overheid ziet daarin bovendien een middl de secularisaite onder de bevolking een halt toe te roep. taat . 9De ontwikkeling van centrale verwarming en goedkope kachtels zorgt voor meer vraag naar steeknkool. Pas na massale stakingen in 1886 wordt er werk gemaakt van beschermende arbeidswetvgeving zoals de vaststelling van een minimuloon en het terugdringen van de arbeidsduur. Ook wordt in 1911 de ondergrondse mijnarbeid voor vrouwen verboden. Mijn werkerslonen worden vanaf 1926 afhankelijk van de verkoopprijs van steenkool. Roels: “In goede tijden is dat een voordelig systeem voor de mijnwerkers maar in tijdens van een laagconjunctuur leidt dit tot een sterke daling van de nominale lonen in de steenkoolsector.’ Het is een van de redenen waarom in 1932 in alle Beglische bekkens gestaakt wordt tegen een poging van de werkgevers om de lonen te laten zakken. In Luik staken dan alle bijna 32.000 mijnwerkers een week. Pas de staking in 1935 – met de Antwerpse dokwerkers – heeft een groter succes o.a. een minumuloon, betaald verlof (6 vakantiedagen per jaar) en de invoering van de 40 –uren werkweek voor gevaarlijk en / of zware arbeid. Tijdens het interbellum stijgt ook het aantal Nederlandse arbeiders in de Luikse mijnen. Mte behulp vaak van illegale tonselaars wordt na de bevrijding gepoogd in Nederland personeel te werven; de hoge kinderbijslag is een troef voor velen van hen, samen met hde verlomogeliojkeid; in de jaren vijfti kent men er naast vakantiedagen tien betaalde feestdagen.
De stakingsgolven in de winter van 1960- 1961  en de daarbij gepaard gaande onrust en soms gewelddaden schrikt de Nederlansdeers af. De Lukkse mijnen schakelen over op armen uit Iatlie, Oost- europa, arm Spanje, arm Griekenland, arm Marokko en arm Turkije’. Tussen 1946 en 1949 bereiken 12.300 Italiaanse bijvoorbeeld de Lukkse mijn en in 1958 9s meer dan tweederde van de buitenlamndse arbeidskrachten van Italiaanse afkomst. Roels: ‘De laatste decennia is de rol van migranten essentieel voor de steenkoolnijverheid. In 1965 zinn er 68% vreemdelingen onder de Luikse mijnarbeiders. Als we enkele de odnergrondse werkers rekenen zelfs 81%.’

Durfarbeiders

Willibrord Rutten gaat dieper in op de Limburgse grensarbeiders, die na 1945 in de Luikse  kolenmijnen terecht kwamen. ‘Wallonië lijkt voor hen wel het beloofde land en vooral de trek uit Vaals naar België is opvallend,’ aldus Rutten. Volgens hem speelt de oprichting in 1944 van de Benelux daarbij een positieve rol omdat allerlei hindernissen werden weggenomen. Kinderbijslag, kraamgeld en pensioenuitkeringen konden worden rechtgetrokken. Rond 1953 wordt het hoogste aantal pendelaars uit Limburg gemeten, 4.000 mannen en vrouwen.  ‘Durfarbeiders’ worden ze wel genoemd omdat ze in zekere zin buitenbeentjes waren. Ze nemen meer risico dan anderen, zijn vaker politieke non-conformisten of mensen met ‘een vlekje’, afgedankt door de Nederlandse kolenmijnen. Rutten: ‘Ze willen hoe dan ook aan de werkloosheid in Limburg ontsnappen en dat leverde hen materieel ook wat op.’ Bovendien is de sfeer in Luik wat gemoedelijker, er is minder sociale controle en de arbeidersklasse is er strijdbaarder.
Daar staan wel risico’s tegenover zoals veel wilde stakingen, onveiligheid en lange reistijden. Bovendien wordt de werving van werknemers door ronselaars door de Limburgse mijnpolitie fel bestreden. Het motto in het blad De Mijnwerker luidt in die tijd:  ‘Werken in België, bezint, eer gij begint.’ (..)  ‘De ervaring leert dat men zich de grootst mogelijk moeilijkheden op de hals haalt.’ Dit tegenoffensief van de zijde van de mijndirecties, wereldlijke en geestelijke autoriteiten had rond 1953 succes toen het aantal grensarbeiders afnam.
Kees van Kortenhof