Het geheugen van de vakbeweging

Jacques Giele (1942-2012), circa 1968, sociaalhistoricus
Jacques Giele (1942-2012), circa 1968, sociaalhistoricus


Jacques Giele werpt nieuw licht

Arbeidersbestaan in de negentiende eeuw

Toen de nalatenschap van Jacques Giele in 2015 aan het Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis (IISG) werd overgedragen, bleek dat daarin twee interessante manuscripten waren te vinden. ‘Voor galg en rad’, een verhaal uit 1982, waarin de geschiedenis wordt verteld van de West Brabantse arbeidersnederzetting ’t Heike, sinds 1841 officieel St. Willebrord geheten. Een eeuw geleden was het daar op de onvruchtbare grond een armoedige bedoening. Veel mannen zochten daarom emplooi in het polderwerk of bij de aanleg van spoorwegen in andere delen van het land.

Giele had een speciale interesse voor het grondwerkersdorp, omdat onder zijn voorouders van moederskant gedurende enkele generaties polderjongens te vinden waren. Hij zou zijn boek Arbeidersleven in Nederland opdragen aan zijn grootvader Koos Elsakkers. Die kwam uit een familie van kleine boertjes en landarbeiders en begon in begin 1900 als ploegbaas in het grondwerk. In 1904 trouwde hij Koosje Verhagen, die uit een familie van polderwerkers kwam. Ze hielp haar tante bij de verzorging van polderjongens en Koos Elsakkers was bij die tante ingekwartierd.

Stationsemplacement

Opa Koos, die 86 jaar oud werd, vertelde zijn geïnteresseerde kleinzoon Jacques over het grondwerkersbestaan. In 1900 had hij dat beroep opgepakt. Hij woonde na zijn trouwen in 1904 in een keet op het stationsemplacement van Roosendaal. Daar werd in 1906 Jacques’ moeder geboren. In datzelfde jaar nog verhuisde het gezin naar een keet op het emplacement Hoge- en Lage Zwaluwe, waar Elsakkers als rangeerder werk kreeg. In 1909 raakte hij bij zijn werk bekneld tussen twee treinstellen en verloor een arm. Hij moest lang wachten voor hulp werd verleend en dat gebeurde ook nog eens op een zeer primitieve wijze. Dit tragische verhaal heeft op Jacques grote indruk gemaakt. Opa kreeg in dit manuscript een belangrijke rol.

In het tweede manuscript, dat de titel ‘Poldermans welvaren’ meekreeg, schetst Giele tot in details de samenleving, waarin zijn grootvader opgegroeide. Het was een wereld van honger, zwaar werk, zwerven en spontaan verzet. Omdat de officiële geschiedschrijving die kant van de samenleving lange tijd keurig had weten weg te poetsen, was het gegeven dat polderjongens en andere losse arbeiders met grote regelmaat het werk neerlegden in het vergeetboek geraakt.

Gieles jarenlange wetenschappelijke onderzoek naar het arbeidersbestaan in de negentiende eeuw zorgde er voor dat het manuscript een stevige historische basis kreeg. Dat was mede te danken aan de leden van de door hem in 1973 opgezette doctoraal onderzoeksgroep ‘Spontane stakingen in de negentiende eeuw’. Dit onderzoek kreeg geen afsluitende publicatie, maar het geromantiseerde ‘Poldermans welvaren’ laat zien dat de werkgroep belangrijk nieuw materiaal bijeen heeft gebracht. Het onderzoek leerde, dat twee categorieën losse arbeiders – grondwerkers en veenarbeiders – met grote regelmaat staakten èn daarvoor zelden werden vervolgd. Tot dan hadden sociaal historici maar aangenomen dat arbeiders in het eerste driekwart van de negentiende eeuw vanwege een wettelijk stakingsverbod het werk niet, of zelden neerlegden.

Omissie

Tekening van Janwillem van Vugt uit 1976, Sociaalhistorici onder wie Ger Harmsen (midden) en Frits de Jong Edz (rechts)

De historicus I.J. Brugmans constateerde in 1925 een opmerkelijke omissie in de vaderlandse geschiedschrijving. Volgens hem lag de tijd vóór 1870 ‘wat de arbeidende klasse betreft, nog in een diepe duisternis’. Met zijn baanbrekende boek De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw vulde hij een deel van die leemte. Dankzij historici als Frits de Jong Edz, Theo van Tijn en Ger Harmsen nam vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw de belangstelling voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging sterk toe. Maar die winst betrof bijna geheel de ontwikkeling van de organisatie van arbeiders. Toen Giele meer dan veertig jaar later met zijn onderzoek begon, gold nog steeds dat we van de vroeg negentiende-eeuwse arbeider weinig afwisten.

Giele verwoordde dat ook. Volgens hem hadden historici een groot deel van de sociale werkelijkheid van de eerste helft van de negentiende eeuw gemist, omdat ze geen aandacht hadden besteed aan het volk, de armoede en de zelfkant van de samenleving. Van bewustwording of georganiseerde activiteit was rond 1850 bij een groot deel van de arbeidende klasse geen sprake. ‘Versuft en apatisch leefden zij voort, in een hongerig en vreugdeloos bestaan, dat alleen door de prikkel van jenever nog enige kortstondige aantrekkelijkheid kon verkrijgen’, aldus Giele. Het was hoog tijd, dat er nieuw onderzoek kwam naar de structuur van de Nederlandse samenleving in de negentiende eeuw, de tegenstelling tussen bourgeoisie en arbeidersklasse, en de interne gelaagdheid binnen de klassen zelf.

Een belangrijk verschil tussen Giele en Brugmans was, dat de laatste zijn onderzoek beperkte tot de ‘echte’ arbeiders en werklieden. Hij schonk geen aandacht aan personen die – in zijn woorden – ‘door gebreken, onwil of onkunde niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen’. En dat betrof juist de onderste lagen van de samenleving: paupers en gedeclasseerden. Omdat de overgang tussen de verschillende sociale groepen aan de onderkant van de samenleving vloeiend was, en arbeiders vaak tijdelijk van een dergelijke groep deel uitmaakten, kregen ze van Giele wel een plaats in zijn onderzoek. Onder het kopje ‘Aan de zelfkant’ vindt men in het boek Arbeidersleven in Nederland dan ook een breed scala aan voorbeelden, van straatslijpers en zwervers tot en met werkloze arbeiders, weeskinderen en bewoners van achteraf-stegen.

Burgermanscultuur

Johan Frieswijk, auteur van dit artikel

Giele wees op een toen meer dan honderd jaar oude publicatie van Friedrich Engels, De toestand van de arbeidende klasse in Engeland. Volgens Engels had het industrieel kapitalisme daar een zo grote kloof tussen bourgeoisie en arbeidersklasse geslagen, dat men van twee volken kon spreken. Arbeiders spraken andere dialecten, hadden andere ideeën, andere zedelijke opvattingen, een ander soort godsdienst en andere politieke denkbeelden dan de bourgeoisie.

Giele schetste onze beschaving als een burgermanscultuur: ‘een cultuur van mensen met opgetrokken neuzen, vermanende vingertjes en veel capsones’. In het eerste Jaarboek arbeidersbeweging gaf hij een overzicht van het beeld van de arbeidersklasse in publicaties uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Jacques constateerde dat de door hem aangehaalde auteurs bijna allen uit hogere sociale groepen afkomstig waren, en meestal een negatief en oppervlakkig beeld van het arbeidersleven gaven. In de geschiedschrijving werd dat het beeld van de arbeider in de eerste helft van die eeuw.

Rond 1870 eeuw kwam daarin verandering. Met de opkomst van de arbeidersbeweging in Nederland nam het aantal egodocumenten van arbeiders toe. Daarin vond men voor het eerst een beeld hoe arbeiders hun bestaan zelf hadden ervaren en hoe ze daarin verandering wilden brengen.

In Arbeidersleven in Nederland bundelde Giele in1979 een aantal documenten, waarin arbeiders zelf vertelden over hun werk en hun leven. Hij deelde ze in naar het onderscheid in verschillende lagen, zoals die in zijn onderzoek naar de sociale structuur van de Nederlandse samenleving naar voren kwam. Het idee over het zelfbeeld van de arbeiders een boek te schrijven, kwam bij hem op tijdens het lezen van de brieven die de metaalbewerker Willem Ansing rond 1879 aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis schreef. Ansing gaf Domela, toen deze vragenlijsten rondstuurde over de toestand van de arbeiders een duidelijke waarschuwing mee: ‘De ellende van het volk kan men zich niet voorstellen, wanneer men er zelf niet mede leeft, wanneer men er zelf niet mede lijdt!’

De inleiding bij Arbeidersleven is een belangrijke theoretische bijdrage aan de geschiedschrijving van de arbeidende klasse. Giele deelde de opgenomen levensverhalen van arbeiders in naar de sociale laag waartoe ze behoorden, hun beroep en de aard van het werk. In zijn publicaties over de ontwikkeling van de socialistische beweging in het laatste kwart van de negentiende eeuw had hij al laten zien dat er een fundamenteel onderscheid bestond tussen enerzijds ambachtelijke werklieden en arbeiders in fabrieken en anderzijds die op het land. Dat onderscheid was volgens hem naar vorm en problematiek mede bepalend voor de ontwikkeling van de Nederlandse arbeidersbeweging gedurende haar eerste decennia.

Een kwaad leven

In aansluiting op Arbeidersleven zette Giele zich in 1981 aan een tweede grote bronnenpublicatie: de integrale uitgave van de arbeidsenquête uit 1887. Dit overheidsonderzoek betrof de arbeidsomstandigheden van met name vrouwen en kinderen. De commissieleden (afkomstig uit de Tweede Kamer) bleken soms volslagen verbijsterd door de ellende die ze hoorden vertellen. Vooral de situatie in de aardewerkfabriek van Regout in Maastricht wekte in den lande grote verontwaardiging op. Van de 146 getuigen en deskundigen die door de commissie werden gehoord, behoorde éénderde deel tot de arbeidende klasse. ‘Voor het eerst horen we ook hun verhaal en wordt de “andere” geschiedenis opgetekend. Het verhaal van leven en werken in Nederland, opgetekend uit de mond van mensen die tot op dat moment nooit aan het woord waren geweest: het ware verhaal over “een kwaad leven” in Nederland.’

Hoewel het onderzoek zich beperkte tot Amsterdam, Maastricht, Tilburg en de vlasindustrie, werd duidelijk dat de overheid niet langer om de wantoestanden heen kon. In 1889 werd de eerste van een lange reeks arbeidswetten aangenomen, bedoeld om enige bescherming te geven aan vrouwen en kinderen in fabrieken en werkplaatsen. Daarna volgden nieuwe staatsenquêtes, die het hele land omvatten. Voor historici, geïnteresseerd in het arbeidersbestaan en het arbeidersbewustzijn, kwam zo een stortvloed aan nieuw materiaal los.

Veenderijen

Veel aandacht besteedde de enquêtecommissie in 1891 bijvoorbeeld aan wantoestanden in de veenderijen in het noorden van het land. De grootscheepse stakingen in die bedrijfstak, waarbij de socialistische beweging een belangrijke rol speelde, zal daar niet vreemd aan zijn geweest.

In de bundel Arbeidersbestaan lees je veel nieuws. Als voorbeeld geldt het artikel over honger. Giele laat zien dat er een duidelijke tweedeling bestond tussen de wat meer welgestelden en wat de gewone man aan voedsel konden kopen. Honger voor velen en overvloed voor weinigen bestonden naast elkaar, en waren eeuwenlang het normale patroon. In Nederland kwamen met enige regelmaat hongeroproeren voor. Pas in de laatste zeventig jaar is de hele Nederlandse bevolking in staat zich naar behoefte te voeden. Voor het eerst in de wereldgeschiedenis.

Daarnaast laat de bundel zien, dat armenhuisbewoners, daklozen, gastarbeiders, trekarbeiders en zigeuners Gieles speciale aandacht trokken. Hij schreef over deze groepen artikelen voor een breed publiek, maar vol met gedetailleerde informatie. Trouwens: al het historisch werk van Giele getuigt van zijn brede belangstelling én van zijn grote kennis. Als historicus leverde hij met zijn onderzoek en zijn publicaties een belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving van het gewone volk en specifieke groepen daaruit. Hij heeft veel studenten enthousiast gemaakt voor het historisch onderzoek. En veel professionele en amateur-wetenschappers heeft hij beïnvloed. Ook deze bundel laat weer zien, dat de sociale geschiedenis van Nederland er zonder Jacques Giele beslist anders had uitgezien.

Johan Frieswijk
Rede uitgesproken op vrijdag 1 februari 2019 bij de presentatie van Jacques Giele, Arbeidersbestaan, Utrecht 2019, €17,50