Het geheugen van de vakbeweging

Scheepswerf ADM in Amsterdam-Noord, actie tegen de aangekondigde sluiting

In enkele decennia verdwenen grote gezichtsbepalende bedrijven

Amsterdam – een werelddorp, vanuit vakbondsperspectief beschouwd

Het laatste kwart van de vorige eeuw verandert het sociaaleconomisch landschap van Amsterdam volkomen. De rustige en overzichtelijke werkgelegenheid wordt door elkaar geschud en raakt zijn traditionele pijlers – de maakindustrie – kwijt. Het duurt tientallen jaren voordat de nieuwe contouren van Amsterdam met een volwassen Schiphol, een bijna exploderende toeristensector en nieuwe grote initiatieven in Noord duidelijk worden. Bondseconoom Piet Vos maakt zich in die jaren zeventig al zorgen of de vakbeweging met het tij mee weet te bewegen. Bert Breij beschrijft in deze bijdrage wat Amsterdam het laatste kwart van de vorige eeuw is overkomen en is er niet gerust op.

Weet hebben van het verleden als voorwaarde om vooruit te kijken. Ook om trots te kunnen zijn op de eigen geschiedenis waarin veel dankzij de vakbeweging is bereikt. Amsterdamse werkers, handwerkende vaklieden, meestal georganiseerd, hebben door hun inzet en strijd veel kunnen bereiken. Het leven van de vaders van die harde werkers uit de jaren zeventig en tachtig werd wreed verstoord door de Tweede Wereldoorlog. Zij belandden in een tijd van wederopbouw. De verzuilde samenleving werd langzaam opengebroken en de standenverschillen gesloopt. Toen hun grootouders nog heel jong waren en overgrootvaders al ouder, is de moderne vakbeweging ontstaan, en wel in Amsterdam, die grote stad (Mokum). In 2016 telde Amsterdam 838.338 inwoners; in 1899 waren dat er 510.900 en twintig jaar daarvoor, in 1879 nog maar 317.000. De toename in die twee decennia laat zien hoe de stad in korte tijd met nieuwkomers vol liep. De industriële revolutie had toegeslagen en problemen onder de boerenbevolking waren er mede debet aan.

Trefpunt wereldhandel

Bert Breij (links), auteur van dit artikel, hier bij de overhandiging van het eerste exemplaar van Twee miljoen leden, aan VHV-voorzitter Jaap van der Linden

Altijd – vanaf de 15e eeuw – was Amsterdam een trefpunt van wereldhandel en vele nationaliteiten. Een historisch en actueel werelddorp. Met stronteigenwijze mensen en eigenzinnige bestuurders en politici die Den Haag liever de les lezen dan andersom. Bakermat van het NVV, vooral ook omdat er voorlijke (Amsterdamse) diamantbewerkers waren en er een einde moest komen aan sociale wantoestanden en onrechtvaardigheden. Niet alleen op het werk, maar ook in de andere leefomstandigheden. Met naast de diamantbewerkers vooral ook andere vaklieden voorop. En, niet te vergeten: toen progressieve regenten (bang voor revolutie), religieuzen (bang voor ontkerkelijking), socialisten, werkgevers (‘met zieke werknemers is het moeilijk werken’) en artsen en onder hen ‘de hygiënisten’, die terecht doorhadden dat een betere hygiëne (riolering, frisse lucht en meer licht, gezuiverd water) de leef- en werkomstandigheden aanzienlijk konden verbeteren.

Rangen en standen

Amsterdam die grote stad, die is gebouwd op palen. En als die stad eens ommeviel, wie zou dat dan betalen? Een bekend versje over het oude netwerk van grachten, heren- en pakhuizen, oude kerken en smalle straatjes rond de Amstel en aan het IJ. Houten palen in zachte grond. Wat in dit versje vooral ook doorklinkt, is dat het om geld gaat. Dat geld was in ieder geval niet te halen bij de honderdduizenden ‘armelui’, onder wie veel werklui, die eind 19e eeuw in sloppen – vooral in de industriesteden als Amsterdam en Rotterdam, maar ook in Twente en Tilburg – woonden. In Amsterdam waren ze te zien: knechten, wasvrouwen, dienstboden, grondwerkers, sjouwers, dagloners, naaisters, straatventers en inzamelaars van lompen, botten en ander afval dat nog bruikbaar was*. Wie bijvoorbeeld in de later veel bezongen Jordaan kwam, zag een duidelijke segregatie tussen bevolkingsgroepen. Keurige (hoofd)straten met daarnaast de verpauperde stegen. Een stad vol grachten, grachten die geweldig konden stinken. Mijn grootvader van moeders kant, de familie kwam uit Hulst, was kleermaker. Hij groeide eind 19e eeuw net buiten de rand van de Jordaan op. Dat was in de Vinkenstraat, toen onbestraat, een verzamelplaats van bewoners van wie bijna vanzelfsprekend werd beweerd dat ze niet deugden, en die al gauw naar Veenhuizen voor heropvoeding werden verbannen. Je was in Amsterdam van hoge stand (‘verheven’), ‘den gegoeden burgerstand’ en ‘de kleine burgerklasse’ of van het proletariaat. Was je een duidelijke vakman (‘een meesterknecht’), dan dichtte je jezelf enige status toe en droeg je op zondag een keurig pak met hoed.

Beroerd leefklimaat

Er was ook die onhoudbare woon- en leefsituatie van de niet welgestelden. Armelui dus, vaak met grote gezinnen. Nogmaals: met ongezuiverd water en geen riolering. Geen elektriciteit, ziekten (tbc!) en vroege sterfte. Beroerde werkomstandigheden, met alleen op zondag vrij, als er dus al werk was en dat laatste was lang niet altijd het geval. Het verwende oog van de 21e -eeuwer kan zich er bijna geen voorstelling van maken. De wijk die bijzonder opviel was ‘de Jodenbuurt’, met straten en sloppen tussen het IJ en de Weesperstraat. Joden bepaalden een belangrijk deel van de sfeer in Amsterdam. Ze hebben altijd een grote betekenis voor de stad gehad. Een roerige stad, maar ook een stad waarin de culturele veranderingen in ons land vaak het eerste opkwamen. Wie naar bepaalde delen van Amsterdam keek, zag een zeer industriële stad, met uitermate veel handwerkers. Die handwerkers vormden later het grootste deel van de (strijdbare) vakbeweging.

Geboorte van de ‘moderne vakbeweging’

Vaandel ANDB (1894), eerste ‘moderne bond’

Amsterdam, de stad waar de ‘de moderne vakbeweging’ ontstond, die van ANDB (1894), de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond. De bond die in feite ook de grondslag vormde voor de oprichting van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in 1906. Het is oprichter en eerste voorzitter Henri Polak – van ANDB en NVV – die onder ‘modern’ een strak geleide bond verstond met vrijgestelde bestuurders en hoge contributies voor een goed gevulde stakingskas. Staken mag alleen als het niet anders kan en wanneer de vooruitzichten op een overwinning reëel zijn. Polak vreesde zonder strakke leiding chaos. Hij zag die wanorde bij het spoor. Dat werd gedomineerd door een rijke schakering van anarchistische, socialistische, confessionele en sectorale bonden.

Zestig jaar lang heeft het centralisme van Henri Polak (1868 – 1943) bij het NVV stand kunnen houden. Het toppunt van perfectie, dat wil zeggen van centralisme en opgelegde discipline, is bereikt in de jaren van de geleide loonpolitiek – de wil van de voorzitter van het NVV was wet. Als hij met kabinet en werkgevers op centraal niveau een afspraak maakt over de loonruimte van het komende jaar, dan is er niemand in heel vakbondsland die de euvele moed heeft dit dictaat naast zich neer te leggen. Aan die hegemonie komt pas een eind in de periode van 1959 tot 1963 als de geleide loonpolitiek voorzichtig wordt ingeruild voor een gedifferentieerde loonpolitiek.

Eigen kracht

Tien jaar na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog, tien jaar na de bevrijding, valt er heel veel te vieren. Op 31 maart 1955 gaan 4000 man trampersoneel in Amsterdam in staking voor verhoging van het loon. Dat is andere koek. Het is een wilde staking. Het personeel is ambtenaar en mag daarom bij wet niet staken. Hun werkgever, de burgemeester van Amsterdam, maakt dat extra duidelijk door in een brief te eisen dat ze weer aan het werk gaan. Anders volgt ontslag. De stakers laten zich niet intimideren en zetten door. De staking wordt pas na vijf dagen beëindigd. Er volgen geen ontslagen en wel de toezegging dat er opnieuw over de lonen onderhandeld zal worden. Het overheidspersoneel heeft de eigen kracht ontdekt.

Het roerige jaar 1966

Het is 1966. Een deel van de Amsterdamse bouwvakkers pikt het niet dat de vakbonden bij verzilvering van vakantiebonnen 2% administratiekosten inhouden bij niet-leden. Ze demonstreren. De autoriteiten gaan er – zacht uitgedrukt – erg onhandig mee om. De politie komt als instrument van orde en gezag in de weer. Al rap gaat het gerucht dat agenten een demonstrant hebben doodgemept. Maar het sectierapport stelt dat de 51-jarige metselaar Jan Weggelaar een ‘natuurlijke dood is gestorven’ als gevolg van een hartaanval. Woedende bouwvakkers geloven dat niet en trekken door de stad. In de ochtend van 17 juni bestormen ze ongehinderd het Telegraafgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal en vernietigen een deel van de oplage van de krant. Op het Damrak komt het tot een treffen met de politie. Er vallen schoten. Er worden 30 arrestaties verricht; er zijn 91 gewonden. Burgemeester Gijs van Hall vraagt de regering om politieversterking. Het geeft aan hoe hoog de emoties kunnen oplopen in de stad waar je in de jaren vijftig nog op zondag weinig mensen op de Dam ziet en winkels nog gesloten zijn. Een echte rustdag die het werelddorp Amsterdam, want zo mag je het internationaal vergeleken noemen, in ere houdt. Maar de geest is uit de fles. Maagdenhuisbezetting, Kabouters, Provo’s, krakers, acties rond de kroning van Beatrix en de voorgenomen komst van de eerste metrolijn onder de Nieuwmarktbuurt door. Amsterdam is ongekend in beweging maar – opvallend genoeg – de vakbeweging staat er naast.

 Late actie van de bonden

Toch legt wat er toen gebeurde de basis voor hoe daarna werknemers hun rechten gaan opeisen. Het is dankzij de jongerenorganisaties van de bonden dat er interesse en enige betrokkenheid wordt getoond met de krakers die in arbeiderskring ‘ongeregeld tuig’ worden genoemd. De term ‘alternatief’ is nog niet breed ingevoerd, de werkende klasse moet er in ieder geval weinig van hebben. Pas in de jaren zeventig komen de bonden echt in actie. Het draait om de arbeidsvoorwaarden en de medezeggenschap in de bedrijven.

Sociaaleconomische discussie- en strijdpunten vullen dagelijks de kranten en het nieuws. De belangrijkste landelijke kranten zijn in Amsterdam gevestigd. Er zijn verschillende dagelijks goed gevulde journalistencafés die ook goed bezocht worden door Amsterdamse en landelijke politici. Sociaaleconomische journalisten zetten de toon. De Volkskrant is een krant met een maatschappijvisie. Het Parool is vrij en onverveerd links, nog linkser dan het sociaaldemocratische Vrije Volk. Dagblad Trouw vermijdt al te overdreven behoudend protestants-christelijke visies. Huis-aan-huisbladen helpen (met informatie) het volk en niet de regerende elite. Amsterdam heeft haar eigen radio met onder meer Hanneke Groenteman. Kortom in de wereld van links en rechts toont Amsterdam zich links. En de Amsterdamse vakbeweging – vluchtwoord als je niet ‘links’ wilde noemen was progressief – doet daar zij het vertraagd van harte aan mee.

Een bijzondere rol speelt in die jaren de opgekomen vakbondsjournalistiek en vakbondsvoorlichters van de jaren zeventig. Deze generatie weet bij voortduring de aandacht op de stellingnames en acties van bonden te vestigen en geeft ze daarmee in de media een platform. In diezelfde jaren zeventig kent Amsterdam opnieuw een toestroom van immigranten. De stad breidt verder uit richting Zuid Oost (waaronder de Bijlmer), Nieuw West, Buitenveldert en verder naar het noorden. Het levert voor de bouw veel werk op.

Geen procenten, maar centen (1973)

In 1973 steekt er een storm op. Er wordt in het voorjaar in maar liefst 200 industriële bedrijven in het land gestaakt. Het z.g. harmoniemodel – samen overleggen – maakt plaats voor het conflictmodel (niet goedschiks dan kwaadschiks). Het woord polderen is nog niet of nauwelijks in zwang en wordt pas in de jaren tachtig gebruikt. De drie industriebonden – NVV, NKV en CNV – leggen door hen genoemde principiële eisen op tafel. Het gaat om matiging van de hogere inkomens ten gunste van de lagere. Een herverdeling dus met daarnaast de eis tot grotere openheid over de inkomens. De prijscompensatie is in beeld, het gaat erom dat werknemers met een hoger inkomen niet de volledige prijscompensatie moeten krijgen – ze krijgen een vast bedrag (centen) en boeten dus relatief in – en de laagst betaalden (procenten) groeien mee. In feite gaat het om de uitvoering van het Centraal Akkoord 1973. Dat is de overeenkomst tussen overheid, werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers om de hogere inkomens ten gunste van de lagere te matigen.

De werkgevers willen daar in de praktijk niet of nauwelijks aan en hebben er duidelijk narigheid voor over om hun hoger personeel te beschermen. Nivellering van inkomens, daar zijn ze mordicus tegen. Een eventueel politiek inkomensbeleid moet niet via de bandbreedte van arbeidsovereenkomsten gevoerd worden. Het gaat om maar liefst 580 CAO’s in de metaal- en elektro en de metaalnijverheid (klein metaal), chemische industrie, textielindustrie, enz. De werkgevers zijn dan nog lang niet zo sterk gedisciplineerd als nu het geval is. De grote acties van de industriebonden leiden ertoe dat er verschillende vormen van georganiseerde solidariteit in werkgeverskring ontstaan, zo ook om stakingen te kunnen breken en opgelopen schade onderling te kunnen verrekenen. Werkgevers die onder druk van de bonden overstag gaan, worden in eigen kring afgestraft. De acties – geen procenten maar centen – leiden tot de oprichting van de vakcentrale voor hoger personeel.

Politiek actief

In de Amsterdamse regio is er uitermate grote bereidheid bij de werknemers om samen met de industriebonden actie te voeren. De acties zijn duidelijk gepolitiseerd. Tussen de bonden en de politieke partijen vindt veelvuldig overleg en afstemming plaats. Toch worden ook de breuklijnen zichtbaar. De afstand tussen de toenmalige KVP (Katholieke Volks Partij), in 1980 opgegaan in het CDA, en het NKV, groeit. De verzuiling is nog voelbaar, maar loopt op haar laatste benen. Michel van der Plas schrijft De kerk loopt uit. De relatie CNV en CDA is nog het meest hecht. Toch geven de bonden – Bouw- en Houtbond NKV, Industriebond NVV, Vervoersbond NVV – ondanks die  groeiende afstand nog wel stemadviezen (‘Stem progressief!’). Ben je in Amsterdam professor, leraar of student en ben je niet progressief of links, dan wordt er vreemd naar je gekeken. De overwinningen van de progressieven in Amsterdam leggen een belangrijke landelijke basis voor de komst van het Kabinet-Den Uyl in 1973. De Industriebond NKV geeft ook een stemadvies: ‘Stem rood-rooms!’. De Industriebonden NVV, NKV en CNV zijn nog vrij jonge bonden. Ze zijn recent ontstaan uit fusies van al lang bestaande bonden. Landelijk gezien heeft de Industriebond NVV de meeste leden (195.365),de Industriebond NKV telt er 143.271 en de Industriebond CNV 62.000. De Industriebond NVV is bij de meeste CAO-onderhandelingen als grootste bond de eerste woordvoerder.

Samengaan bonden

Arie Groenevelt (links), Piet Spijkers (rechts), affiche oprichting Industriebond FNV

In 1973 is nog niet direct zichtbaar, ook niet in Amsterdam, dat de Industriebond NKV en de Industriebond NVV later samen de Industriebond FNV zullen vormen. Daarvoor is de gevoelsafstand tussen de voorzitter van de Industriebond NKV, Piet Brussel (bijgenaamd De Vos), en voorzitter Arie Groenevelt (Arie Bombarie) van de Industriebond NVV te groot. Het ziet er naar uit dat CNV en NVV beter bij elkaar passen, beide bonden zijn immers vrij calvinistisch en principieel van aard. NKV’ers daarentegen tonen zich meer vrij in de leer en meer zoals de PPR (Politieke Partij Radicalen).

De acties – in allerlei vormen – zijn in het land volop aan de gang, maar uitgerekend Amsterdam houdt zich gedeisd op 6 maart 1973. De oorzaak is dat de CPN het oneens is met de actiedoelstelling. Als blijkt dat elders in het land volop actie wordt gevoerd gaan uiteindelijk ook de gestaalde kaders in de hoofdstad overstag. Werknemers staan klaar om in actie te komen, zo is er een opperste spanning te voelen bij de ADM (Amsterdamse Droogdokmaatschappij) in Noord. Er wordt nauwelijks meer gewerkt.

Ultimatum

Ford, één van de bedrijven die in de jaren tachtig is gesloten

Spoedig daarna krijgen ADM en andere werven zoals NDSM en Verschure vanuit het bondsactiecentrum in Driebergen een ultimatum in de bus. Het CNV haakt af want het ontbreekt de bond aan de vereiste meerderheid in eigen ledenkring. In het land loopt de spanning op. Een serie van stakingen, prikacties en langzaam-aan-acties slingert zich over het land. Er vormen zich rijen leden aan tafeltjes om hun stakingsuitkering te krijgen uit de goed gevulde weerstandkassen van de bonden. Op 16 maart 1973 breekt dan uiteindelijk een massale staking uit bij de scheepsgiganten ADM en NDSM. Er worden maffersingangen opgesteld voor stakingsbrekers. De verhouding bedrijfsleiding vs. stakers is uiterst gespannen. Er werken bij beide ondernemingen veel Turken en die doen ook volop mee.

Op 22 maart 1973 vindt er een demonstratieve tocht plaats in Noord waar zo’n 4000 man aan deelnemen. Er wordt op z’n Amsterdams gestaakt, ook bij Fokker en Ford. Dat betekent dat wie staakt niet lekker thuis blijft zitten maar de straat op gaat. Om te posten, pamfletten uit te delen en actief mee te doen aan de demonstraties. Begrip voor de werkgevers is niet aan de orde. Een actieleider: ‘Alleen met keiharde dreunen, krijg je hen klein’. Er vindt een geldinzameling plaats, want bij het naar buiten gaan krijgen de stakingsbrekers allemaal een ‘Bal Gehakt’.

 Paasbestand

Uiteindelijk komt er op centraal bondsniveau het z.g. Paasbestand (Pasen valt op 22 en 23 april). Dat houdt in: 1% prijscompensatie per percent prijsstijging tot 28 mille aan guldens. Van 28 mille tot 34 mille, ½ %. Daarboven ¼%. Met een maximum van 352,50 gulden bij 51 mille. Het bestand maakt een einde aan de acties waaraan landelijk  minstens 80.000 werknemers hebben deelgenomen.

Hangar vliegtuigbouwer Fokker

De leden en kaderleden bij ADM, NDSM en Verschure zijn furieus als ze het onderhandelingsresultaat vernemen. Het besluit is duidelijk al op hoger (bonds)niveau genomen zelfs nog voordat er een ledenraadpleging heeft plaatsgevonden! Handje klap met de werkgevers en overheid, over de hoofden van de mensen zelf heen! De actievoerders voelen zich voor de gek gehouden. Het is 18 april 1973. Bij de werven wordt door de betrokken stakers in eerste instantie geweigerd de acties te staken. Midden in de nacht stemmen de leden en kaderleden in meerderheid uiteindelijk toch in. Dezelfde tegenstand ervaren de bondsbesturen en bestuurders in de rest van het land, zeker ook in het Waterweggebied. Woedetranen, men voelt zich voor gek gezet. ‘Boerenbedrog!’ klinkt het verontwaardigd.

1979: Arbeidsduurverkorting

Binnen de vakbeweging woedt in de tweede helft van de jaren zeventig een hevige strijd tussen enerzijds een groep bezoldigde bestuurders en leden die vinden dat de lonen moeten blijven stijgen en een groep die van mening is dat loonmatiging het wisselgeld kan zijn voor meer werkgelegenheid. Herverdeling van werk moet tot extra banen leiden, met arbeidsduurverkorting als een voor de hand liggend instrument.

Eind 1979 komt er in de Stichting van de Arbeid bijna een centraal akkoord, waarbij de werkgevers – in ruil voor loonmatiging – in het CAO-overleg bereid zijn te praten over arbeidsduurverkorting. Binnen de FNV verzet zich echter een grote minderheid en een akkoord blijft uit. De oplopende werkloosheid zorgt binnen de avkbeweging voor veel spanningen. Ondanks massale protesten houdt het kabinet vast aan de bezuinigingsplannen. Langzaamaan groeit bij de vakbeweging de overtuiging dat polarisatie niet het juist antwoord is en dat het verfoeien van de marksector niets oplost.

1980: Amsterdamse leraren voorop

Onderwijsstaking 1980 – Amsterdamse leraren op weg naar het Malieveld

Het is vol op het Malieveld op 19 juni 1980. Zo’n 10.000 leraren zijn uit het hele land naar Den Haag gekomen. Het gaat over overvolle klassen en toch duizenden werkeloze leraren. Met als grote dreiging dat het aantal werkloze leerkrachten nog drastisch verder zal oplopen. Tot dan is het voor leraren not done om te staken, formeel is staken zelfs verboden. Na de manifestatie op het Malieveld trekt de stoet naar het Binnenhof waar ABOP-voorzitter Jan van den Bosch aan Kamervoorzitter Dick Dolman een schoolbord overhandigt. De minister van onderwijs, de VVD´er Arie Pais, vindt het niet de moeite waard zich te vertonen. Aangemoedigd door de grote opkomst bij de landelijke staking wil het bestuur van de ABOP-afdeling Amsterdam aanvankelijk nog diezelfde maand een driedaagse staking uitroepen. Maar de leden vinden dat te ver gaan. Eerst vakantie en dan nieuwe acties in het najaar. Die volgen ook. De minister van onderwijs roept schoolbesturen op de gestaakte dag niet uit te betalen. Die oproep wordt massaal genegeerd.

Fusie jongerenbeweging

De jongerenbewegingen van het NKV en van het NVV worden in 1982 in elkaar geschoven. Dergelijke jongerenbewegingen zijn binnen de FNV nooit meer tot stand gekomen. Piet Vos, de uitermate getalenteerde econoom van de Industriebond FNV, stelt dat de vakbeweging in de periode van 1977 tot 1987 in de problemen is gekomen. Hij geeft daar een opmerkelijke reden voor: ‘De FNV-aanhang wordt gedomineerd door de alleenverdienende, fulltime werkende, oudere en matig opgeleide man. De opbouw van het ledenbestand is een afspiegeling van de beroepsbevolking in de jaren zeventig.’ Eigenlijk geeft hij daarmee aan dat de FNV niet meer van zijn tijd is en onvoldoende meegaat met de veranderingen in de samenleving. Hij heeft het dan over culturele vernieuwingen, het veranderd opleidingsniveau, de vrouwenemancipatie, nieuwe arbeidstijden en vormen.

Het Amsterdams Industrieel Platform

Op initiatief van de toen nog toekomstige (beoogd) nieuwe voorzitter (1982-1988) van de Industriebond FNV, Dick Visser, opvolger van Arie Groenevelt, wordt in 1981 het Industrieel Platform opgericht met daarin de werkgevers (FME, AWV) en de industriebonden van FNV en CNV. Bijzonder is de nadruk in het overleg op de gedeelde belangen en minder op de altijd wel aanwezige belangentegenstellingen. Een ambitieus plan ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid is een van de opzienbarende acties. Deze nieuwe zakelijkheid heeft grote invloed op het sociaaleconomisch overlegklimaat in het land, ‘de polder krijgt nieuwe kansen’.

Mede onder invloed van dreigende loonmaatregelen van het pas aangetreden kabinet Lubbers kan op centraal niveau het befaamde Akkoord van Wassenaar worden afgesloten (1982). Tegelijkertijd gaat het nieuwe Amsterdamse districtshoofd Willem van der Stokker van de Industriebond FNV met burgemeester Ed van Thijn aan de slag om ook in de hoofdstad samen met de belangrijkste werkgevers concrete plannen te maken gericht op herstel van bestaande werkgelegenheid en het ontwikkelen van nieuwe industriële werkgelegenheid. In de ambtswoning worden onder bezielende leiding van de burgemeester vele gesprekken gevoerd met de Amsterdamse vakbondsleiders en de toplieden uit de Amsterdamse industrie onder wie de directeuren van Shell, IBM, Heineken en Van Leer.

Stichting Werkgelegenheid Amsterdam (SWA)

Naast een verbetering van de onderlinge verhoudingen tussen de Amsterdamse sociale partners en de gemeentelijke overheid leidt dat tot de oprichting van de Stichting Werkgelegenheid Amsterdam ( SWA). Het doel van SWA is om de industriële werkgelegenheid in en rond Amsterdam te versterken. Dit wordt al snel een groot succes. SWA werkt als één van de eerste bureaus met de ‘poolconstructie’: vanuit deze pool worden vakkrachten als lassers, scheepsbouwers en metaalbewerkers in hun bedrijfstak ingezet.

Het Akkoord van Wassenaar

In 1982 komt dan het befaamde Akkoord van Wassenaar tot stand. De vredespijp tussen werkgevers en bonden wordt gerookt. De overheid blijft op afstand en de kern vormt de decentrale samenwerking tussen werkgevers en werknemers. Toch houdt de overheid zekere invloed door met een combinatie van beloning en straf werkgevers en werknemers tot loonmatiging te bewegen. Er komt arbeidstijdverkorting en nieuw werk. In ruil daarvoor levert de vakbeweging de automatische prijscompensatie in. Het ‘polderen’ wordt tot een ware kunst verheven. Ook in Amsterdam. Maar de werkgevers die de vakbeweging zien verzwakken zetten hun eigen machtsspel door. Om de CAO kunnen ze niet heen, maar voor de rest maken ze het zelf wel uit.

Iets anders speelt een bepalende rol, de werkgevers hebben de bonden nodig om een al te opdringerige overheid op afstand te houden. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van de sociale partners is door het Akkoord groter geworden. Het vormt dé breuk met de gepolariseerde voorgeschiedenis van de jaren zestig en zeventig. Werkgevers en werknemers moeten het met elkaar zien te rooien. Conflicten worden zoveel mogelijk vermeden, en zeker ‘klassenstrijd’. Maar is Amsterdam echt al zo ver? Het wordt de tijd van de bouwbonden en ambtenarenbonden. De industriebonden hebben aan massa en macht ingeboet.

Plundering ABP

In 1982 neemt de overheid twee maatregelen, om te beginnen een verlaging van de toenmalige werkgeversbijdrage pensioenpremie aan het ABP. Ze kan dat gemakkelijk doen, want het ABP is immers eigendom van de overheid. Daarnaast besluit de overheid de zgn. VUT premie rechtstreeks uit de pensioenpot van het ABP te gaan betalen. Ruim dertig jaar later geeft voormalig premier Lubbers in het politieke actualiteitenprogramma Buitenhof toe dat het onjuist was om in de jaren tussen 1985 en 2005 uit de pensioenfondsen geld terug te storten aan de (overheids)werkgevers. Het zou gaan om een nettobedrag van 1 miljard euro. De NRC berekent dat het alleen wat de ABP betreft al gaat om een bedrag van 15 miljard euro. In feite wordt een belangrijk deel van de kas – ten koste van de ambtenarenreserves voor pensioenuitkering, zo ook in Amsterdam – leeggeroofd.

Ambtenarenbonden worden marktbonden

Er is in de jaren zeventig nog duidelijk een verschil voelbaar tussen de marktbonden en de overheid- en semi-overheidsbonden. Daar in Amsterdam de overheid de grootste werkgever is geldt de ABVA als een zeer belangrijke bond, echter de rechten en plichten van een ambtenaar onderscheiden zich duidelijk van een werknemer in het bedrijfsleven. De relatie tussen de ambtenarenbonden en de marktbonden is er wel, maar eigenlijk beschouwen de marktbonden ambtenaren niet als gewone werknemers. De ambtenaren zelf laten zich ook voorstaan op hun beschermde status. De mensen werkzaam in de overheidsbedrijven, zoals bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf, beseffen dat ze bij de gemeente werken, maar voelen zich toch niet echt een ambtenaar, wat ook geldt voor personeel bij de Stadsreiniging.

In de jaren zeventig en vooral tachtig ontdekken de ambtenaren dat ze niet onaantastbaar zijn. In mindere economische tijden kan hun overheidsinkomen onder druk komen te staan. De ambtenareninkomens zijn een sluitpost voor de politieke begrotingen en daar hebben ze weinig verweer tegen. Althans, het wordt een harde actie tegen de overheidsbaas. Vooral 1983 staat in Amsterdam te boek als het grote omslagmoment. De slag wordt in feite verloren, de overheidslonen worden niet met 3 ½ procent verlaagd maar slechts met 3%!. Er komt ook een 38-urige werkweek. Toch is er voortaan gelijkwaardigheid in het overleg en normalisatie van de positie van ambtenaren. Verder ontstaat er bijzonder belangrijke jurisprudentie, de basis voor het huidige stakingsrecht van ambtenaren. Er wordt massaal gestaakt, ook door vuilnismannen en verplegend personeel. Mensen beseffen ineens dat ambtenaren ook met hun handen werken.

De grote bouwstaking van 1985

In de bouw doen zich grote stakingen voor in 1985, 1990, 1995 en 2002. Amsterdam loopt voorop. In 1985 gaat het om veel zaken, maar vooral over de 10% arbeidstijdverkorting. Er heerst grote werkloosheid. Er zijn meer dan130.000 werklozen, alleen al in de bouw. Tegelijkertijd stellen de bonden ook de lonen centraal, vooral het jeugdloon, de prijscompensatie en uitbreiding van de arbeidstijdverkorting. Tot in het eerste decennium van de 21ste eeuw is al tientallen jaren 50% van de bouwvakkers aangesloten bij de FNV Bouw en haar voorgangers. Dat is een hoge organisatiegraad en daar komt nog 15procent bovenop van het CNV. Met de kleine categorale bonden mee is  zo’n 70 procent van de bouwvakkers georganiseerd. Bij het kantoorpersoneel is dat, net zoals in de maakindustrie, veel en veel lager. Tijdelijke contractanten en uitzendkrachten zijn veel minder georganiseerd, ook in de bouw. Op allochtonen en vrouwen heeft de bouw van oudsher weinig aantrekkingskracht.

De ‘sociale ANWB’

De vakbeweging mist in de jaren tachtig duidelijk aansluiting bij allerlei nieuwe groepen op de arbeidsmarkt, zoals vrouwen, allochtonen en flexwerkers. Met de terugval van de zware industrie zakt ook de vakbeweging in. In de ICT-wereld en de commerciële dienstensector krijgt ze weinig aansluiting. In 1987 verschijnt het rapport FNV 2000 dat als startpunt fungeert voor een grootscheepse heroriëntatie van de vakcentrale en de aangesloten bonden. De vakbeweging moet herkenbaarder worden, onder andere door veel werk te maken van persoonlijke dienstverlening aan de leden. De FNV moet, zoals in alle wijsheid wordt besloten, een ‘sociale ANWB’ worden. ‘De ideologische veren worden afgeschud’. Er komen vakbondsbestuurders die een hogere opleiding hebben genoten en eigen ervaring en herkenning met de werkvloer missen. De van 9 tot 5 uur-cultuur treedt ook in de vakbeweging in. De al langer actief zijnde (Amsterdamse) vakbondsbestuurders, de oudere dus, hebben daar op zijn zachtst gezegd geen boodschap aan.

De grote verdwijning

ADM-directeur Bosman spreekt het personeel toe over beroerde situatie van het bedrijf. (Foto: Jan Everhard)

Eind jaren zeventig en in de loop van de jaren tachtig verdwijnt een groot deel van de Amsterdamse maakindustrie waaronder vrijwel de gehele scheepsbouw, nieuwbouw en reparatie, alsmede de machinebouw en apparatenindustrie, voorts de confectie-industrie, de luchtvaartindustrie (Fokker) en de auto-industrie (Ford). Daarnaast de beide grote bierbrouwerijen (Heineken en Amstel) en een deel van de chemische industrie (Mobil en Shell). Het gaat daarbij om vele tienduizenden arbeidsplaatsen met de daarbij behorende infrastructuur (opleidingsinstellingen, toeleveringsbedrijven enz.). Voor de vakbeweging zijn de gevolgen zeer ingrijpend en onomkeerbaar, namelijk door de grote en structurele werkloosheid en het daarmee gepaard gaande onvermijdelijke ledenverlies. Daarnaast en daarenboven is met het verdwijnen van deze industrie met zijn hoge organisatiegraad en grote actiebereidheid de slagkracht van de Amsterdamse vakbeweging vrijwel geheel weggevallen. Wat voor de vakbeweging van toepassing is geldt ook voor de positie van de CPN en de daarbij behorende mantelorganisaties. Behalve het verdwijnen van grote gezichtsbepalende bedrijven, zoals NDSM, ADM, Verschure, Stork Apparatenbouw, Stork Werkspoor Diesel, Kromhout, Werkspoor, Berghaus,

Fokker, Ford, Draka, Ketjen, Mobil, ontstaat er in die jaren ook een trek van vele kleine en kleinere bedrijven uit de Amsterdamse binnenstad naar onder meer Purmerend, Lelystad en Almere. Soms verhuizen de werknemers mee. Mede hierdoor, en doordat vele inwoners van Amsterdam, waaronder vele vakbondsleden, al dan niet gedwongen, hun heil (moeten) zoeken in de groeikernen rond Amsterdam krijgt de Amsterdamse vakbeweging een volledig ander gezicht.

Door immigratie verandert de samenstelling van de bevolking, terwijl de kinderen van deze voormalige gastarbeiders weinig tot geen affiniteit hebben met technische beroepen. Dat is overigens ook het geval bij de kinderen van werknemers uit de bedrijven die verdwenen zijn. De grote bestaansonzekerheid, maar ook het imago van industrieel werk, zorgt ervoor dat maar weinig jongeren voor werk in de techniek kiezen. Waarschijnlijk is dat een van de redenen dat er vanuit het Amsterdamse stadsbestuur vrijwel niets gedaan is om de positie van de maakindustrie te versterken. De toen dominante partij in Amsterdam (de PvdA) toont volstrekt geen enkele belangstelling voor het bevorderen van de (industriële) werkgelegenheid. Goede uitzonderingen zijn wethouder Jan Schaefer, wethouder Heerma en later burgemeester Ed van Thijn.

Daar waar wel sprake is van werkgelegenheidsgroei (horeca, toeristenindustrie en financiële dienstverlening) heeft de vakbeweging geen positie om ook maar iets af te dwingen voor zover daar al enige behoefte aan is. Dit alles heeft niet alleen grote gevolgen gehad voor de positie van de vakbeweging op de werkvloer. Ook het lokale vakbondswerk lijdt daar behoorlijk onder. Kwantitatief maar ook kwalitatief nemen de plaatselijke vakbondsactiviteiten onontkoombaar sterk af.

Een aspect dat vrijwel nooit aan de orde komt is de relatie tussen het federatie- en fusieproces en de situatie waarin de vakbonden terecht komen vanaf midden jaren zeventig. Alle, soms negatieve, aandacht en energie die nodig is om dit lastige en vaak moeizame proces te (bege)leiden is zonder twijfel ten koste gegaan van de belangenbehartiging en de beleidsontwikkeling. Er is wat af gestunteld.

De verdwenen Amsterdamse scheepsbouw

Manifestatie bij de ADM voor openhouden van de werf. Personeel en verwanten luisteren naar sprekers actiecomité. (Foto: Jan Everhard)

De scheepsbouw in Amsterdam kent een geschiedenis die parallel loopt met die van ons land zelf. Er waren scheepswerven die de grootste van de wereld waren. Zo was er de Nederlandsche Dok- en Scheepsbouw Maatschappij, kortweg NDSM, met op haar hoogtepunt 6000 werknemers. In de jaren zestig en zeventig krijgt de nautische industrie door allerlei oorzaken harde klappen. Het is het begin van een ellendige periode. September 1978 komt een einde aan de scheepsnieuwbouw van de NDSM. Tien jaar daarvoor was ze nog gedwongen opgegaan in het Rijn Schelde Verolme (RSV)-concern en werd de NDSM daardoor bestuurd vanuit Rotterdam. In oktober 1979 wordt toch nog onder de naam ‘Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij (NSM) een nieuwe werf voor scheepsnieuwbouw opgericht, waar 400 ex-NDSM-ers blijven werken. De Amsterdamse Droogdok Maatschappij (ADM) krijgt vanuit de NDSM reparatiewerkzaamheden. Ondanks enkele winstgevende jaren blijkt ook dit initiatief niet levensvatbaar. Heftig verzet van de werknemers en hun bonden mogen niet baten. De NSM wordt in 1984 failliet verklaard. Een dramatisch einde van een stukje Hollands Glorie, maar erger nog een sociaal drama voor talrijke gezinnen vooral in Amsterdam Noord. Het wordt stil op de hellingen en massa’s werknemers komen met hun ziel onder hun arm werkeloos thuis te zitten. 419 maal klonk het in al die jaren bij de NDSM: ‘Ik doop u…’ In de jaren zestig en zeventig waren dat vaak reusachtige schepen: mammoettankers die in twee helften gebouwd moesten worden, omdat de hellingen en dokken zulke grote schepen niet konden behappen.  

Nieuwe ontwikkeling Noord

Manifestatie bij de ADM voor openhouden van de werf. Personeel en verwanten luisteren naar sprekers actiecomité. (Foto: Jan Everhard)

Met de sluiting van de scheepswerven in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw raakt Amsterdam-Noord veel werkgelegenheid kwijt. Op basis van actuele gegevens van de afdeling Signaleren en Accountmanagement van Stadsdeel Amsterdam-Noord het volgende: De opkomst van onder meer de zakelijke dienstverlening heeft het verlies in Noord de laatste twee decennia ruimschoots goedgemaakt. In 2009 werkten bijna 27.000 mensen in Noord, 48% meer dan in 1987. Het klinkt verheugd, maar de afdeling laat niet na om toch nog even in de geschiedenis van Amsterdam-Noord te duiken. Althans in de vergelijking: Per saldo groeit het aantal in Amsterdam-Noord werkzame personen de voorgaande 35 jaar met 11%: van 24.286 personen op 1 oktober 1974 tot 26.914 op 1 januari 2009. Het aantal werkzame personen bereikt in 1987 een laagtepunt (18.239). Sinds dat jaar is het aantal werkzame personen in Amsterdam-Noord met 48% gestegen. Deze stijging is bijna even groot als in geheel Amsterdam. Met de sluiting van de scheepswerven in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw neemt de werkgelegenheid juist af  (-25% in de periode 1974- 1987). In geheel Amsterdam vermindert de werkgelegenheid ook ( -2,1%), maar dat was vooral het gevolg van de economische crisis in die jaren.

Het aantal bedrijfsvestigingen is sinds 1974 bijna verviervoudigd. In 1974 telt Amsterdam-Noord 1.461 vestigingen, in 2009 5.387. In 1974 werken 5.389 personen op de Noordse scheepswerven. De scheepsbouw maakt in dat jaar 22% uit van de totale werkgelegenheid in Amsterdam-Noord en 44% van de werkgelegenheid in de industrie. In 1987 zijn nog 466 personen werkzaam op de werven en in 2009 114. 

FNV Bondgenoten: 1 januari 1997

Begin 1997 komt de grootste fusie binnen de FNV tot stand: FNV Bondgenoten. Wie door de geschiedenis heen kijkt, ziet dat de bonden zich steeds meer zijn gaan opwerpen als ook de bond van de uitkeringsgerechtigden, zo ook gepensioneerden. En ook uitzendkrachten. De bond telt dan 455.734 leden (2013) en is voortgekomen uit een fusie van vier andere vakbonden: Voedingsbond FNV, Vervoersbond FNV, Industriebond FNV en FNV Dienstenbond. De financiële spankracht van de bond neemt na deze (kostbare) fusie aanzienlijk af.

André Kloos krijgt alsnog zijn zin

In De Volkskrant van dinsdag 1 juli 2014 kondigen de besturen van FNV, FNV Bondgenoten, ABVAKABO FNV, FNV Bouw en FNV Sport een fusie aan. Belangstellenden kunnen de stukken inzien bij de Kamer van Koophandel. Het is een bewijs dat de kogel door de kerk is. Na 45 jaar wordt het plan-Kloos (1969) eindelijk, weliswaar gedeeltelijk, in uitvoering genomen. Ook binnen de andere vakcentrales vinden ingrijpende aanpassingen van de organisatiestructuur plaats.

De vakbeweging in een werelddorp anno 2018

Amsterdam is veranderd, maar ook het zelfde gebleven. Leek Amsterdam eerst terug te zakken naar een provinciestad in Europa, met een verwaarloosd woningbestand, een verdwenen basale werkgelegenheid, leegloop… het stadsdorp heeft zich opgericht. Er is stadvernieuwing en uitbreiding gekomen, en de economie is hersteld. Amsterdam is gaan behoren tot het internationaal verkeersnetwerk, de gigantische groei van Schiphol is daar getuige van, en de Amsterdamse haven behoort tot de grootste van Europa. Wie door de Zuid-As loopt, waant zich in klein-New York. Overal verrijzen concentraties van kantoren en bedrijven. Zie de Amsteltoren, het Wereldhandelscentrum, Teleport in Sloterdijk. Tien procent van de totale beroepsbevolking (400.000) werkt nu in de informatiesector.

De FNV is nu een vereniging van mensen, zoals ze nu zelf aangeeft. ‘Ons ledenparlement neemt dan ook de beslissingen. Het bestaat uit 105 leden. Elk van onze sectoren, heeft 1 of meer gekozen of benoemde vertegenwoordigers in het ledenparlement. Zo heb jij als lid direct invloed op ons beleid’. Het klinkt alsof Henri Polak – met een modern jasje aan – aan het woord is. Vraag is of deze beschrijving de individuele werknemer van nu direct aanspreekt.

Bert Breij

Bert Breij is in de jaren zeventig is hoofd Voorlichting, Informatie en Marketing bij de Industriebond FNV . Tevens is hij de auteur van de VHV-uitgave Twee miljoen leden.  In 2017 is hij gepromoveerd op het proefschrift  Eerder weg om gezond te blijven.

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Het gezicht van de vakbeweging Amsterdam, een uitgave van de Stichting VHV, dat in april 2018 is gepresenteerd