Het geheugen van de vakbeweging

De Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond in het jaar 1920

“Moge dit eerste nummer zowel wat vorm als inhoud betreft, het besluit doen rijpen bij al onze lezers, de krant voortaan met aandacht te lezen. Dan heeft de redactie de blijde zekerheid geen werk voor niets te doen en – daar zijn wij van overtuigd – zullen de leden van onze organisatie zich niet berooven, van het opdoen van meer kennis, meer inzicht, meer strijdvaardigheid in den strijd die ons allen wacht, de strijd voor de vrijmaking der arbeidersklasse”.   Uit: De Bouwer, 8 januari 1920

November 1919 besloten de leden van de Algemeenen Nederlandschen Timmerliedenbond (ANTB) en de Centralen Bond van Bouwvakarbeiders (CBT) met ingang van 1 januari 1920 samen de weg te vervolgen als Algemeene Nederlandsche Bouwarbeidersbond (ANB). De bonden van de stukadoors en schildersgezellen bleven buiten de fusie.

De ANB  is de tweede grote voorloper van FNV Bouw, nu sector Bouwen & Wonen in Vakbond FNV. Over de in 1917 opgerichte R.K. Bouwvakarbeidersbond ‘St. Joseph is eerder in de Nieuwsbrief geschreven. Tegenwoordig kunnen we op internet met een druk op de knop de bond bereiken, maar de leden werden destijds met elke week De Bouwer in de bus eveneens goed op de hoogte gehouden van de gang van zaken in de bedrijfstak, de arbeidsomstandigheden en de bondsactiviteiten.

Prestatie van formaat

We beseffen dat de frequente uitgave van het bondsorgaan  met alle werk voor het verzamelen van kopij, het schrijven van artikelen, het drukken en het uitgeven een prestatie van formaat is. Een passage onder de kop Aan den Arbeid in nummer 1 van De Bouwer van donderdag 8 januari 1920 typeert het tijdsgewricht:  “Socialisatie is de leus, overal aangeheven. Verandering van het productiestelsel, medezeggingschap, leiding van de arbeiders, produceeren niet uitsluitend voor winstmaking, doch met het oog op de behoeften der menschheid, daar moet het heen.

“Breken met de oude vormen, met het oude stelsel, dat de wereld heeft veranderd in een chaos. Dat gansche volken tot den rand van den afgrond heeft gebracht, dat millioenen heeft gedood en andere millioenen met den dood bedreigt. Dat een leed aan de gansche menschheid heeft gebracht zoo groot, zoo ontzettend, als onder den loop der eeuwen de menschheid niet heeft meegemaakt.”

Eigen koers varen

De bond vindt het spijtig dat hij niet op de medewerking van alle arbeiders kan rekenen. Zelfs niet van alle georganiseerde arbeiders. De ANB positioneert zich in het krachtenveld van de belangenbehartiging: “Rechts van ons staan de Christelijke en de Katholieke organisaties, die met alle mogelijke middelen hun standje trachten te verdedigen, de reden van hun bestaan trachten aannemelijk te maken. Dat in dezen niet altijd met eerlijke middelen wordt gestreden en de heeren het wapen van verdachtmaking en laster niet schuwen, is meer dan eens aangetoond. Aan de anderen kant de syndicalisten. Deze pogen van de gelegenheid gebruik te maken om hun dikwijls zeer dolle theorieën door te voeren”.

De bond zal zich er niet door laten beïnvloeden, de moderne organisatie zal haar eigen koers varen. Redacteur Coen van der Lende was na de lagere school op zijn dertiende gaan werken in een bouwbedrijf. Hij had beslist schrijftalent. In Rotterdam schreef hij het afdelingsblad De Krullenschaver vol. In 1917 werd Van der Lende aangesteld als tweede secretaris van de ANTB en redacteur van De Timmerman.

Bondsprofiel

Iets over het profiel van de bij het NVV aangesloten Algemeene Nederlandsche Bouwarbeidersbond. Het ledental bij aanvang bedroeg 21.678, waarvan de ANTB bij de fusie 10.542 timmerlieden inbracht en de Centrale Bond vooral metselaars (2.837), opperlieden (3.327) en grondwerkers (3.166). Het bondsvermogen bedroeg fl. 102.000.van der Wal afkomstig uit de ANTB werd gekozen tot voorzitter van de nieuwe bond. Een tweede lid van het hoofdbestuur is de al genoemde Coen van der Lende. Hij zou het later tot secretaris van het NVV brengen (1929-1949). Een derde persoon is Eimert Sinoo. Zijn naam klinkt u mogelijk bekend in de oren. In 1987 stelde de Bouw- en Houtbond FNV een naar hem genoemde jaarlijkse prijs in voor wie zich uitgesproken heeft ingezet voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden.

De bondsraad bestond uit 63 leden, waarvan 7 bondsbestuurders, 7 districtsbestuurders, 3 afdelings-gesalarieerden/gedeeltelijk districtsbestuurders, 8 afdelings-gesalarieerden en 38 niet gesalarieerde leden. Bij de laatste groep is erop gelet die zo representatief mogelijk te verdelen over de diverse beroepsgroepen.  We ontmoeten 1 granitowerker, 1 heier, 1 machinaal houtbewerker, 1 steenzetter, 2 steenhouwers, 4 grondwerkers, 5 metselaars, 6 opperlieden en 17 timmerlieden.

De medewerkers van de bond hebben de  handen vol aan de omvangrijke administratie van uitkeringen bij met name ziekte en werkloosheid van de leden. Tegenwoordig kan de betrokken werknemer zich digitaal tot het UWV wenden en dan via een Checklist WW aanvragen en voor doorbetaling voor Ziektewet, WIA en WAO de uitkering op zijn rekening gestort krijgen. Maar destijds, stel u voor: eind 1920 tellen we 273 afdelingen (van Aalsmeer en Aalten tot Zwijndrecht en Zijpe).

Nauwgezette registratie

De dagen van ziekte of werkloosheid van elk lid worden elke maand nauwgezet met de hand geregistreerd en daarna uitbetaald. In het jaarverslag over meerdere bladzijden – ook nog onderverdeeld naar beroep – keurig in een matrixmodel verantwoord. In de bouw komen perioden van werkloosheid, bijvoorbeeld vanwege het weer of afnemende opdrachten, geregeld voor. Een werknemer, een bondslid,  kan zich dus meerdere keren per jaar bij de plaatselijke afdelingssecretaris hebben gemeld.  De onvrijwillig werkloze had recht op 50 dagen per jaar bondsuitkering.

Naast uitkering bij ziekte en werkloosheid was die er ook nog bij overlijden, staking en uitsluiting. De hoogte van het loon was tevens afhankelijk van de gemeenteclassificatie. De kosten van levensonderhoud waren in de grote stad hoger dan in de provincie waar de ingezetene een lagere huur betaalde en vanuit een eigen moestuin zijn maal op tafel kon zetten. Uurlonen liepen dus uiteen. In de drie grote steden Amsterdam, Rotterdam en ’s-Gravenhage kregen bijvoorbeeld metselaars en timmerlieden een uurloon van 94 cent. In Arnemuiden en Zierikzee nog niet de helft daarvan, namelijk 45 cent per uur.

De vakorganisatie zet zich in voor goede arbeidsvoorwaarden en rechtszekerheid. Het loonde dus om lid te zijn van de ANB, maar daarvoor betaalde de arbeider natuurlijk wel contributie. Over 1920 ontving de bond totaal fl. 543.540,86 aan contributie.

Stakingen

Stakingen zijn een bekend fenomeen in de bouw. In 1920 was de bond gewikkeld in 27 grote en kleinere conflicten. Meestal ging het dan om twee zaken: a) een verhoging van tarieven en het uur- of weekloon en b) het verlagen van de arbeidsduur. Maar ook om de werkgever te dwingen zich te houden aan arbeidsvoorwaarden overeengekomen in een contract of om de 8-urige werkdag in te voeren zonder het weekloon te verminderen.

Op 8 juni nam de bond deel aan stakingen tegen de ‘Anti-revolutiewet’ van minister van Justitie Heemskerk. Voorafgaand had er in Amsterdam al een grote protestdemonstratie plaatsgevonden, waarbij SDAP-leider P.J. Troelstra repte over de mogelijkheid van een algemene  staking. Het kabinet-Ruys de Beerenbrouck was zo angstig geworden van de revolutiedreiging uit Midden- en Oost-Europa en de (amateuristische) poging van Troelstra in november 1918 om de macht te grijpen, dat het meende een revolutie in Nederland te kunnen stoppen met een wetje.

Nederland is een door en door burgerlijk land dus daar hoefden de autoriteiten niet bang voor te zijn. Maar conservatieve krachten hoopten en de bonden vreesden dat de wet aangegrepen zou kunnen worden om stakingen te verbieden. De gedachte was niet helemaal uit de lucht gegrepen, tenslotte was er al sinds 1903 een stakingsverbod voor ambtenaren en spoorwegpersoneel. Protest in de drie grote steden en in de Zaanstreek bijgestaan door wat stakingen hebben niet geholpen om de wet waarvan we daarna overigens nooit meer gehoord hebben, van tafel te krijgen.

Wel succesvol was de ANB bij het afsluiten van tientallen contracten met plaatselijke patroons. Meestal in samenwerking met andere bonden. We noemen twee stakingen. Die in Eelde-Paterswolde duurde van 19 januari tot 3 februari. 14 arbeiders waren erbij betrokken, waarvan 9 bondsleden en  5 ongeorganiseerden. Met een gunstig resultaat. De 54-urige werkweek werd teruggebracht tot een 50-urige werkweek, die zou gelden tot aan het van kracht worden van de wettelijke 45-urige werkweek.

In Nijmegen waren alle 8 bonden in de bedrijfstak betrokken bij een staking waaraan 666 arbeiders deelnamen en die duurde van 9 februari tot 29 maart. De RK bond was met 341 leden veruit het sterkst vertegenwoordigd. De Federatie met 84 en de ANB met 68 leden. De inzet was een uurloon van 75 cent voor geschoolde en 72 cent voor ongeschoolde arbeiders. De deelnemers aan de staking waren tevreden met het uiteindelijke resultaat, respectievelijk 73 en 70 cent uurloon en de 8-urige werkdag.

Uitsluiting

De gebeurtenis met de meeste impact in 1920 is het verloop van de onderhandelingen, de stakingen en de uitsluiting bij het eerste Landelijk Collectief Contract, steeds met hoofdletters aangeduid in de publicaties. Kort samengevat: in 1920 wilden de Bond van Patroonsverenigingen in de Bouwvakken en de R.K. Bond van Bouwpatroons de vele plaatselijke en regionale overeenkomsten in één landelijke cao verenigen. De totstandkoming van al die overeenkomsten ging altijd vergezeld door conflicten die de rust op de arbeidsmarkt en een gezonde bedrijfsvoering niet ten goede kwamen.

Wat scherper gesteld, de bedrijfstak was een jungle geworden waarin werkgevers elkaar tot op de dood bestreden, het faillissement injoegen. Bij dit initiatief van de werkgevers zal bovendien hebben meegespeeld dat het een jaar daarvoor in het schildersbedrijf was gelukt tot een landelijke collectieve arbeidsovereenkomst te komen.

De werkgeversorganisaties legden een conceptovereenkomst aan de vakbonden voor. Er werd over onderhandeld, er werden wijzigingen aangebracht, er werd voor akkoord getekend door de protestants-christelijke en de katholieke bonden, ingaand op 3 mei 1920 voor de periode van een jaar.

De ANB en de Federatie konden zich hierin niet vinden. Om de eis voor hogere lonen kracht bij te zetten organiseerden zij in meerdere plaatsen stakingen. De werkgevers gingen daarop tot uitsluiting over, ingezet bij de stukadoors en bouwvakkers in Den Haag op 14 juni en vanaf 24 juni voortgezet in Amsterdam, Rotterdam en elders. De uitsluiting duurde tot eind augustus. Het ging om iets fundamenteels, de machtsverhoudingen in de bedrijfstak en breder die tussen kapitaal en arbeid.

Voorjaar 1920 hadden de bonden van transportarbeiders een staking die het haven- en zeevaartbedrijf tien weken lam legde, moeten opgeven. Zesduizend leden van de moderne bond waren daarbij betrokken. Elke week was er tachtigduizend gulden voor de strijd nodig. Het NVV bracht een steunactie op touw waarbij de aangesloten bonden bijna een half miljoen gulden bijeenbrachten. De werkgevers in de bouw voelden zich sterk door de overwinning van de havenbaronnen. Ze probeerden met een uitsluiting de ANB en de Federatie op de knieën te krijgen en tot ondertekening van het contract te dwingen.

Bij de uitsluiting waren 4.763 bondsleden betrokken en gingen totaal 295.780 arbeidsdagen verloren. De uitsluiting kostte de bond een fortuin. Om precies te zijn fl. 776.589,73. Overal werd aangeklopt voor financiële ondersteuning. Niettemin slaagde de bond erin alle leden prompt te betalen. Enerzijds door vrijwillige en verplichte bijdragen van werkende leden, anderzijds door leningen af te sluiten. Totaal voor een bedrag van fl. 402.768,73. Er restte een schuld van fl. 360.000.

De ANB mocht van geluk spreken dat de patroons er slechts in waren geslaagd een kwart van de bondsleden uit te sluiten. Om de schuld te kunnen terug betalen werd de contributie met 50 procent verhoogd, een besluit waarvan 10 jaar later in de Bouwer werd vermeld dat hij met enthousiasme werd genomen en doorgevoerd.

De ANB en de Federatie werden genoodzaakt het al eerder met de confessionelen afgesloten contract eveneens te ondertekenen, al slaagden ze er nog wel in tot een vergelijk te komen waardoor het uurloon eind 1920 met 3 en 4 cent werd opgetrokken. Hoe we de directe resultaten van dit uit de hand gelopen arbeidsconflict ook beoordelen, vanuit het oogpunt van de vakbeweging was er winst behaald. De inzet van jaren vakbondswerk werd verzilverd. De vakorganisaties waren tot op het hoogste niveau, de landelijke cao, door de patroons erkend als partij bij het afsluiten van overeenkomsten. Voor de werkgevers zat er het voordeel in van gereguleerde arbeidsverhoudingen en kostenbeheersing.

Vakantie in de bouw

We wijzen nog op het aanvankelijke eisenpakket van de bond waarin voorstellen staan waarvoor nog jaren zou worden opgetreden. Een aansprekende is de vakantiebon, die werd ingevoerd op 1 juli 1929, zodat voor het eerst vakantie werd genoten in augustus 1930. Een aardig weetje is dat mijn vader ,die in 1927 als timmerman van de ambachtsschool kwam, vanaf zijn achttiende gebruik heeft kunnen maken van de vakantiebonnen.

Drie dagen per jaar vakantie met behoud van loon. In 1931 uitgebreid tot 5 dagen en in 1938 tot een volle werkweek. Een weelde in de beleving van de bouwvakker. Met overigens nog steeds te weinig inkomen voor de meesten om er op uit te trekken. Maar in ieder geval een eerste begin van enige hersteltijd voor lange werkweken. De uitbouw van de vakantie tot twee en drie weken en het vakantiegeld kwamen pas na de Tweede Wereldoorlog.

Ingroei vakbeweging

De stakingen en de grote uitsluiting waarbij de bond in 1920 betrokken was zijn helder uiteengezet in het jaarverslag en in gedenkboeken. Van der Lende schreef er een brochure over van maar liefst 120 bladzijden. Het is voor alle betrokkenen een bewogen jaar geweest.  Na de politieke en sociale verworvenheden, bereikt in de revolutionaire nasleep van de Eerste Wereldoorlog, werd in 1920 voor het behoud van de resultaten gevochten.

Over de gehele linie werd er gestaakt tegen de aanval van de werkgevers. Niet alleen door havenarbeiders en bouwvakkers, maar ook door fabrieksarbeiders, meubelmakers, kleermakers en sigarenmakers, waardoor Nederland in 1920 op de ongekende hoogte van totaal 2.234.000 stakingsdagen kwam. In 1922 wordt de werkweek weer verlengd van 45 tot 48 uur.

De vakbeweging had na tientallen jaren strijd een aarzelende erkenning van haar positie, rol en taken afgedwongen bij de overheid en de werkgevers. Onder andere door haar inschakeling bij de uitkeringen aan werkloze arbeiders vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog en door het op steeds grotere schaal afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten.

Vakbondshistoricus professor Frits de Jong Edz. heeft de groeiende betekenis van de vakorganisaties aangeduid als het ingroeien van de vakbeweging in staat en maatschappij. Die overleg- en onderhandelingspositie van de vakbonden moest worden verdedigd, mocht niet worden opgegeven. Er stond veel op het spel op het terrein van arbeidsvoorwaarden, veiligheid en gezondheid, scholing, sociale zekerheid, arbeidswetgeving. De pioniers uit de arbeidersbeweging zetten zich niet alleen in voor materiële lotsverbetering, ze werden gedreven door de vaste wil tot verheffing van de arbeidersklasse.

Op Hechte Fundamenten is de passende titel van het gedenkboek uit 1950 over de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond, geschreven door Andries Leusink, een oud-bondssecretaris en oud-redacteur van De Bouwer. De voorgeschiedenis van de ANB begint in de  jaren zestig van de negentiende eeuw.

Binnenkort komt er een publicatie uit over de Bouw- en Houtbond FNV/FNV Bouw dat eindigt in 2015, zodat we met Steigers weg! uit 1982 over de naoorlogse periode zo’n 150 jaar vakbondsgeschiedenis kunnen overzien. De titel blijft nog even een verrassing. Bouwen aan de bond, toen en nu. Het blijft nodig.

Harry Peer

april 2017