Het geheugen van de vakbeweging

Albert van der Lugt: …naar een andere maatschappij waarin de ene mens de andere niet uitbuit…


Een gezicht van de Amsterdamse vakbeweging

Albert van der LugtIdealen moet je hebben

Albert van der Lugt (Vleuten-De Meern, 1948) kan bogen op een rijk werk- en vakbondsverleden. Van jongs af aan is hij politiek en maatschappelijk actief. Het zijn roerige tijden waarin hij zich volop laat zien en horen. De bouw is zijn leefwereld. De CPN maakt hem kritisch. Hij leert de confrontatie met werkgevers en anderen niet uit de weg te gaan. Hij is jarenlang actief als kaderlid en voorzitter van FNV Bouw in Amsterdam. Hij maakt dan de overstap naar de gemeente. Na zijn pensionering blijft hij volop aan het werk voor de Stichting Herstelling. Hij is getrouwd met Sanja. Samen hebben ze twee kinderen.

Albert’s vader is schilder, zijn moeder zorgt voor het gezin en de huishouding. Niet zo vreemd dat Albert als 15-jarige ook in de bouw begint, als schilder en stukadoor. Hij heeft de Christelijke ambachtsschool dan al gevolgd. De werkweek telt 42 uur. Op zaterdagmorgen wordt gewerkt. De arbeidsomstandigheden zijn matig of minder, er is geen medezeggenschap, de betalingen zijn niet te best, geen kinderopvang, ouderschapsverlof of wat dan ook. Dat zijn heel andere tijden.

Working Class Hero

Hij wordt maatschappelijk wakker geschud als bij de bouw van studentenflats in Utrecht gastarbeiders arriveren. De Nederlandse bouwvakkers zien voor het eerst deze nieuwkomers, die hier naar toe zijn gehaald als bouwopruimers. De kersverse collega’s worden in de schaftkeet gehuisvest en slapen op de eettafels, tafels die dan voor half zeven ’s ochtends wel weer in orde moeten zijn want het werk moet beginnen. Het zou tijdelijk zijn zei de aannemer. Albert: ‘Ik weet nog dat er na een paar dagen een verwarmingsmonteur opstond, de boel plat legde en namens die honderden bouwvakkers fatsoenlijke huisvesting eiste voor deze rechteloze mensen. Het was voor het eerst dat ik zag dat er iemand zijn mond opentrok en zei: “Tot hier en niet verder!”. De behandeling van deze gastarbeiders was de druppel die de emmer deed overlopen.’ Vanaf die dag weet Albert van der Lugt het zeker: hij wil een working class hero worden.

De militaire dienst volgt. Prompt wordt hij op de kazerne secretaris van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM). Actiepunten: een ‘normale’ haardracht en afschaffing van de groetplicht. Hij maakt deel uit van de politiek geïnteresseerde jeugd en leert in de communistische jeugdbeweging ANJV zijn Sanja kennen.

Albert verhuist naar Amsterdam, wordt lid van de Bouwbond NVV en wordt al snel kaderlid. ‘Ik kwam in een bijna volledig witte stad. Het is ongelooflijk om mee te maken dat in 45 jaar tijd meer dan de helft van de inwoners van de stad van etniciteit veranderd is.’

Geloven móet

Hij is CPN’er en ontmoet veel spraakmakende actievoerders. De klassenstrijd staat nummer één. Vaak gaat het er bikkelhard aan toe. De bouwvakkersopstand van 1966 leidt tot de instelling van de Commissie-Enschedé. Den Haag is wakker. Albert: ‘Bij de stakingen ging het er om wie de langste adem had. Het motto van de stakende bouwvakkers was: we staken net zo lang door tot de takken uit de kozijnen groeien! Het waren vaak zinloze en kostbare acties, waarin iedereen gedwongen werd mee te doen. Maffers werden niet geduld. Een jongere generatie linkse bouwvakkers, waartoe ik behoorde, dacht op die manier de arbeiders te laten zien dat we naar een andere maatschappij moesten waarin de ene mens de andere niet uitbuit. Wie niet mee wilde geloven kon beter inpakken.’

Albert ervaart dat het in CPN-kringen stevig kan stormen en dat het er onderling niet zachtzinnig aan toe gaat. De Eenheidsvakcentrale (EVC) mag dan zijn opgeheven (1964), de communistische partij is haar slagkracht niet verloren. Zo blijft in Amsterdam de oude EVC-bond voor de Bouwnijverheid bestaan (ABWB). Bouwbond-voorzitter Bram Buys gruwt van communisten en laat niet na dat duidelijk te maken. CPN’ers worden op alle mogelijke manieren binnen de bond de voet dwars gezet. Albert: ‘De CPN was een soort ijsberg. Je zag alleen de top, wat er binnen de bedrijven en afdelingen gebeurde zag je niet en dat was heel wat. De partij had een gedisciplineerde werkstructuur met eigen organen op de bedrijfsvloer, daar zat het geharnaste kader. De partij beschikte over heel goede organisatorische talenten en geweldige sprekers. Ik heb veel van ze geleerd. Ze waren voor niemand bang behalve voor hun eigen CPN-leiding.’

Zwarte lijst

De CPN-actievoerders kwamen prompt bij werkgevers op een zwarte lijst. Eenmaal de poort uit kwam je niet meer binnen. Albert: ‘Als je solliciteerde moest je een extra dag op het resultaat wachten en dan begreep je wel dat de werkgever via de bond te horen had gekregen of je lid van de partij was.’ Dat leidt bij Albert regelmatig tot periodes van werkloosheid en tot een gevoel van uitsluiting met tot gevolg: radicalisering. In die tijd maakt de vakbeweging vooral meer werk van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en medezeggenschap. Op dat terrein is toen veel bereikt wat later weer onder druk is komen te staan.

FNV Bouw

Hij is dan doorgegroeid tot voorzitter van de afdeling Amsterdam van FNV Bouw. Vanuit die functie voert hij overleg met de gemeente Amsterdam, waar PvdA-wethouder Jan Schaeffer (‘In geouwehoer kan je niet wonen’) zich sterk maakt voor sociale woningbouw én voor werkgelegenheid voor Amsterdamse bouwvakkers. ‘Zelf kreeg ik na afloop van een klus altijd de zak, terwijl de rest kon blijven. Thuis zag mijn vrouw me elke keer weer aankomen. De loonstrijd heeft veel mensen de ogen geopend maar als vakbondsactivist was je altijd het haasje. De tegenstellingen tussen sociaaldemocraten en communisten waren groot, de sfeer was bitter. In Rotterdam ging het anarchistischer, in Amsterdam georganiseerder.’

Binnen de Bouwbond NVV was de sfeer langzamerhand zo dat communisten lid konden worden van de bond. Die eiste wel dat leden zich conformeerden aan de regels van de organisatie en zich niet bezondigden aan fractievorming. Verder speelde de discusie of de bond ook voor ongeorganiseerden op moest komen. Nee, vonden velen. Wie de voordelen van het bondslidmaatschap bijvoorbeeld bij arbeidsvoorwaarden en ontslag wil genieten moet maar lid worden. Geen free riders gedrag. In het midden van de jaren zeventig gingen CPN-bouwvakkers zich minder afzetten tegen het NVV en zochten langzaam aan de bond op. Daarmee was het vraagstuk van georganiseerd versus ongeorganiseerd opgelost. De organisatiegraad in de Amsterdamse bouw is in die tijd zeer hoog.

Als actief bondslid volgt Albert de topkadercursus. Dan meldt hij zich voor De Karthuizer, een sociale academie in de Jordaan. Zelf rondt hij de opleiding tot personeelsfunctionaris af en krijgt werk bij de gemeentelijke Sociale Dienst. Hij wordt belast met bijzondere projecten en werkt een jaar als coördinator bij de Stichting Wijkdienstverlening. De aandacht gaat vooral uit naar jeugdige werklozen. ‘Ik moest er aan wennen om met en onder leiding van vrouwen te werken. Dat had ik in de bouw nooit gedaan. Dit was voor mij een nieuwe ervaring en in veel gevallen een verademing. Het was bij de Sociale Dienst in de Vlaardingenlaan in veel opzichten een chaos.’

“Doe mij maar een uitkering”

Er is nagenoeg geen controle op het rechtmatig gebruik van uitkeringen. Elke maandag brengt de post wel honderd brieven van klikkers die melden dat de buurman de boel vernachelt. Natuurlijk werden anonieme brieven direct vernietigd maar evenzo werden serieuze aanwijzingen van misbruik genegeerd.

Albert: ‘De sociale dienst was in die tijd een uit het lood geslagen organisatie. Ze was de klap van de massawerkloosheid van midden jaren zeventig niet te boven gekomen. Het ging het management en de politieke leiding maar om één ding: “Uitkeringen op tijd de deur uit!” anders was men bang voor een volksoproer. Wilde men sneller voorschotten? Onmiddellijk werd de eis ingewilligd.’ Nieuwe medewerkers willen vooral uitkeringen verstrekken. Het is de tijd dat 15-jarigen zich bij het loket melden met de mededeling: ‘Doe mij maar een uitkering!’. Er wordt onvoldoende aandacht besteed aan re-integratie van uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt.

Stichting Herstelling

Samen met anderen wordt de Stichting Herstelling opgericht (zie kader). Meer dan 1000 jongeren zitten in Amsterdam thuis. Die moeten aan de slag en dan bij voorkeur op plekken waar een blind paard geen schade kan aanrichten. Die plekken komen er met medewerking van de Provincie Noord-Holland en Natuurmonumenten. Het zijn de leegstaande historische forten van de Stelling van Amsterdam, 42 stuks. Albert kan al zijn talenten en energie aanspreken om het project een kans te geven. Veel oud-bouwvakkers en ex-mariniers zijn bereid zich in te zetten. Ze brengen een sfeer van discipline en praktisch werken met zich mee. ‘Je moet jongeren tussen de 16 en 26 echt alle aandacht geven anders gaat het mis. Ze hebben geen idee hoe de samenleving en een werkzaam leven er uit zien.’

In 2006 gaat hij met pensioen. ‘Je moet gaan wanneer iedereen zegt dat het nog te vroeg is’, zegt zijn vrouw Sanja. Bij zijn afscheid houdt Albert een indrukwekkend betoog waarbij hij terugblikt op zijn eigen ervaringen en persoonlijke groei: ‘Idealen moet je hebben ook al zijn ze vooralsnog onbereikbaar. Je hebt de plicht bescheiden te blijven en het recht om trots te zijn.’

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Het gezicht van de vakbeweging Amsterdam, een uitgave van de VHV, dat op 13 april 2018 is gepresenteerd.

Reïntegratiebedrijf Herstelling

Fort Penningsveer, één van de forten uit de Stelling van Amsterdam die door Herstelling is opgeknapt

De Stichting Herstelling is in 1997 opgericht door de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. De samenwerking was zeker niet alledaags, maar door noodzaak gedreven. In de bakken van de gemeentelijke Sociale Dienst zaten namen van honderden jongeren, met een afgebroken schoolopleiding en zonder werkervaring, die wel aan werk geholpen moesten worden, en de provincie had een prachtig (Unesco) monument dat dringend onderhoud behoefde: de Stelling van Amsterdam, de ring van 48 forten rondom Amsterdam met een bijzondere toeristische en cultuurhistorische waarde. Later vond uitbreiding plaats naar ander gebouwd erfgoed waaronder de Westergasfabriek in Amsterdam en het Hembrugterrein in Zaandam. Ook heeft Herstelling vanaf 2002 diverse samenwerkingsprojecten uitgevoerd in Suriname en op Curaçao.

De Stichting heeft in haar bestaan veel jonge mensen, met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, aan werk geholpen. Methodisch betekende dat het aanleren van werknemersvaardigheden, zoals op tijd komen, gezag aanvaarden en samenwerken. De focus is in de loop van de jaren verschoven van het organiseren van reguliere trajecten naar bijzondere trajecten voor overlast gevende (criminele) jongeren. Een keuze door de omstandigheden gedwongen.