Het geheugen van de vakbeweging

De oprichting van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS)

Beeldmerk Nationaal Arbeids Secretariaat – Labor omnia vincit – Arbeid overwint alles

Op zondagmiddag 27 augustus 1893 werd in het gebouw Constantia aan de Amsterdamse Rozengracht zowel in de beneden-  als in de bovenzaal vergaderd. Christiaan Cornelissen, arbeidssecretaris van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), ging naar de kleine bovenzaal om met bestuurders van acht vakorganisaties te komen tot de oprichting van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS).

In de benedenzaal debatteerde Ferdinand Domela Nieuwenhuis met Pieter Jelles Troelstra over de betekenis van het Internationaal Congres van Zürich.

In Constantia liepen de wegen van Cornelissen en Domela Nieuwenhuis niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk uiteen. Domela ging richting het anarchisme, terwijl Cornelissen de vakbondsstrijd bepleitte. Zijn standpunt sloot aan bij de besluiten van het Brussels congres van de Tweede Internationale uit 1891.

Op de vergadering in de bovenzaal waren de volgende bonden waren vertegenwoordigd: Algemeene Meubelmakersbond (AMB), Algemeene Nederlandsche Timmerlieden Bond ( ANTimB), Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTypB), Borstelmakersbond, Nederlandsche Diamantbewerkersvereeniging, Nederlandsche Timmerliedenbond, Nederlandsche Internationale Sigarenmakers- en Tabaksbewerkersbond (NISTB)  en de  Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel ‘Steeds Voorwaarts’ (SV), terwijl Cornelissen de SDB vertegenwoordigde

Lange voorgeschiedenis

De oprichting van het NAS kende een lange voorgeschiedenis. De vroegste vakverenigingen in de jaren zestig van de 19de eeuw spiegelden zich aan buitenlandse voorbeelden, met name de Britse vakbeweging, die veelal onafhankelijk van de politiek optrad. In de jaren tachtig kwamen de eerste initiatieven van de grond om landelijk samen te werken op een politiek en godsdienstig neutrale grondslag.

Het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV,1871) vroeg zich in 1888 af of er in Nederland plaats was voor een arbeidersbeweging, die niet revolutionair georiënteerd was, die binnen de bestaande verhoudingen naar verbeteringen streefde. Daarbij zag het ANWV de Londens havenstaking van augustus 1889 als een goed voorbeeld voor de Nederlandse vakbeweging. Daar werd gestreden voor een ‘rechtstreeksch belang: de verbetering van hun inkomen en het bedingen van arbeidsvoorwaarden of betere voorwaarden’. Het ANWV kende ook het initiatief van de Britse vakbeweging tot het oprichten van Internationale Beroepssecretariaten (IBS) die internationaal de belangen van de beroepsgroepen behartigden en niet socialistisch waren. De vroege Nederlandse vakbonden zagen veel voordeel in deze wijze van organiseren en zochten aansluiting.

Vanaf 1891 begonnen vakbonden zich daarom los te maken van de SDB. Domela vond dat een treurige ontwikkeling, ‘Wij dachten den tijd van kleurlooze vereenigingen te boven te zijn.’ Maar de timmerlieden, meubelmakers, typografen en sigarenmakers wilden niet alleen aansluiting bij een IBS, maar ook een onafhankelijk van de SDB en het ANWV werkende brede vakcentrale. De politiek moest op afstand worden gehouden. ‘Zonder partijbeweging hebben de Australische arbeiders het beter dan de in de hooge politiek ontwikkelde Europeesche werkman.’

Brede en onafhankelijke organisatie

De pogingen om te komen tot een brede en onafhankelijke organisatie leidden tot verscheidene bijeenkomsten. Op 11 december 1892 kwamen de Nederlandsche Timmerliedenbond (NTB), de Bakkersgezellenvereniging ‘Ons genoegen is loon naar werk’ en de NISTB bijeen om over het vormen van een vakcentrale te praten.  De ANTypB en de IJzer- en Metaalbewerkersbond meldden zich afwezig. De bonden benadrukten de noodzakelijkheid van een landelijke organisatie, op ‘neutrale’ grondslag. Neutraal tegenover politieke en godsdienstige stromingen, zodat ook confessionele vakverenigingen zich konden aansluiten. Door dit streven was een groot deel van de socialistisch georiënteerde NTB opgegaan in de ANTimB, die zich wel op het onafhankelijke standpunt stelde. Tenslotte nam de vergadering de onderstaande resolutie met algemene stemmen aan:

‘De vergadering overwegende dat de strijd tot vrijmaking van den arbeid een klassenstrijd is. Teneinde dezen strijd met goed gevolg te kunnen strijden is noodig:

a          De samenwerking aller georganiseerde werklieden.

b          De organisatie in de best mogelijken vorm te brengen, waardoor, zonder dat aan het beginsel van den klassenstrijd wordt te kort gedaan, zooveel mogelijk werklieden kunnen toetreden

Overwegende dat de vakorganisatie de beste vorm van organisatie is, zoo voor den klassenstrijd ter eenere, als voor de toekomstige regeling van den arbeid ter andere, besluit, dat de vakorganisatie met kracht moet worden aangevat, waarvoor de samenwerking der vakbonden noodig is, alsook voor een wederkeerigen strijd tegen het kapitalisme. De wijze van samenwerken zal door een algemeene vergadering der vertegenwoordigers van de deelnemende bonden worden vastgesteld’.

Men besloot een derde vergadering te beleggen op 22 januari 1893.  Maar die kwam er niet omdat de timmerlieden niet tot zo’n vakcentrale konden toetreden voordat zij in hun nieuwe bond ANTimB de zaken hadden geregeld.

In de tussentijd had de SDB naar aanleiding van het Zwolse Kerstcongres van 1892 het initiatief genomen om tot vereniging van vakverenigingen en vakbonden te komen en werd de vergadering waarschijnlijk ook om die reden verdaagd. Op 9 juli volgde de bijeenkomst, nu op initiatief van de SDB en onder leiding van Cornelissen.

Christiaan Cornelissen (tweede van rechts) op de redactie van Recht voor Allen (Bron IISG)

Op deze bijeenkomst van 9 juli werd  een voorbereidend comité gevormd van vier vakbondsafgevaardigden en Cornelissen namens de SDB. Het kreeg als taak een conceptreglement op te stellen. Hiervoor moest het volgens de afgevaardigden ook naar buitenlandse voorbeelden kijken. Cornelissen wees op Zwitserland, maar was vooral geporteerd van de Franse arbeidersbeweging, die zich richting het syndicalisme ontwikkelde.

De Franse arbeidersbeweging was rijk geschakeerd, maar liet volgens Cornelissen discussie over beginselen en partijstandpunten buiten het samenwerkingsverband. Dit had hij ook voor ogen voor Nederland. Hij presenteerde de SDB als natuurlijk bondgenoot van de vakbeweging, die ook voor economische actie was. Politieke ideologie en tactiek konden buiten het op te richten arbeidssecretariaat blijven.

Dit was een lastige formule. De vakbonden hadden zich losgeweekt van het ANWV en de SDB en nu keerde de laatste terug in het op te richten arbeidssecretariaat. Als lid van voorbereidend comité stelde Cornelissen het conceptreglement op, waarbij hij werd ondersteund door de typograaf J. G. Sasbach.

 De oprichtingsvergadering

Op de vergadering van 27 augustus in Constantia, bogen de bestuurders zich over de zestien artikelen van het conceptreglement. Zoals te verwachten leidde de bespreking van artikel 2  tot een fundamentele discussie over het karakter van het secretariaat. In art. 2 lid 1, stond als doel: ‘De verschillende arbeidersbonden, zoowel politieke vereenigingen als vakorganisaties, met elkaar in verbinding te brengen, zoodat wanneer het noodig mocht zijn – bij voorbeeld bij werkloosheid, in tijden van werkstaking, bij betooging voor een hervorming op maatschappelijk gebied, die de belangen der geheele arbeidersklasse raakt, enz. – een gemeenschappelijk optreden van alle arbeidersorganisaties in Nederland vergemakkelijkt wordt’.

Zowel vakorganisaties als politieke organisaties konden  dus deel uitmaken van het arbeidssecretariaat. Hiertegen maakte de ANTimB bezwaar. De timmerlieden wilden een vaksecretariaat, met alleen vakorganisaties. De bond hield  vast aan de oorspronkelijke uitgangspunten, zoals die vóór de bemoeienis van Cornelissen met de oprichting van een arbeidssecretariaat, waren geformuleerd. Het ging de meeste bonden erom, dat de politiek geen verdeeldheid in de vakbeweging bracht.  De ANTimB-bestuurders hadden dan ook geen mandaat om tot een arbeids- in plaats van een vaksecretariaat toe te treden. Toen het besluit viel toch een arbeidssecretariaat te stichten, verklaarde de ANTimB eerst het standpunt van de jaarvergadering te moeten afwachten en verlieten de vergadering. Drie dagen later, besloot het hoofdbestuur  voorwaardelijk tot het NAS toe te treden.

Politiek werd ‘gecamoufleerd’

Toen de ANTimB-bestuurders  de vergadering hadden verlaten, veranderden de achterblijvers de tekst van het conceptreglement en vervingen ‘politieke vereenigingen’ en ‘politieke arbeidersorganisaties’ door ‘arbeidersvereenigingen in het algemeen’ en ‘algemeene arbeidersorganisaties’. Het politieke karakter leek naar de achtergrond verdwenen. Maar nu konden alle arbeidersverenigingen, zoals vak- en werkliedenverenigingen, en dus ook politieke organisaties, zich aansluiten. De politiek verdween dus niet uit het NAS, maar werd in het reglement gecamoufleerd.

‘Steeds Voorwaarts’ (SV) zag daarin geen het gevaar. De vereniging kende statutair als doel de opheffing van het privaatbezit. De SV-afgevaardigden moesten eigenlijk  ook het oordeel van hun jaarvergadering afwachten, maar de bond trad voorwaardelijk tot het secretariaat toe.

De verdere bespreking van het conceptreglement leverde geen problemen op. De twee doelen als ‘Het verzamelen van statistische gegevens en het verstrekken van inlichtingen de organisatie der arbeiders betreffende, tusschen de verschillende aangesloten vereenigingen’ en ‘Het onderhouden van korrespondentie met de arbeidssekretariaten van andere landen’ waren overeenkomstig de resolutie- die pleitte voor de oprichting van nationale arbeidssecretariaten –  van het Congres van de Tweede Internationale in Brussel (1891) en het reglement van het Franse samenwerkingsverband uit 1892.

Het NAS werd volgens het reglement samengesteld uit vertegenwoordigers van vakbonden, algemene arbeidersorganisaties die afdelingen telden en zelfstandige vakverenigingen. Van elke aangesloten organisatie zat één lid als vertegenwoordiger in het NAS-bestuur.

De zetel van het NAS was reglementair gevestigd in Amsterdam, waar tenminste de voorzitter, de eerste secretaris en de penningmeester moesten wonen. Minstens éénmaal per maand zou het NAS vergaderen, maar er konden ook buitengewone vergaderingen door het bestuur of ‘gecombineerde’ vergaderingen van de hoofdbesturen van de aangesloten organisaties bijeengeroepen worden.

De kosten van het NAS werden gedragen door de aangesloten organisaties op basis van het aantal leden. De bijdrage werd vastgesteld op één gulden per honderd leden per jaar, te storten bij vooruitbetaling. Dit uiterst lage bedrag gaf aan dat er voor het NAS een beperkte rol weggelegd was.

Het concept werd als reglement aangenomen, waarmee het NAS, in het begin vaak als ‘Arbeidssekretariaat in Nederland’ aangeduid, was opgericht. Sasbach maakte een kort verslag van de oprichtingsvergadering – het enige verslag van de oprichting – dat met het eerste reglement  als circulaire naar de betrokken vakorganisaties en verscheidene vakbondsperiodieken werd gestuurd evenals naar een aantal kranten. Voorzitter werd meubelmaker Piet Wouters, AMB-secretaris en afkomstig uit het ANWV, maar vanaf 1893 lid van de SDB. De eerste penningmeester van het NAS, Herman Kuyper, vertegenwoordigde de Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging. Sasbach bleef tot oktober secretaris en werd opgevolgd door W. van der Vliet van de ANTimB.

Illustratie van Franz Holz in het NAS-orgaan De Arbeid van 27 september 1935

Het eerste bestuur ging op zoek naar mogelijkheden de aanhang van zo’n 13.000 leden te vergroten en richtte zich op de werkloosheidsproblematiek. Al vrij snel werd het NAS geconfronteerd met tal van stakingen waarvoor het steunbewegingen op touw zette. Het NAS wilde een eigen blad uitgeven, maar pas in oktober 1901 verscheen maandelijks het zeer bescheiden Het Correspondentieblad. Dit blad werd in 1905 opgevolgd door het weekblad De Arbeid. Tot die tijd gebruikte het NAS de periodieken van de vakbonden als communicatiemogelijkheid. De Arbeid opende met een verklaring dat het NAS  de klassenstrijd door middel van directe actie centraal stelde en niet het streven naar sociale wetgeving. In en rondom het NAS was over deze strategie jarenlang hevig gediscussieerd. Het sneed de toetreding van vakverenigingen af, die wel voor sociale wetgeving waren en die vakverenigingen die de klassenstrijd afwezen. Zo ging het momentum om te komen tot een brede en onafhankelijke vakbeweging verloren. Ook al omdat er een confessionele vakbeweging opkwam en de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP, 1894) naar een aan de partij verbonden vakbeweging wilde.

Richtingenstrijd

Met de oprichting had het NAS nog niet zijn vorm gevonden, tal van organisatorische en strategische discussies moesten nog worden uitgevochten. De uitgangspunten van IBS en Tweede Internationale waren niet dezelfde. Al spoedig overheersten kleine en radicale vakverenigingen het NAS-bestuur. De metselaar Jan van Zomeren en de schilder Gerrit van Erkel vormden in maart 1896  het dagelijks bestuur. Zij stonden onder invloed van de ideeën van Cornelissen. Na de eeuwwisseling profileerde het NAS zich in de internationale richtingenstrijd in de vakbeweging, waarbij het zich dan ook steeds meer identificeerde met de Franse syndicalistische vakbeweging, belichaamd in de Confédération Générale du Travail (CGT). De tegenpool was de Duitse ‘moderne’ en aan de sociaal-democratie verwante vakbeweging. Verscheidene bonden traden in deze periode uit het NAS en maakten een doorstart met de oprichting van hun eigen min of meer aan de SDAP gelieerde vakcentrale, het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (1905).

Het NAS ging verder op de ingeslagen syndicalistische weg en kreeg in 1907 voor het eerst een beginselverklaring. Hierin stond de economische klassenstrijd centraal en werd benadrukt onafhankelijk van alle politieke stromingen te willen handelen.  Met de beginselverklaring van 1907 leek de vorming van de onafhankelijke vakcentrale voltooid.

Maar het NAS onderging verscheidene veranderingen in de organisatie, de ideologie en de acties die werden gevoerd. In de loop van de jaren twintig veranderde de koers, ging kortstondig de communistische en later  revolutionair-socialistische politieke opvattingen een grotere rol spelen en kwam het onafhankelijke karakter van het NAS in het geding en trad scheuring op. Het NAS begon met het geschatte ledental van zo’n 13.000, waarvan het veel te hoge aantal van 5.000 voor rekening van de SDB zou komen. Het ledental groeide naar 18.700 in 1896, schommelde in de periode daarna en kende zijn dieptepunt in 1909 met ruim 3.400.  In de Eerste Wereldoorlog groeide het NAS sterk, wat leidde tot 51.570 leden in 1920. Toen het NAS in 1940 door de Duitse bezetter werd verboden waren er nog ruim 10.000 leden over

Bron: Piet Hoekman en Jannes Houkes, Het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893-1940. De geschiedenis van de eerste vakcentrale in Nederland (Amsterdam, AUP, 2016).