Het geheugen van de vakbeweging

1983: Het jaar van de grote ambtenarenacties

Het jaar dat de VHV werd opgericht was ook het jaar van de eerste grote acties van ambtenaren. Staken ging nog wat onwennig, wat ongetwijfeld een gevolg was van het feit dat voor ambtenaren bijna 80 jaar een stakingsverbod had gegolden.

In 1903 was na een grote spoorwegstaking een wetswijziging door de kamer gejaagd waardoor het verboden werd voor ambtenaren en rijdend personeel van spoor- en tramwegen om het werk neer te leggen. Weliswaar hadden kleine groepjes dit verbod in de loop der jaren genegeerd, maar echt grote stakingen waren niet meer voorgevallen. Op die keer na, in 1944, toen de regering in ballingschap de mannen van de spoorwegen opriep om het werk neer te leggen. Men hoopte zo de Duitse oorlogsinspanningen te kunnen frustreren, maar veroorzaakte eigenlijk vooral een hongerwinter in de grote steden van het westen van het land.. Maar goed, onder druk van Europa was in 1980 het stakingsrecht voor ambtenaren en dat rijdend personeel hersteld. Nederland had de ratificatie van het Europees Sociaal Handvest waarin dat recht is opgenomen, jarenlang weten te traineren. Maar een land dat zich voorstaat op zijn Europese geest en sociale inslag kon uiteindelijk toch niet anders dan een handtekening onder het handvest zetten.
Eigenlijk was deze uitbreiding van het stakingsrecht wel iets bijzonders in die jaren, want in andere landen staat deze periode juist bekend als een tijdperk waarin de rechten van werknemers en vakbonden aan alle kanten werden beknot. Het grote rechtse offensief van Pinochet, Reagan en Thatcher richtte zich immers primair op uitholling van de rechten van arbeiders. Ouderen onder ons kunnen zich ongetwijfeld nog de beelden voor de geest halen van stakende luchtverkeersleiders die in 1981 door de Amerikaanse politie werden opgebracht als een stel gevaarlijke moordenaars. Geketend en wel. Hoe het er in Chili aan toeging, hoeven we niet eens in de herinnering te halen. Waar ging het om in 1983? Het waren niet alleen jaren van een rechtse wind, maar ook een van economische tegenwind. Sterker nog, deze verslechterde economische situatie gaf de rechtse economen en politici die jarenlang de mond was gesnoerd door het arbeidersverzet en de maatschappelijke onrust van de jaren zestig en zeventig, weer de gelegenheid om zich te laten gelden. De lonen waren te hoog en de macht van vakbonden was te groot geworden in hun ogen. Jarenlang vonden hun zachte protesten geen weerklank, maar nu hadden ze het tij mee. De economische crisis was rond het midden van de jaren zeventig begonnen en zoals altijd in zulke tijden kreeg de bevolking een golf aan rechtse propaganda over zich heen. De lonen zijn te hard gestegen en de vrijheden te veel uitgebreid, zo luiden ineens de praatjes in de pers. Bij die praatjes deed men een beroep op de vermeende natuurlijke stand van zaken zoals beschreven door achttiende-eeuwse verlichtingsfilosofen en klassieke economen. We leven tegenwoordig in de nadagen van dit offensief van rechts en langzaam maar zeker zijn er weer stemmen te horen die zich hiertegen verzetten. Maar we zijn nog steeds niet van ze af.

Aanval op de ambtenaren

In 1983 waren de tegenstanders van alles wat naar macht voor werknemers riekt nog volop in de aanval. Rechts was in een winning mood en de arbeiders- en vakbeweging waren in het defensief gedrongen. De regering onder leiding van CDA-er Ruud Lubbers begon een project om de collectieve lasten terug te dringen. Deze lasten waren sinds 1970 toegenomen van ongeveer 45% van het bruto nationaal product tot ruim 62%. Overigens niet alleen door de ‘potverteerder’ Joop den Uyl, zoals rechtse politici en commentatoren tot op de dag van vandaag beweren, maar ook de kabinetten Van Agt gingen vrolijk verder met het laten groeien van de collectieve uitgaven. Den Uyl eindigde in 1977 met een kleine 53%, maar na Van Agt stond de teller pas op de genoemde 62%. Minister van Economische Zaken Ruding verwoordde de plannen van Lubbers later als volgt: ‘de tijd van pappen en nathouden was voorgoed voorbij en er moesten maatregelen worden getroffen’. Een van die maatregelen was het plan om de salarissen van ambtenaren en de uitkeringen met 3,5% te verlagen. Het leken de tijden van Colijn wel. Mensen die die tijd nog hadden meegemaakt voelden dat ook zo, ondanks het feit dat de regering tegelijk met de salariskorting een verkorting van de arbeidstijd voorstelde.
De bonden, met de AbvaKabo van Jaap van de Scheur voorop, voelden zich gepasseerd en gooiden hun kont tegen de krib. Bij ledenraadplegingen bleek dat veel betrokkenen de regeringsmaatregelen helemaal niet zagen zitten. Er moesten acties komen. In de rest van de samenleving keek men misschien wel wat meewarig naar deze onrust onder ambtenaren, want een jaar eerder hadden de vakcentrales het akkoord van Wassenaar ondertekend. Daar ging de vakbeweging juist akkoord met loonmatiging in ruil voor de belofte dat er banen zouden worden geschapen. Overigens was het reële loon voor alle Nederlandse werknemers in 1981 al acht procent gedaald ten opzichte van 1979, dus waarom moest dit nog eens in een afspraak worden vastgelegd? Maar goed, de ambtenaren weigerden massaal om zich zomaar gewonnen te geven. Evenals trouwens de uitkeringsgerechtigden, die op 11 juni al met een demonstratie van ruim vijftigduizend mensen hun onvrede hadden getoond.

Boos op Koos

De woede onder de ambtenaren richt zich op de verantwoordelijke minister Koos Rietkerk onder het motto ‘Boos op Koos’. De acties beginnen kleinschalig bij de Amsterdamse brandweer, maar vanaf 16 oktober gaan ze als een golf over het land. Het spoorwegpersoneel plakte eerst de ramen van het Amsterdam CS dicht en gaat later over tot een stiptheidsactie. Buschauffeurs gaan die dag in staking; de eerste dag al 1800. Na enige aarzeling nemen de bonden de staking over, terwijl de stiptheidsacties enkele weken aanhouden. Inmiddels werd er ook op diverse andere plaatsen gestaakt. Premier Lubbers probeert op 1 november nog op eigen houtje om verdere acties te voorkomen, door aan te bieden dat de salarissen slechts met 3% zullen dalen. Zijn voorstel levert hem de hoon van de bonden op en wrevel binnen het kabinet, omdat hij deze uitspraak volledig buiten zijn collega-ministers om doet.
De dag na de interventie van Lubbers kondigt de ABVA/KABO ontwrichtende acties aan. Zonder deze hebben de ambtenaren namelijk geen poot om op te staan. De beuk moet erin en dat gebeurt ook. Vooral bij PTT-post, toen nog een echt staatsbedrijf, en de reinigingsdiensten voert het personeel op grote schaal actie. De post stapelt zich op in de kantoren en het huisvuil op straat; en dat twee weken lang. Nog ontwrichtender zijn echter de stiptheidsacties van bijvoorbeeld de douane. Als werknemers zich stipt aan de regels houden, staat alles immers vrijwel stil. In totaal ongeveer honderdduizend mensen voeren op een of andere manier actie.
Inmiddels komen er echter tegenstellingen binnen de bonden naar boven drijven; het CNV haakt uiteindelijk zelfs af. Uiteindelijk werd ook door de ABVA/KABO genoegen genomen met de door Lubbers toegezegde 3%. Dit gebeurt onder druk van uitspraken van diverse rechters, die stakingen bij de PTT, ROTEB en RET verbieden. Het nog vrij prille stakingsrecht leek op dat moment toch wel een wassen neus door dit optreden van de rechterlijke macht. De rechter die verdere acties bij de posterijen verbood vond dat ze nu lang genoeg hadden geduurd. Ambtenaren hebben wel stakingsrecht, maar geen recht om die staking te winnen, zo verklaarde hij jaren later.

Stakingsrecht toch uitgehold

Deze rechter en zijn collega’s legden zo in 1983 de basis voor de jurisprudentie over het stakingsrecht van ambtenaren, maar ook van andere werknemers. Er mag worden gestaakt maar dan moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Staken moet een soort ‘ultimum remedium’ zijn om het maar eens in juridische termen te zeggen. Het mag, maar dan pas in laatste instantie, als alle andere middelen hebben gefaald. Dit beginsel sluit aan op de voorwaarden die door christenen in 1891 al werden gesteld voor het recht van arbeiders om te staken. De toepassing zoals de Nederlandse rechters die hebben gehanteerd, is ze in 2002 wel op een berisping komen te staan. Een commissie van onafhankelijke deskundigen van de Raad van Europa oordeelde toen dat de Nederlandse rechters door hun aanpak het stakingsrecht feitelijk ondermijnen. In 1983 was deze uitspraak helaas nog niet bekend.

Sjaak van der Velden