Het geheugen van de vakbeweging

1944:  Oprichting van de Eenheidsvakbeweging (EVB)

Affiche ontwerp T. Jansen, circa 1946 (IISG)

Vijfenzeventig jaar geleden werd de grondslag gelegd voor een geheel nieuwe vakorganisatie, de Eenheidsvakbeweging (EVB). Dit was een initiatief van de ondergrondse leiding van de Communistische Partij Nederland (CPN), die een belangrijke rol in het verzet had gespeeld en hoopte dat zij het daardoor gewonnen respect zou kunnen omzetten in sleutelposities in de naoorlogse maatschappij.

Behalve deelname aan een progressieve regering beoogde ze ook een dragende rol in een vernieuwde vakbeweging, waarin de oude levensbeschouwelijke tegenstellingen zouden worden overwonnen in het belang van de gezamenlijke strijd om optimale arbeidsvoorwaarden.

Communistisch succes in het buitenland

Deze ambitieuze doelstellingen leken in de jaren 1944 en 1945 zeker geen luchtkastelen. In landen die al eerder waren bevrijd, zoals Italië en Frankrijk, hadden de communisten dankzij hun prominente rol in het verzet een plaats in de regering en veel invloed in de vakbeweging verworven.

Door samen te werken met progressieve stromingen die zich ook hadden verzet tegen de fascistische overheersers hoopte de CPN het isolement, waarin ze voor 1940 had verkeerd, te doorbreken. De situatie in Nederland was voor haar echter in een aantal opzichten ongunstiger dan in die eerder bevrijde landen.

Haar rol in het verzet was minder prominent, waardoor ook de electorale verwachtingen minder hooggespannen konden zijn; de nadruk kwam zodoende vooral te liggen op een vernieuwde vakbeweging.

De vakbeweging was vanouds opgesplitst naar levensbeschouwing en geloof, waarbij vooral de confessionele organisaties een grote greep hadden op hun eigen achterban. De CPN moest zich daarom richten op de achterban van de sociaaldemocratisch georganiseerde vakbeweging (NVV), die overigens vanouds sterk anticommunistisch was. Maar ook op de diverse radicaal-socialistische stromingen buiten het NVV en de CPN, die evenzeer tegen de vooroorlogse politiek van de CPN waren gekant en de grote groep van voorheen ongeorganiseerde arbeiders, die tijdens de bezetting waren geradicaliseerd.

In 1943 hadden leidende figuren uit de werkgeverswereld contact gezocht met de leiders van de door de bezetter ontbonden confessionele en sociaaldemocratische vakorganisaties om te komen tot institutionele samenwerking bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden.

Uit die  – clandestiene – besprekingen resulteerde het ontwerp voor een stichting met publiekrechtelijke bevoegdheden (de Stichting van de Arbeid), die in gezamenlijk overleg cao’s zou voorstellen met een bindend karakter. Het doel ervan was om na de bevrijding te komen tot gereguleerde arbeidsverhoudingen onder regie van deze Stichting, waardoor sociale strijd niet meer nodig zou zijn -en ook actief kon worden tegengegaan, zoals na mei 1945 zou blijken. Daar kwam bij dat dit overlegmodel in dienst kwam te staan van het overheidsbeleid, dat in het kader van de wederopbouw lage lonen nastreefde, in ruil voor de belofte van een dekkend stelsel van sociale zekerheid.

De wind mee

Aanvankelijk had de CPN de wind flink mee. Omdat de ‘oude’ vakbonden door de bezetter waren opgeheven, kon het initiatief voor een Eenheidsvakbeweging met kracht worden gepropageerd, waarbij het illegale apparaat rond de CPN grote diensten bewees. Daarbij werd vooral de grootste concurrent, het sociaaldemocratisch georiënteerde NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) een dankbaar mikpunt.

Deze organisatie was in 1906 opgericht als een neutrale koepel voor arbeiders van alle godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen, maar kreeg al gauw het stempel de vakbondspoot van de SDAP te zijn, omdat de confessionele partijen hun ‘eigen’ vakbonden oprichtten, die de confessionele arbeiders afschermden voor de aanspraken van het NVV als algemene en neutrale organisatie.

In mei 1941 werden de confessionele vakbonden op last van de bezetter opgeheven en werden hun leden overgeheveld naar het NVV, dat de rol kreeg toebedeeld van algemene vakorganisatie in de ‘Nieuwe Orde’ van het nationaalsocialisme. Verreweg de meeste bestuurders gingen in deze rol mee, omdat hierdoor het NVV eindelijk zijn ambitie leek te realiseren om de algemene vakorganisatie te zijn. Maar de confessionele arbeiders traden massaal uit, op instigatie van hun voormannen, en toen het NVV een jaar later werd omgezet in een zuiver fascistische organisatie op corporatistische grondslag moesten ook de meeste NVV-bestuurders constateren dat hun opzet was mislukt en riepen ze hun leden op om uit te treden.

Deze korte fase van collaboratie heeft het NVV een enorme reputatieschade berokkend, en vele NVV-leden waren daarom vervreemd van hun organisatie en stonden open voor het initiatief van een nieuwe eenheidsvakbeweging.

Bedrijfstakgewijze organisatie

De propaganda voor een nieuwe vakbeweging die de oude scheidslijnen zou overbruggen sloeg overigens in veel bredere kring aan. In de Limburgse mijnen kwam al in september 1944 een eenheidsorganisatie tot stand, die grote aanhang verwierf.

Na de bevrijding van de rest van het land beleefde de beweging voor vakbondseenheid ook daar een stormachtige opkomst. Overal werden bijeenkomsten belegd waarop de arbeiders zich massaal inschreven en eind 1945 zou het ledental 170.000 hebben bedragen, ongeveer evenveel als het NVV.

Opvallend bij de opbouw van de EVB was de indeling in grotere bonden naar bedrijfstak en niet naar beroepsgroep, zoals in de vakbeweging gebruikelijk was. De gedachte hierachter was dat er voor 1940 in toenemende mate cao’s werden afgesloten per bedrijfstak, waardoor aan werknemerszijde de diverse beroepsbonden in de onderhandelingen met de werkgevers zwakker stonden. De ‘oude’ vakbonden erkenden dit euvel, maar gaven in 1945 prioriteit aan een snelle terugkeer en wisten pas in de jaren 1950 de ook door hen gewenste omvorming naar bedrijfstakbonden door te voeren.

Van EVB naar EVC

Die snelle terugkeer gaf ook aan dat deze bonden niets zagen in een eenheidsvakbeweging. De EVB reageerde in de herfst van 1945 hierop door zichzelf om te dopen tot Eenheidsvakcentrale (EVC). De landelijke leiding van de EVC zag dit als een tijdelijke fase: het nieuwe doel was nu fusie met het NVV. De nieuwe centrale zou dan de arbeidersbeweging domineren en de CPN zou via haar leden daarin grote invloed kunnen uitoefenen, temeer daar deze fusie betekende dat de nieuwe centrale uit bedrijfsbonden zou bestaan en de EVC dus een strategisch voordeel in het fusieproces zou hebben omdat ze die omvorming al doorgevoerd had.

Het NVV ging in september 1945 op het voorstel tot fusie in, met de nodige scepsis vanwege de grote invloed van de CPN in de EVC, maar het stelde wel de nodige voorwaarden, die tot felle discussies in de EVC leidden. Deze hadden alles te maken met het nieuwe overlegstelsel over de cao.

Spontane stakingen en veranderende spelregels

Demonstratie tegen werkloosheid op 1 februari 1953. Foto Dolf Kruger (IISG)

De EVB had namelijk ook een grote aantrekkingskracht op militante arbeiders, die hierin een organisatie zagen die ruimte bood voor de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden. Dit bleek al direct eind juni 1945, toen de Rotterdamse havenarbeiders spontaan in staking gingen vanwege een disciplinaire maatregel tegen een van hun voormannen, en meteen een concreet eisenpakket op tafel legden dat teruggreep op hun grieven ten aanzien van de situatie van voor 1940.

Tijdens deze staking werd de EVB in Rotterdam opgericht, waarvan vrijwel alle havenarbeiders lid werden. De werkgevers waren verrast door de massaliteit van de actie en leken bereid tot concessies. Maar nu bleek opeens dat de spelregels waren veranderd. De voorlopige regering Schermerhorn-Drees wees de stakers erop, dat hun eisen moesten worden voorgelegd aan de Stichting van de Arbeid en dat deze daarover een bindende uitspraak zou doen. Verder werd erop gewezen dat de EVB daarover geen zeggenschap had omdat ze in de Stichting van de Arbeid nog geen plaats had, en die plaats zou ze alleen kunnen krijgen als ze van tevoren toezegde zich bij die uitspraak neer te leggen en in afwachting daarvan de staking zou  beëindigen.

Hierover ontstond grote onenigheid binnen de EVB. De stakers wilden van geen wijken weten, maar de landelijke leiding, die in Amsterdam zetelde en geheel door de CPN werd beheerst, wilde vooral erkenning van de EVB in de Stichting van de Arbeid. Als compromis werd besloten tot opschorting van de staking, maar toen de onderhandelingen niets opleverden, kwam het in augustus tot een nieuwe staking, die evenmin tot een doorbraak leidde.

Uiteindelijk moesten de havenarbeiders de staking opheffen, in ruil voor vage toezeggingen tot overleg, maar daarin wilden de werkgevers niet verder gaan dan het magere eisenprogramma van het NVV. Het NVV blokkeerde in de Stichting elke toegeving aan de EVB, om zo deze concurrent buiten spel te zetten. De landelijke EVB-leiding accepteerde dit, zeer tegen de zin van de Rotterdamse afdeling.

Geen fusie

Deze impasse werd in de daarop volgende maanden niet doorbroken. De EVC werd te verstaan gegeven, dat ze zich moest neerleggen bij de nieuwe ‘spelregels’ en maar het beste kon fuseren met het NVV.

Bijeenkomst EVC op Amstelveld in verband met zeeleiden- en havenstaking, 27 april 1946. Foto Ben van Meerendonk (IISG)

Hierover werd in 1946 taai onderhandeld, maar de zaak werd op scherp gezet door een grote zeelieden- en havenstaking (eind april-begin juli 1946), die begon als een conflict van zeelieden die hun gevarentoeslag uit de oorlog derfden en door de solidariteit van de havenarbeiders in Rotterdam en Amsterdam uitgroeide tot een van de grootste stakingen uit de Nederlandse geschiedenis.

Opnieuw werd deze staking zonder resultaat opgeheven, op instigatie van de landelijke leiding en tegen de zin van de Rotterdamse EVC-afdeling. De fusie met het NVV leek nog de enige uitweg om tot iets nieuws te komen, maar nadat de EVC aan de voorwaarden van het NVV had toegegeven (erkenning van de ‘spelregels’ van het overleg en een ondergeschikte positie in de nieuwe centrale), blies het NVV begin 1947 de fusie af. Juist de effectieve manier waarop de landelijke EVC-leiding de oppositie tegen de fusie had uitgeschakeld, leverde het beslissende argument: dit bewees hoezeer de CPN de lakens uitdeelde in de EVC.

De fusie was voor het NVV ook niet meer zo nodig: door zijn strategische positie binnen de Stichting kon het NVV de EVC beletten mee te praten over cao’s, en het zette dit wapen veelvuldig in. Bovendien hadden veel EVC-leden bedankt vanwege de interne verdeeldheid binnen de EVC en waren deels overgegaan naar het NVV, dat daarnaast ook zelf veel nieuwe aanhang had verworven en de EVC in ledental ruimschoots overvleugeld had.

Een flinke aderlating onderging de EVC in maart 1948, toen de Rotterdamse afdeling zich afscheidde en als Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB) verder ging. Voor de EVC restte niets anders dan als vakbondspoot van de CPN door te gaan in een toenemend isolement, waarbij stakingen nu wel voluit gesteund of actief op touw gezet werden. Ze was tegen de achtergrond van een steeds fellere Koude Oorlog een onderdeel geworden van een soort communistische zuil, het tegendeel van wat ze in 1944 en 1945 beoogd had.

Kortom, dit initiatief van een strijdbare eenheidsvakbeweging, dat in 1945 zo voortvarend van start ging, bleek toch minder levensvatbaar. Het liep vooral stuk op de onwil van de oude vakbonden om mee te gaan in het streven naar één vakbeweging, terwijl de strijdbaarheid werd geneutraliseerd door het gesloten front van de sociale partners in de Stichting van de Arbeid, die zich er scherp van bewust waren dat ze de vuurproef van de spontane EVC-stakingen moesten doorstaan om het nieuwe overlegstelsel ingang te doen vinden. Dat de EVB/EVC daarbij steeds aan de leiband liep van de CPN met haar specifieke agenda, maakte haar positie niet sterker.

Erik Nijhof

April 2019