Het geheugen van de vakbeweging

De landelijke AJC- vlag (foto: An de Klonia-Buitenhek)


Terugblik op illustere jeugdbeweging van SDAP en NVV

100 jaar Arbeiders Jeugd Centrale (AJC)

In Het Jonge Volk, jeugdorgaan van de moderne arbeidersbeweging in Nederland, onder redactie van P. Voogd, de vijfde jaargang van 9 januari 1918 werd onder het kopje ‘Gewichtige veranderingen’ bekendgemaakt: ‘De bereidverklaring van het NVV [Nederlands Verbond van Vakverenigingen] – bestuur om met de SDAP [Sociaal Democratische Arbeiders Partij] samen te werken voor de jeugdontwikkeling. Wel heeft deze zaak organisatorisch nog niet haar volle beslag gekregen, maar er is alle kans, dat dit vrij spoedig zal geschieden. Een en ander heeft nodig gemaakt, dat de huidige organisatievorm wordt gewijzigd. Het Kerstkongres der SDAP besloot trouwens al in deze geest. Op een nieuwe leest wordt de jeugdontwikkeling geschoeid. De verantwoordelijkheid voor het welslagen van het jeugdwerk wordt op de schouders gelegd van volwassenen, die aangewezen worden door partij en vakbeweging. Veel meer zullen ouderen bij ons werk een taak krijgen, die te zwaar bleek voor jeugdige krachten. SDAP en NVV willen de zaak der jeugdontwikkeling flinker en breder aanpakken. Op voor de groei en de bloei van het jeugdwerk der arbeidersbeweging!’

Kop pagina Het Jonge Volk van 27 Maart 1918.

Vervolg van het bericht: ‘Op 18 en 25 Maart vergaderde het nieuwe Komitee voor Jeugdontwikkeling, dat als volgt is samengesteld: J.G. van Kuijkhof en A.H. Gerhard (aangewezen door het Partijbestuur); Oudegeest en H.J. Bruens (vertegenwoordigers van het NVV-bestuur),en P. Voogd (benoemd door beide besturen). Het Dagelijks Buro bestaat uit: J. Oudegeest, voorzitter; H.J. Bruens, penningmeester en P. Voogd, sekretaris. Het sekretariaat is gevestigd te Amsterdam, Reguliersgracht 80, kamer 1, waar de ambtenaresse, Mej. Drost, dagelijks aanwezig is voor het geven van inlichtingen en waarheen alle brieven en bescheiden gezonden moeten worden.
Besloten werd: (1) Het Komitee te noemen: Arbeiders-Jeugd-Centrale (A.J.C.), (2) de tussen SDAP en NVV overeengekomen grondslag van samenwerking in zake jeugdontwikkeling vast te leggen.’

Wat ging vooraf?

De Zaaier

De AJC was niet de eerste jeugdorganisatie van de SDAP. Zeven jaar na de oprichting van de SDAP in 1894 kwam in 1901 haar eerste jeugdorganisatie tot stand, de Sociaal Democratische Jeugdbond ‘De Zaaier’. De leden van De Zaaier ontwikkelden echter een radicalere koers en vanaf 1909 ging De Zaaier verder als de ‘Communistische Jeugdbond De Zaaier’.

De JO

Het SDAP-bestuur was na de ervaring met De Zaaier bang om nog eens een breuk te krijgen met een jeugdorganisatie, een breuk die de positie van de partij kon verzwakken. In 1911 stelde het SDAP-bestuur aan het partijcongres voor opnieuw een organisatie op te zetten voor jongeren onder de achttien jaar. Het congres ging uiteindelijk, in het belang van de continuïteit van de beweging, hiermede akkoord, echter werden enige voorwaarden gesteld. De organisatie diende zo te worden ingericht, dat de leden niet de kans kregen zich te weren tegen de partij. Bovendien mochten de jongeren niet alle touwtjes in handen krijgen, zoals bij De Zaaier was gebeurd, er dienden toezichthoudende volwassenen te komen. Deze Jeugdorganisatie van de SDAP, oftewel de JO, ging vanaf 1912 te Amsterdam van start.
In 1913 werd het ‘Centraal Comité voor Jeugdorganisatie der SDAP’ in het leven geroepen. Deze stelde richtlijnen op voor het werk en adviseerde over het opzetten en leiden van een JO. Heel groot werd de JO van de SDAP niet. Na de start waren er in oktober 1913 slechts 12 JO’s met 900 leden. Maart 1917 waren er 23 JO’s met bijna 1100 leden.

Het Jonge Volk

Vanaf  1 februari 1914 gaf het Comité een maandblad uit voor de leden,  Het Jonge Volk, genoemd naar het socialistische dagblad Het Volk. De richtlijnen van het Centraal Comité en de artikelen in Het Jonge Volk maakten duidelijk dat bij ontwikkeling van de leden niet alleen gedacht werd in termen van scholing. De JO- leden, als toekomstige strijders voor de socialistische zaak, dienden een brede ontwikkeling te krijgen. Het was een opzet die de achtergrond van de opstellers van het programma verried, een groep idealistische onderwijzers met verlichte denkbeelden over opvoeding en onderwijs, onder wie Piet Voogd en Theo Thijssen.

Kritiek op de JO

Deze eerste jeugdorganisatie van de SDAP waarin de ontwikkeling van de leden centraal stond en niet de scholing, werd niet wat ervan was gehoopt. Afgezien van de wandel- en fietstochten was het allemaal erg serieus met besprekingen van politieke en maatschappelijke onderwerpen. Het gebrek aan morele steun van de SDAP hielp ook al niet mee. De volwassenen in de JO beleden schuld. Het Centraal Komitee (zoals het vanaf eind 1915 werd geschreven) gaf toe dat het de jongeren teveel aan zichzelf had overgelaten.

Naar een nieuwe jeugdbeweging

De SDAP en het Centraal Komitee zochten vanaf 1916 contact met geestverwanten, zoals het in 1906 opgerichte NVV en de Bond van Arbeiders Coöperaties, ook opgericht in 1906. De Coöperatie haakte af, omdat zij een jeugdbeweging niet op haar terrein vond liggen, maar tussen SDAP en NVV kwam het tot een samenwerkingsverband. En zo resulteerde de samenwerking tussen SDAP en NVV in de oprichting van de AJC.

Piet Voogd, in september 1918 sprekend tot de jongeren.

Afscheid, door Piet Voogd

Het is nu bijna zes jaar geleden, dat het Partijbestuur der SDAP het Centraal Komitee voor Jeugdorganisaties (de JO) instelde wiens eerste werk was het stichten van dit jeugdorgaan Het Jonge Volk, waarvan het eerste nummer op 1 Februari 1914 verscheen. Dit nummer is het laatste nummer dat onder mijn redaktie verschijnt. Door drukke werkzaamheden ben ik genoodzaakt mijn taak aan een ander over te dragen. Na de medewerking der vakbeweging NVV, na de stichting der Arbeiders Jeugd Centrale dus, namen verschillende vakbonden Het Jonge Volk voor hun adspiranten. De omstandigheden waaronder de scheidende redakteur het blad verlaat, zijn gunstig en dat is een prettige gedachte. Bovendien, het blad komt in de uitstekende handen van de nieuwe redakteur A.M. de Jong. Leve Het Jonge Volk.

 Inleidend woord, door A.M. de Jong

‘Waarde vrienden. In het vorige nummer heeft P. Voogd afscheid genomen als redakteur, nu is het aan mij in dit eerste nummer, dat onder mijn redaktie verschijnt, een inleidend woord aan jullie adres te richten. Ik sta nog helemaal vreemd tegenover jullie en tegenover het werk aan ons blaadje en ik heb nog geen nauwkeurig overzicht van wat er gedaan moet worden. In ieder geval houd ik mij aanbevolen voor veel en krachtige medewerking. Dan wordt de jeugdbeweging meer en meer wat zij zijn moet: de voorbereiding en leerschool voor het leven van harde, maar mooie strijd, dat jullie later wacht in partij en vakbeweging. En nu genoeg gepraat. Het werk wacht! Ik beveel mij warm aan in jullie vriendschap en medewerking.’

Vaarwel en tot weerziens, door Koos Vorrink

In ons Kerstnummer heeft onze afgetreden redakteur A.M. de Jong een woord van afscheid geschreven en ik heb de redaktie van ons blad met de nieuwe jaargang overgenomen. Hij en ik, wij zijn eigenlijk veel te intieme vrinden, dan dat ik nou hier in onze krant kan afsteken. Hij heeft zelf in  zijn ‘afscheid’ zo duidelijk uiteengezet, dat Het Jonge Volk een redakteur nodig heeft, die midden in de jeugdbeweging staat, haar kent door dagelijkse ervaring. Zijn leidende gedachte is steeds geweest en daar is de jaargang 1920 het getuigenis van: ‘voor onze arbeidersjeugd is het beste maar net genoeg’. Voor deze hoge opvatting van zijn taak, voor al het leerzame dat hij ons geboden heeft, onze kameraadschappelijke dank!

Onze Paasheuvel

Op 2 juli 1922 werd De Paasberg te Vierhouten door de AJC gekocht. Twee weken later werd er reeds door de Amsterdamse AJC- afdeling een kampeerweek gehouden. Onder leiding van mijn vader Jan Stoovelaar en zijn vrouw Tine Stoovelaar-van der Doe trokken 22 Amsterdamse jongens en meisjes op zaterdag 15 juli 1922 naar Vierhouten en sloegen daar hun tenten op. Het eerste tentenkamp op de Paasberg! Na een week, op zaterdag 22 juli, werd het kamp opgebroken en ging iedereen huiswaarts.

Onze Paasheuvel, tekening van Fré Cohen, juli 1922.

Fré Cohen was een van de deelneemsters en zij maakte van het kamp een schitterende tekening met vier tenten, die ze aan mijn vader gaf. Ook uit beschrijvingen van die week blijkt dat er vier tenten waren neergezet. Fré tekende die natuurgetrouw.

Vlaggen, Pinksterfeest 1926, tekening van Fré Cohen.

Bloei van de AJC

Onder de bezielende leiding van Koos Vorrink kwam de AJC tot grote bloei. Waren er in 1922 landelijk nog maar 2600 leden, in 1924 waren er al 4000 en in de topjaren 1932 en 1933 telde de AJC bijna 11.000 leden. Daarna zakte het ledenaantal, begin 1940 waren er nog bijna 6.000 leden.

Wij Rode Valken

Oorspronkelijk bestond de AJC uit A-leden en B-leden, maar in 1928 begon de AJC, naar Duits voorbeeld met het ‘Rode Valkenwerk’, voor de jeugd van 12 tot 16 jaar. Het eerste Rode Valkenkamp werd in 1928 te Vierhouten gehouden en stond onder leiding van Jan en Tine Stoovelaar.

Tekening van AJC-ers, door Johan van Hell, 1928.

In artikel 1 van de Rode Valkenwet staat: ‘Wij Rode Valken, voelen ons deel van de strijdende arbeidersklasse’. De arbeiders, de ‘rooien’ zoals ze soms schimpend werden genoemd, vochten niet alleen voor meer loon, kortere arbeidsdagen, vakantie, steun bij ziekte en werkloosheid, maar ook tegen de oorlog en vóór vrede onder de volkeren.

Voor vrede en vrijheid, een brochure uit 1932 met tekst van Koos Vorrink, ontwerp Fré Cohen.

Na de oorlog

Aan het begin van de oorlog in 1940 werd de SDAP ontbonden en op 9 februari 1946 werd de Partij van de Arbeid (PvdA) opgericht. Reeds in de oorlog waren er plannen ontworpen de AJC na de bevrijding als zelfstandige jeugdorganisatie, los van de SDAP en het NVV te laten herrijzen. Zowel bij de bestuurders van de AJC als bij de SDAP en het NVV leefde de opvatting de vooroorlogse toestand niet te continueren.

De Rode Valken-wet, een brochure uit 1932, ontwerp Fré Cohen.

Door de SDAP werd een Culturele Commissie in het leven geroepen, die haar mening als volgt formuleerde: ‘De ontwikkeling van de jeugdbeweging vertoont een soortgelijk beeld als die in de partij. Ook op dit gebied ligt een oplossing als bij de Partij voor de hand, enerzijds een algemene politieke jongerenorganisatie (later genoemd Nieuwe Koers) en anderzijds een meer humanistische jeugdbeweging. Bij de AJC, die voor de oorlog ten nauwste met de Partij verbonden was, is de wens naar voren gekomen een meer zelfstandige positie in te nemen. De AJC krijgt hierdoor de mogelijkheid zich op basis van een humanistische levensbeschouwing tot de gehele buitenkerkelijke arbeidersjeugd te wenden’.

En zo geschiedde.

Tekening van Albert Funke Küpper, AJC-ers in het Openluchttheater, Pinksterfeest 1934.

De AJC na de oorlog

Ook de AJC werd bij het begin van de oorlog ontbonden. Na de oorlog werd de AJC een zelfstandige jeugdorganisatie voor culturele arbeid en werd onderverdeeld in Zwaluwen (8-12 jaar), Trekvogels (12-16 jaar) en Rode Wachten (boven de 16 jaar). Direct na de bevrijding kwam de AJC weer tot bloei, reeds in 1945 waren er meer dan 8.000 leden. Het hoogtepunt was 1947 met bijna 11.000 leden.

AJC moet potje likken …

De AJC en AJC-ers werden vaak uitgescholden. Een bekende yell was altijd: ‘AJC moet potje likken, anders hebben ze niks te bikken’.

Vriendschap, tekening van Ger Sligte voor de XIRNZ 1947

Internationaal

Van 10 tot 14 oktober 1947 was er in het Meenthuis te Blaricum een conferentie van negen Rode Valkenorganisaties, die uitmondde in de oprichting van het ‘International Falcon Secretariat ‘(IFS), waarvan de Nederlandse AJC- tak ‘Internationaal Trekvogel Secretariaat’(ITS) ging heten. In 1953 werd de naam van het IFS vervangen door het betere ‘International Falcon Movement’(IFM).

 Waar ging het mis?

Begin jaren ’50 bleek dat steeds meer Trekvogels maar kort lid bleven. De Trekvogels vormden echter het kernpunt in de AJC-organisatie. Zonder Trekvogels geen Rode Wachten en dus ook geen kader. Zonder een goede Trekvogel-organisatie konden de Zwaluwen ook niet doorstromen. De AJC-leiding bedacht van alles om deze uitstroom te stoppen, maar had daarmee geen succes. Bovendien roerden oudere AJC-leden zich en riepen om hervormingen. Als variatie op een bekende uitspraak: De anti-krachten waren redeloos, de AJC-leiding was radeloos, de AJC was reddeloos. Op 28 februari 1959 werd de AJC opgeheven.

Waarom ging het mis?

Daar is natuurlijk veel over nagedacht en er is veel over gesproken. Waarschijnlijk is de beslissing in 1946, het loslaten van de band met de Partij van de Arbeid, van wezenlijk belang geweest. Het socialisme als bindende factor ontbrak in de AJC. Merkwaardig is ook dat in alle landen om ons heen in Europa, maar vooral ook in Zuid-Amerika er bloeiende socialistische jeugdorganisaties zijn.

De Zonnehal met AJC-ers, Pinksterfeest 1954 (foto: Collectie Peter van Halm).

Na de opheffing van de AJC

In 1963 werd in Vierhouten 40 jaar Paasheuvel georganiseerd met 4.500 deelnemers en in 1973 werd dat nog eens overgedaan, toen de Paasheuvel 50 jaar bestond, met 3.000 deelnemers.

De Zuil bij de Paasheuvel, met de namen van 414 in de oorlog omgekomen AJC-ers (foto: An de Klonia-Buitenhek).

In 1976 werd door ‘de meisjes van de Gracht’ een bijeenkomst georganiseerd van oud-bestuurders van de AJC met als doel: ‘Leg de geschiedenis van de AJC vast’. In 1977 begon de ‘Werkgroep Onderzoek AJC’ en in 1980 de ‘Werkgroep oud -AJC- Kontakten’. Ook verscheen eind december 1980 het ‘Mededelingenblad van de Stichting OudAJCKontakten’, dat het vol hield tot mei 2009. Veel publicaties verschenen in die tijd (zie bijgaande literatuurlijst.

Na de opheffing van de Stichting Oud- AJC- kontakten in mei 2009 werd aansluitend op 21 mei 2009 onze ‘Vereniging van Nederlandse oud -AJC- ers’ (NOA) opgericht en verscheen als contactorgaan van de oud-AJC-leden Het Gele Blaadje. Momenteel telt onze vereniging zo’n 500 leden in de leeftijd van 70 tot boven de 100 jaar.

Internationaal

Anno 2018 is de International Falcon Movement (IFM) een levende beweging, die is samengegaan met de ‘Socialist Educational International’ (SEI). De IFM-SEI is een overkoepelende wereldorganisatie van 50 nationale organisaties om kinderen en jonge mensen samen te brengen en op te voeden in de socialistische waarden van solidariteit, vriendschap en kinderrechten. Het sterkst is de organisatie in Europa en Zuid- Amerika. (Zie hun website: www.ifm-sei.org)

Hans Stoovelaar,
hoofdredacteur van Het Gele Blaadje, een blad van en voor de oud-AJC-ers van Nederland.

juni 2018

Literatuur
  • Kampleven, het Pinksterkamp der JO, 26-28 Mei 1917.
  • Het Jonge Volk, vijfde jaargang, 1918.
  • Onze Paasheuvel, Centrale van Arbeiders Jeugdverenigingen, 1923.
  • Zes dwaze dagen, Mr. Punch, AJC 1927.
  • De Rode Valkenwet, Koos Vorrink, AJC 1932.
  • Voor Vrede en Vrijheid, Koos Vorrink, AJC 1932.
  • Het vuur, dat niet wordt uitgeblust, Koos Vorrink, AJC 1934.
  • 15 jaar Zon en Vrijheid, 1922-1937.
  • 20 jaar AJC, 1918-1938.
  • Dagen van vriendschap, De Telg 1946.
  • Socialistische Jeugdorganisatie in Nederland, Ber Drukker, AP 1947.
  • Zingen dat willen wij, Carla Kohnstamm 1951.
  • Het Zilveren Nest, Henk Schaafsma, AJC 1954.
  • Rood als je hart, André van der Louw, AP 1974.
  • De Arbeiders Jeugd Centrale AJC, Van Gennep 1982.
  • Goed onder dak, Stichting voor Zon en Vrijheid 1983.
  • De AJC … dat waren wij, AJC 1985.
  • De Internationale, Jan Kooijman, NIVON 1989.
  • Onze jeugd behoort de morgen, Geertje Marianne Naarden, IISG 1989.
  • De AJC belicht, Philip van Praag, Uniepers 1990.
  • Koos Vorrink, C.H. Wiedijk, Wolters-Noordhoff 1990.
  • Mieke Meier, striptekeningen van Ger Sligte, AJC 1992.
  • Een nieuwe wereld dragen wij, Henk van den Berg 1994.
  • O wee, die AJC, Arie Slaager 1996.
  • Een lichtend baken, Aad Valk, AJC 1997.
  • Een wereld licht en vrij, Jan Meilof, IISG 1999.
  • En nooit groeien de einders dicht, over Ad van Moock, AJC 1999.
  • Achter onze bonte vaan, Uniepers 2000.
  • De wereld omspannen met vriendschap, Nelleke van Eerde-Kooy, AJC 2002.
  • Inventaris van de archieven van de AJC, Bouwe Hijma, Aksant 2003.
  • Jaren van vriendschap, Jan de Groot 2003.
  • En nooit gaan de stonden der vriendschap voorbij, Herman van der Lee 2004.
  • Verhalen in en om de Paasheuvel, Henny Oost 2007.