1. Henri Polak (1905-1909) (1868-1943)
Briljantsnijder te Amsterdam en Londen, redacteur van 'De Diamantbewerker'. In 1884 met onder andere Troelstra een van de
twaalf oprichters van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Na de diamantstaking van 1884 organiseerde Polak
joodse én christelijke diamantbewerkers in de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB), waarvan hij tot 1940
voorzitter was. Hij was oprichter en (onbezoldigd) voorzitter van het NVV. Eerste Kamerlid in de perioden 1913 - 1922 en
1923 -1937 voor de SDAP.
|
 |
2. Jan Oudegeest (1909-1918)
(1870-1950) Klerk bij de spoorwegen in Utrecht. In 1899 voorzitter van de NV (Ned. Vereniging van spoorwegambtenaren).
Stelde de NV open voor het lagere spoorwegpersoneel. Medeoprichter van het NVV en vanaf juli 1905 (bezoldigd) secretaris
NVV. Medeoprichter en van 1918-1927 secretaris van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV). Tweede
Kamerlid voor de SDAP van 1918-1922, voorzitter SDAP van 1929-1934 en Eerste Kamerlid van 1929-1935.
|
 |
3. Roel Stenhuis (1919-1928)
(1885-1963). Arbeider in de strokarton en aardappelmeelindustrie in Groningen. Oprichter, secretaris (1907-1914) en
voorzitter (1914-1920) van de Ned. Vereniging van Fabrieksarbeid(st)ers. In het radicale klimaat kort na de Eerste
Wereldoorlog wordt hij gekozen tot voorzitter van het NVV. Nadat zijn poging tot fusie van het Nationaal
Arbeids-Secretariaat en Algemeen Nederlandsch Vakverbond met het NVV zijn mislukt, ijvert hij voor meer gezamenlijke
machtsvorming van SDAP en NVV .Radicaal en socialist. Eerste Kamerlid voor de SDAP van 1923-1925, daarna Tweede Kamerlid
van 1925-1929. Vanaf 1929 kippenfokker. Stenhuis was voorstander van machtsvorming tegen het kapitalisme en meer politieke
invloed voor de vakbeweging en gezamenlijke machtsvorming met de SDAP. Korte tijd aangesloten bij de OSP, de CPN en in 1940
bij het fascistische Nationaal Front, hoewel hij Jodenhaat verwierp.
|
 |
4. Evert Kupers (1928-1940 en 1945-1949)
(1885-1965). Kleermaker in Groningen. Vanaf 1907 secretaris-penningmeester-redacteur en van 1909-1918 voorzitter van de
Bond in de Kledingindustrie. Man van de werklozenkas en uitbouw van het socialezekerheidsstelsel. Actief in de
internationale vakbeweging. Als NVV-voorzitter kwalitate qua Tweede Kamerlid voor SDAP en PvdA van 1929-1940 en 1945-1948.
Tijdens de oorlog gesteund door werkgever D.U.Stikker, met wie hij in mei 1945 de Stichting van de Arbeid oprichtte.
|
 |
5. Henk Woudenberg (1940-1942)
(1891-1967). Kantoorbediende en later directeur van een joodse visexporthandel in IJmuiden. In 1933 aangesloten bij de NSB,
in 1940 door de Duitse bezetter Seyss-Inquart aangesteld als commissaris voor het NVV. Toen de bezetter hem in 1941 ook voor
de confessionele vakorganisaties wilde aanstellen, liepen de katholieke bonden op last van kardinaal De Jong leeg.
Op 1 mei 1942 ging wat er nog over was van het NVV op in het aan de NSB gelieerde NAF (Nederlands Arbeidsfront) onder
leiding van Woudenberg. Na de oorlog veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, in 1956 vrijgelaten.
|
 |
6. Henk Oosterhuis (1949-1956)
(1893-1962). Zoon van een dagloner uit Oude Pekela. Landarbeider, metselaar en arbeider in de strokartonindustrie,
bestuurslid Ned. Vereniging van Fabrieksarbeiders van 1918-1945. In 1945 werd hij vice-voorzitter van het NVV. Eerste
Kamerlid voor de PvdA van 1946-1960.
|
 |
7. Kees van Wingerden (1956-1959)
(1906-1969). Machinebankwerker bij Lips in Dordrecht. Vanaf 1949 voorzitter van de ANMB Alg. Ned. Metaalbedrijfsbond (ANMB).
In 1952 vice-voorzitter van het NVV. Na zijn NVV-voorzitterschap, wat hem vanwege een slechte gezondheid te zwaar werd,
was hij van 1959 tot 1963 algemeen secretaris van het NVV. Van 1953-1965 commissaris van 'De Arbeiderspers'. Eerste
kamerlid voor de PvdA van 1956-1968. Ten slotte was hij voorzitter van de Sociale Verzekeringsbank.
|
 |
8. Dirk Roemers (1959-1965)
(1915-1983) Begon als jongste bediende bij de Twentse Bank in Haarlem en studeerde economie in Amsterdam. Eén van de eerste
academici binnen de vakbeweging. Vanaf 1947 directeur van het Wetenschappelijk Bureau van het NVV. In 1952 samensteller van
het Welvaartsplan, dat de opvolger van het Plan van de Arbeid (1935) beoogde te zijn. Man van de geleide loonpolitiek,
opvoering van de productiviteit en werkgelegenheid. Van 1952-1967 Tweede Kamerlid voor de PvdA.
|
 |
9. André Kloos (1965-1971)
(1922-1989). Opleiding MO Staatshuishoudkunde en statistiek, assistent-accountant. Begon in 1945 bij het NVV als
administratief medewerker. Redacteur van 'De Vakbeweging', werkte bij het Wetenschappelijk Bureau NVV. Leidde in
1969 succesvolle stakingsacties tegen de loonwet van Roolvink. Van 1963-1982 Eerste Kamerlid voor de PvdA, van 1971-1980
voorzitter van de VARA. Bepleitte reorganisatie van het NVV naar één ongedeelde organisatie met zes bedrijfskolommen,
hetgeen op weerstand stuitte van onder meer de Abva en de Grafische bond. Ging als NVV-voorzitter ten onder aan 'de vloek
van de foute structuur'.
|
 |
10. Harry ter Heide (1971-1972)
(1928-1985). Werd na de HBS in 1949 ambtenaar bij de spoorwegen. Na zijn kandidaats economie werd hij in1957 economisch
adviseur bij het Wetenschappelijk Bureau van het NVV. In 1965 algemeen-secretaris van het NVV en redacteur van 'De
Vakbeweging'. Op 9 januari 1971 gekozen tot NVV-voorzitter gekozen.
|
 |
11. Wim Kok (1972-1976)(1976-1986)
(Bergambacht 1938). Opleiding bedrijfskunde te Nijenrode, commercieel medewerker bij een handelsfirma. Begon in 1961
als beleidsmedewerker bij de Bouwbond NVV. In 1969 algemeen-secretaris van het NVV totdat hij in 1972 op 34-jarige
leeftijd voorzitter werd. Aansluitend was hij voorzitter van de FNV van 1976-1986. Vanaf 3 juni 1986 was Wim Kok
partijleider en Tweede Kamerlid voor de PvdA, van 198 tot1994 minister van Financiën en van 1994-2002 minister-president.
Sinds april 2003 is hij minister van Staat.
|
 |
R.K. Vakbureau (1909 - 1924) |
|
12. Jan van Rijzewijk (1909-1924)
(1880-1939). Sigarenmaker te Tilburg. Van 1907-1912 voorzitter van de RK Tabaksbewerkersbond St. Willibrordus. Gepasseerd
als voorzitter van het Rooms-Katholiek Werklieden Verbond (RKWV) vanwege zijn betrokkenheid bij een sociëteit in Tilburg
die een schouwburg annex bioscoop en dancing exploiteerde. Tweede Kamerlid voor de RK Staatspartij van 1918-1929. Van
1931-1935 wethouder sociale zaken in Tilburg.
|
 |
Rooms-Katholiek Werklieden Verbond (RKWV) (1925-1941)
Het RKWV is op 1 januari 1925 ontstaan uit een fusie van het R.K. Vakbureau en de Diocesane Werkliedenbonden, en op last van
Kardinaal De Jong in augustus 1941 opgeheven.
|
|
13. A.C. de Bruijn (1925-1941 en 1945-1952)
(1887-1968). Adrianus Cornelis de Bruijn werd altijd A.C. genoemd. Metaalbewerker te Amsterdam. Van 1915-1918 voorzitter
van de RK Metaalbewerkersbond St. Eloy. Eerste Kamerlid voor de RKSP en KVP van 1929 tot 1952. Van 1952 tot 1956 was De
Bruijn minister zonder portefeuille in het kabinet-Drees. Man van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties, als
alternatief voor zowel kapitalisme als communisme.
|
 |
Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) (1945 - 1963)
De KAB (Katholieke Arbeidersbeweging) was na de Tweede Wereldoorlog de nieuwe naam van het RKWV. Hoewel het 'roomse' uit de
naam was stond de KAB nog steeds onder geestelijke leiding van de RK kerk. A.C. de Bruijn was van 1945 tot 1952 voorzitter
van de KAB.
|
|
14. Toon Middelhuis (1952-1964)
(1902-1978). Geboren te Haaksbergen. Textielarbeider. Was actief betrokken bij diverse textielstakingen. Propagandist en na
WO II voorzitter van de RK Textielarbeidersbond St. Lambertus. Eerste Kamerlid voor de KVP van 1955 tot 1969. De man van het
minimumloon en de katholieke solidariteit. Stapte in 1977 uit de KVP vanwege de aanhoudende negatieve reacties van de partij
op de fusie van NKV met NVV.
|
 |
NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond) (1963 - 1981) |
|
15. Jan Mertens (1964-1973)
(1916-2000). Typograaf te Dongen. Propagandist bij de diocesane bond 'De Jonge Werkman' in het bisdom Breda. Van 1945-1953
voorzitter KAB-district Breda, van 1953-1963 secretaris KAB. Verklaarde in 1968 op een spreekbeurt in Sneek dat de
Nederlandse economie werd beheerst door slechts een paar honderd personen (de 200 van Mertens). Staatssecretaris Sociale
Zaken van 1973-1977.
|
 |
16. Wim Spit (1973-1976)
(Den Haag 1924). Werd na de MULO en de handelsavondschool assistent accountant in Amsterdam. Na de kaderopleiding aan het
A.C. de Bruijninstituut, het scholingsoord van het NKV, werd hij in 1949 assistent-bestuurder bij de RK bond van Spoor- en
Tramwegpersoneel St. Raphael, in 1959 werd hij daar voorzitter. In 1967 kwam hij in het bestuur van het NKV. Op 1 januari
1976 werd Wim Spit vice-voorzitter van de FNV.
|
 |
FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging) (1976 tot heden)
Opgericht als federatie van NVV en NKV op 1 januari 1976. Deze vakcentrales zijn op 1 januari 1982 gefuseerd. Wim Kok werd
de eerste FNV-voorzitter (1976-1986) Zie NVV.
|
|
17. Hans Pont (1986-1988)
(Rijswijk 1938). HBS en opleiding landmeetkunde. Werkte bij het kadaster. In 1967 kwam Pont bij de Avba in dienst. Sinds
1970 lid van het dagelijks bestuur van de Abva, vanaf 1974 als bondsseceretaris. Man van de kerntakendiscussie en
organisatieverandering, voorstander van één bond per cao. Werd in 1988 directeur-generaal management en personeel van
het Ministerie van Binnenlandse Zaken, daarna DG Milieubeheer bij het Ministerie van VROM en later van het RIVM.
|
 |
18. Johan Stekelenburg (1988-1997)
(1941-2003). Kwam na de sociale academie als bedrijvenmedewerker in dienst van de Metaalbond NVV. Bondsbestuurder van
de Industriebond FNV. In 1985 cao-coördinator bij de vakcentrale. Onder zijn leiding veranderde de FNV van koers, van een
reactieve naar een pro-actieve organisatie. Zocht naar oplossingen, naar overeenkomsten en hield de bonden bij elkaar. De
FNV moet meer zijn dan de som der bonden. Werd in 1997 burgemeester van Tilburg. Eerste Kamerlid en leider van de
PvdA-fractie sinds juni 1999, totdat hij in september 2003 overleed.
|
 |
19. Lodewijk de Waal (1997-2005)
(Rotterdam 1950). Kwam in 1991 in het FNV-bestuur. Man van het poldermodel. Tijdens zijn schooltijd kreeg het actievoeren
tegen de oorlog in Vietnam prioriteit. Werkte bij verzekeringsmaatschappij RVS voordat hij in 1973 in dienst trad van
Mercurius, de NVV-bond voor handels- en kantoorbedienden. In 1988 bondsvoorzitter van de Dienstenbond FNV. In 1992 stapte
hij over naar de vakcentrale en werd hij landelijk cao-coördinator. Mede-architect van een nieuwe koers in flexibele
beloning en arbeidspatronen. Strijdbaar, pragmaticus met sterke hartstocht voor het internationale vakbondswerk.
|
 |
20.Agnes Jongerius (2005 tot heden)
(De Meern 1960). Studeerde sociaal-economische geschiedenis in Utrecht. Een van de eerste academisch opgeleide vrouwen
in de vakbeweging. Trad in 1987 in dienst van de Vervoersbond FNV als bestuurder beroepsgoederenvervoer en binnenvaart.
In 1997 stapte zij over naar de FNV en kreeg sociale zekerheid in haar pakket, in 2003 werd zij cao-coördinator. In 2003
en 2004 actieleider in de campagnes tegen het afbraakbeleid van de regering. Slimme, harde onderhandelaar, zij gaat voor
resultaat.
|
 |
CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond) (1909 tot heden) |
|
1. Hendrik Diemer (1909-1916)
Diemer gaf de doorslag in de uiterst moeizame meningenstrijd over de grondslag van het CNV. Katholieken en protestanten
van diverse pluimage konden zich uiteindelijk vinden in zijn formulering: 'Het Christelijke Nationaal Vakverbond aanvaardt
als grondslag de christelijke beginselen en verwerpt mitsdien den klassenstrijd'. In 1912 verboden de rooms-katholieke
bisschoppen katholieke gelovigen nog langer lid van het CNV te blijven. Sindsdien was het CNV de facto een algemeen
protestants-christelijk vakorganisatie.
|
 |
2. Klaas Kruithof (1916-1935)
Hij trad aan midden in de Eerste Wereldoorlog. De werkloosheid liep zozeer op dat de regering brak met de traditionele
liberale afzijdigheid. Met de 'noodregeling-Treub' ging zij de financiële nood van de werklozen enigszins verlichten.
Doordat de vakorganisaties bij de uitvoering betrokken werden, begon voor hen een proces van maatschappelijke acceptatie
en ingroei in de samenleving. Het lidmaatschap van een vakbond werd aantrekkelijk. Het ledental van het CNV steeg van ruim
11.000 in 1914 tot 76.000 in 1921.
|
 |
3. Antoon Stapelkamp (1935-1947)
Hij stond wel kritisch tegenover het regeringsbeleid en distantieerde zich voorzichtig van de heersende
bezuinigingsfilosofie van Colijn. In 1938 deed hij achter de schermen een tevergeefse poging om Colijn over te halen tot
een meer structurele aanpak van de werkloosheid. Een crisis van geheel andere aard waarmee Stapelkamp te maken kreeg was de
Bezetting, met als dieptepunt voor de eigen organisatie de opheffing in juli 1941. Vanaf 1942, na zijn vrijlating uit het
gijzelaarskamp Vught, deed hij mee met de geheime voorbereiding van de Stichting van de Arbeid en de Raad van Vakcentralen.
|
 |
4. Marinus Ruppert (1947-1959)
Ruppert was voorstander van een sterke rol van vakcentrales, maar verwierp om principiële redenen de centraal geleide
loonpolitiek als systeem, omdat die de vakbeweging haar eigen verantwoordelijkheid ontnam. Veel opzien baarde Ruppert
in 1954 met een steunbetuiging aan een bisschoppelijk mandement. Daarin werd het de katholieke gelovigen onder meer
verboden om lid te zijn van het NVV. Rupperts optreden was aanleiding voor het NVV om de samenwerking in de Raad van
Vakcentralen te verbreken. Een breuk die overigens nog voor zijn vertrek werd hersteld met de oprichting van het lossere
Overlegorgaan (1958).
|
 |
5. Cor van Mastrigt (1959-1964)
Kreeg in de jaren zestig te maken met een periode van grote economische bloei. De arbeidsmarkt raakte overspannen
(minder dan 1 procent geregistreerde werklozen), wat leidde tot het probleem van de 'zwarte lonen' en het aantrekken
van buitenlandse werknemers. Tegelijkertijd deed de vijfdaagse werkweek haar intrede. De arbeidsmarktsituatie had
gevolgen voor de loonontwikkeling met een loongolf in de jaren'63 en '64. Dat bracht spanningen met zich mee in de
Stichting van de Arbeid en met de regering. Van Mastrigt kon de geweldige druk die dit alles met zich meebracht niet aan.
Lichamelijk en geestelijk volledig uitgeput trad hij in 1964 af.
|
 |
6. Jan van Eibergen (1964-1969)
Tijdens zijn ambtsperiode manifesteerden zich in de samenleving talloze verschijnselen van emancipatie en verandering
die de jaren '60 tot een begrip maakten. Ontzuiling en ontkerkelijking waren daar aspecten van. De partijpolitieke
verschuivingen na de Nacht van Schmelzer (1966) evenzeer. De electorale afstraffing die de KVP daarop kreeg, droeg
ertoe bij dat KVP, ARP en CHJU besprekingen openden over de vorming van één christendemocratische partij. Tezelfdertijd
leek de vakbeweging nog een stap verder te gaan, door in het Overlegorgaan serieus te gaan praten over een federatie van
CNV, NKV en NVV.
|
 |
7. Jan Lanser (1969-1978)
Van cruciale betekenis in Lansers periode was dat het CNV zich losmaakte uit het federatieoverleg, omdat het daarin
onvoldoende mogelijkheden zag voor behoud van de eigen christelijke identiteit. Het NVV en het NKV gingen evenwel samen
verder en vormden in 1976 de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Een aantal rooms-katholieke organisaties, die niet
waren aangesloten bij het NKV, zocht tegelijkertijd toenadering tot het CNV en sloot zich aan. Na meer dan zestig jaar
werd het CNV zo opnieuw een interconfessionele vakbeweging.
|
|
8. Harm van der Meulen (1978-1986)
Het CNV was door het verlaten van de federatiebesprekingen in een isolement beland. Met de CDA-VVD regeringen onder
leiding van Van Agt waren de relaties bovendien zo slecht dat hier en daar gerept werd van een koude oorlog tussen het
vakverbond en het CDA. Desondanks of juist daardoor trad het verbondsbestuur energie en offensief naar buiten met eigen
nota's en plannen om het economische tij te keren. De charismatische Van der Meulen trok de aandacht als pleitbezorger van
uitkeringsgerechtigden. Dit kon niet voorkomen dat het CNV het qua leden zwaar te verduren kreeg. In de jaren 1982-1985 liep
dit terug met niet minder dan 40.000 leden.
|
 |
9. Henk Hofstede (1986-1992)
Aan het einde van de jaren '80 en in de jaren'90 begon het FNV zich steeds meer in gematigde richting te ontwikkelen,
wat de concurrentiepositie van het CNV als 'constructief alternatief' moeilijker maakte. Het CNV zag zijn positie verder
bemoeilijkt door fusies tussen confessionele werkgevers en vervolgens de toenadering tussen VNO en NCW. De relaties met
de natuurlijke bondgenoot, het CDA, en met de confessioneel-liberale kabinetten bleven onveranderd moeizaam. Maar door het
aantrekken van de economie nam de ledenontwikkeling een positieve wending.
|
 |
10. Anton Westerlaken (1992-1998)
Binnen het CNV voltrokken zich grote interne veranderingen. De samenwerking tussen de bonden onderling werd in een aantal
gevallen zo versterkt dat een fusie het gevolg was. Zo ontstond op 1 januari 1998 de CNV Bedrijvenbond uit de industrie-
en voedingsbond CNV en uit de Vervoersbond CNV. En na een federatieve vorm van samenwerking besloten de PCO en de KOV
verder te gaan als Onderwijsbond CNV. Het totale ledental steeg van 300.000 in 1985 tot 359.000 in 1999.
|
|
11. Doekle Terpstra (1998-2005)
Doekle Terpstra was een fel tegenstander tegen de graaimentaliteit in het bedrijfsleven en de semi-publieke sector.
Tijdens zijn voorzitterschap verslechterde de relaties met het CDA en deden zich spanningen voor tussen het
kabinet-Balkenende en het CNV. Dat culmineerde in de acties tegen de verslechtering van de WAO en de grote demonstratie
op het Museumplein in Amsterdam waar het CNV opvallend aanwezig was.
|
 |
12. René Paas (2005 tot heden) |
 |