Vrijdag 22 januari 2010 organiseerde de VHV en het RHC Groninger Archieven een lezing door de historica Floor van Gelder. De druk
bezochte bijeenkomst werd gehouden in het gebouw van de Groninger Archieven, aanvang 20.00 uur.
De historica Floor van Gelder heeft geschiedenis gestudeerd te Groningen. Thans werkt zij op het hoofdkantoor van het FNV in
Amsterdam. Zij heeft o.a. in het jaarboek 'socialisme en arbeidersbeweging' (uitgeverij SUN, 1976) samen met Frits Snijder over het
onderwerp van de lezing op 22 januari gepubliceerd: 'De staking van de stukarbeidsters bij de machinale vlasspinnerij van Dumonceau
te Groningen in 1890.
Er is ook een tentoonstelling gemaakt rondom het thema 120 jaar vrouwenstaking in Groningen. Op de website is een weergave van de tentoonstelling te vinden. Floor is in haar lezing ingegaan op de sociaaleconomische situatie van de stad Groningen aan het einde van de 19e eeuw. De vooruitgang van de landbouw- mechanisatie zorgde voor een ontvolking van het platteland en een grote golf nieuwkomers in de stad. De vlasspinnerij die in beginsel was opgezet als een werkgelegenheidsproject liep op haar einde. De slechte werkomstandigheden van de stukarbeidsters en hun beroerde huisvesting komen aan de orde.
De oorzaak van de staking in 1890, dreigende lagere lonen en vernedering door intimidatie van een oude knecht gaven de doorslag om het werk neer te leggen. Er was slechts één groep die zich solidair toonde met deze ongeorganiseerde vrouwen. Dat was de zich ontplooiende vakbeweging in de Sociaal Democratische Bond (SDB) van Ferdinand Domela Nieuwenhuis in het gebouw 'De Toekomst' aan de toenmalige Zuiderbinnensingel te Groningen.
De foto's zijn kopieën van originelen die voor een groot deel te bezichtigen zijn op www.beeldbankgroningen.nl
Wij danken de medewerkers/sters van het RHC Groninger Archieven voor de samenwerking met ons en de gastvrijheid.
Locatie eerste vrouwenstaking in NederlandIn Groningen en de rest van het Nederland heerste in de eerste helft van de 19e eeuw een economische malaise. In 1847 leidde dit tot een hongeroproer in de stad Groningen, dat met militair geweld werd onderdrukt. Ondanks verbetering van de infrastructuur in de jaren zestig en zeventig door het slechten van de wallen, het graven van nieuwe kanalen en het aanleggen van spoorwegen in de stad, groeide de nijverheid alleen in de veenkoloniën. In 1890 waren er in de stad Groningen maar twee grote gemechaniseerde bedrijven met meer dan honderd arbeiders: de gemeentelijke gasfabriek en de vlasspinnerij van Dumonceau. De machinale vlasspinnerij is voortgekomen uit het streven van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en Handel om nieuwe industrieën naar de stad te halen. Eerst werd er een school geopend waar voornamelijk vrouwen en meisjes kosteloos konden leren spinnen. In 1840 is de N.V. Machinale Vlasspinnerij opgericht. De spinschool werd hierna overgedaan aan de Vrouwenvereniging tot bevordering van Werkzaamheid en Welstand onder de geringere Volksklasse. |
kaart Groningen 1866 |
Spilsluizen gezien naar het oosten met zicht op de huidige Turfsingel. De schoonsteen behoort tot de Machinale Vlasspinnnerij van Dumonceau. 1872, foto van Kolkow. |
Turfsingel, destijds Schuitendiep ca. 1920
|
Kinderwetje van Van HoutenSamuel van Houten was van 1864 tot 1869 lid van de Groninger gemeenteraad. Hierna werd hij als liberaal verkozen in de Tweede Kamer. In 1873 diende hij het initiatief wetsvoorstel in wat later bekend zal worden als het 'Kinderwetje van Van Houten'. Deze wet werd in 1874 door de Tweede Kamer aangenomen. Deze wet verbiedt arbeid onder de 12 jaar. Vanaf dat moment zal de overheidsbemoeienis met arbeidsverhoudingen en sociale zekerheid groeien. Het is de vraag of hij bewust de grondlegger van de verzorgingsstaat is. Hij vond dat kinderarbeid een nadelige invloed had op de economie. Redenen om de kinderwet in te dienen waren volgens hem:
|
|
Benoeming Samuel van Houten (1837-1930), Oud minister van binnenlandse zaken tot eredoctor in de staatswetenschappen door de Senaat van de RUG. Foto juni 1921. |
De parlementaire enquêtecommissie van 1887Er was één groep die niet onder deze beschermende wet van Van Houten viel, de plattelandsbevolking en haar kinderen. Op voorstel van het Kamerlid Goeman Borgesius werd in 1886 een enquêtecommissie ingesteld. Deze moest onderzoeken of de arbeiders niet misbruikt werden door de ondernemers en of er beschermende wetgeving voor de arbeidende bevolking moest worden gemaakt. In haar conclusies gaf de commissie in 1887 aan dat:
Bij het onderzoek naar de vlasnijverheid in 1887 door de enquêtecommissie werd slechts één arbeider ondervraagd: de 54-jarige Pieter Landheer. Hij had al vanaf zijn twaalfde jaar in de keten waar het vlas werd bewerkt gewerkt. De meeste leeftijdgenoten die bij hem werkten waren reeds overleden. Toch hield hij vol dat dit werk niet ongezond is. Bij het zwingelen werden de houtdeeltjes van de vlasvezels gescheiden. Het was typisch seizoensarbeid voor de wintermaanden waarbij tijdens het werk veel stof in de keten of hutten werd geproduceerd. De meeste vlasarbeiders kregen last van hun longen. In de zomer trokken grote groepen mannen, vrouwen en grote kinderen van de Zuid-Hollandse eilanden naar Groningen en Friesland om te wieden en te oogsten. Vlas is een teer gewas. Met name de kinderen en jonge vrouwen werden aan het wieden gezet. Zij wogen het minst en konden het gewas minder beschadigen. Vaak moesten zij op sokken of op blote voeten hun werk verrichten. Door het werken in vochtige omstandigheden kregen veel arbeiders op latere leeftijd reumatische aandoeningen. De enquêtecommissie en Pieter Landheer: |
LeefomstandighedenDe opkomende landbouwmechanisatie in de tweede helft van de 19e eeuw zorgde voor grote werkloosheid op het platteland. Een klein deel van de landarbeiders emigreerden naar met name de VS en Canada. De meeste werkloze arbeiders trokken in deze periode naar de opkomende industriecentra in de Nederlandse steden. Steden als Groningen hadden nauwelijks of geen woonvoorzieningen. De open plekken in de oude stad binnen de wallen vulden zich met één kamer woningen in steegjes zonder daglicht. De huisvesting was slecht. De nieuwkomers moesten lange dagen maken in donkere benauwde werkplekken zonder voorzieningen. |
"Vlasbewerkers |
Moeskersgang één kamerwoning 1914 fotograaf Kramer PB |
Steeg in de Groninger binnenstad |
N.V. Machinale Vlasspinnerij van DumonceauJ.B.R.F. Dumonceau, graaf van Bergendal was rond 1850 directeur geworden van de vlasfabriek. Het grootste aantal werkende arbeiders in 1869 was 178. De productie werd voornamelijk overeind gehouden door de goedkope arbeidskrachten van vrouwen en kinderen. In 1845 wordt het bedrijf geprezen omdat er in meerderheid kinderen werkten, wat luiheid en ledigheid onder de jeugd zou tegengaan. In 1851 wordt er prestatieloon ingevoerd. Ten behoeve van kinderen wordt er ingetekend op de stedelijke soepuitdeling. Door de jaren heen neemt het aantal kinderen in het bedrijf af, mogelijk als gevolg van de invoering van de Kinderwet van Van Houten uit 1874. Alleen de armste vrouwen hebben in de vlasfabriek gewerkt. Op de fabriek gingen veel vrouwen en meisjes in lompen gehuld. Het kwam voor, dat deze vrouwen geen andere kleren hadden om aan te trekken. Tjerk Luitjes, een bekende socialist in de provincie Groningen, schreef in het blad van de Sociaal Democratische Bond (SDB) Recht voor Allen onder pseudoniem 'Travailleur' over de vlasspinnerij van Dumonceau: 'Alles draait en slingert en maakt lawaai zoals het gisteren deed en eergisteren en al den tijd dat het in beweging is geweest. Ondanks de beweging ligt er een kille doodsch-heid, een wanhopige moedeloosheid in dezen rusteloozen arbeid. Hoe zullen de vrouwen en meisjes dan goed kunnen zijn als des avonds hun een korte rust wordt gegund? Ze zijn geestelijk begraven geweest en ontwaken nimmer!' |
Tjerk Luitjes (1867-1946) socialist en anarchist.
|
Sociaal Democratische Bond (SDB)De Algemene Groningsche Werklieden Vereniging (AGWV) is opgericht in juni 1871. Het is de eerste vakcentrale de stad Groningen. In de provincie is de aansluiting bij links-liberale kringen vrij groot. Door de intensieve contacten met de liberalen dreigt afhankelijkheid. Urban, de nieuwe secretaris werft donateurs bij de gegoede burgerij in de stad. In 1876 zoekt Urban contact met de werkliedenbeweging te Hoogezand-Sappemeer e.o. en richt een provinciaal werkliedenverbond op. Doel is om de zondagsarbeid af te schaffen en materiele verbetering en kiesrecht voor de arbeiders. Niet iedereen is het met het liberale beleid eens. Oprichting SDBOp 20 januari 1885 wordt, onder andere uit onvrede met de liberale koers van de AGWV een afdeling van de SDB opgericht te Groningen. De SDB is de grote beweging van Domela Nieuwenhuis. De keuze van politieke partij of een vakbond moet nog gemaakt worden. Bij de SDB zijn vakbonden, kiesrecht, jongelingen, sport, toneel en zangverenigingen aangesloten. De SDB fungeert als een centrale op afdelingsniveau. De eerste aangesloten vakbonden zijn:
|
Ferdinand Domela Nieuwenhuis 1846-1919 Luthers Predikant, later socialist, foto circa 1910. |
Joan Niewenhuis en De ToekomstAls trefpunt voor de SDB dient sinds 1888 het verenigingsgebouw 'de Toekomst', opgericht door de gelijknamige arbeiderscoöperatie, die er ook een bakkerij heeft. Joan Nieuwenhuis nodigde in 1885 alle bestaande werk liedenverenigingen te Groningen uit. Dit leidde tot de oprichting van de eerste coöperatie in Nederland naar een voorbeeld uit Gent. Het doel was kwaliteit en goedkope producten voor de leden en het verkrijgen en creëren van zaal ruimte. Veel zaal uitbaters boycotten de arbeiders. De winst van de coöperatie werd gebruikt om de opkomende arbeidersbeweging te financieren. Joan Nieuwenhuis, is hoofdredacteur van het Groninger Weekblad en richt later een provinciaal krantje voor advertenties op: het 'Nieuwsblad van het Noorden'. Hij verkoopt dit krantje in 1888 aan zijn drukker R.Hazewinkel. Nieuwenhuis richt in 1882 de zogenaamde 'propagandaclub' op. Door de invloed van deze club nodigt de AGWV in het zelfde jaar Domela Nieuwenhuis uit voor een spreekbeurt in de stad. Joan Nieuwenhuis is medeoprichter van de SDB afdeling in Groningen. Via zijn contacten stelden J.E. Scholten, Prof. Drucker en Jhr. Albeda van Ekenstein zich financieel borg voor de bouw van de coöperatie. Het gebouw 'De Toekomst' is onder zijn architectuur gebouwd. Door het rumoer rondom zijn kandidatuur namens de Volkspartij (en niet de SDB) voor de tweede kamer vertrekt hij in 1888 naar Amsterdam. |
Tekening De Toekomst
Joan Niewenhuis |
Gerrit Nanninga en De ToekomstNanninga wordt als jongeling lid van het AGWV. Op onder andere zijn initiatief scheidt de AGWV zich af van het liberale ANWV. Vanuit de AGWV wordt in 1885 de socialistische SDB afdeling Groningen opgericht. Na de staking van timmerlieden wordt Nanninga getroffen door een 'Berufsverbot'. Hij kan zijn vak niet meer uitoefenen. In 1888 wordt hij eerst kastelein en penningmeester van De Toekomst. Later wordt hij directeur van De Toekomst. Voor de SDAP wordt hij in 1901 samen met Eltjo Rugge verkozen tot gemeenteraadslid in Groningen. In het conflict rondom de Tribunisten in 1909 staat Nanninga achter Sterringa (CPH/CPN) doch hij verlaat de SDAP niet. |
Gerrit Nanninga |
Plaquette huize de Beurs.In 1885 werd in dit etablissement de SDB afdeling Groningen opgericht. De kunstenaar Henri de Wolf heeft deze plaquette in 1985 ontworpen. Henri gebruikt de troffel als symbool voor de zich organiserende arbeiders. Sicco Mansholt vroeg zich in een korte speech tijdens de onthulling af of dit niet een fiets had moeten zijn. De troffels verwijst sterk naar de Vrijmetselarij. Op zich niet zo raar gezien hun rol in de vrijdenkersvereniging De Dageraad en haar rol in het opkomende socialisme. Het initiatief tot herdenking van '100 jaar sociaal democratie' te Groningen kwam van de FNV bestuurder Teun Jan Zanen en vond plaats in samenwerking met tal van linkse organisaties in de gehele provincie Groningen. In 2010 is het 125 jaar geleden dat de SDB werd opgericht. | >
|
Luitjes en SchaperTjerk Luitjes komt uit een vrijdenkersfamilie en wordt bekent onder het pseudoniem Travailleur in Recht voor Allen, het blad van de SDB. Samen met Schaper begint hij in 1890 het satirische weekblad De Socialist. Na problemen in Groningen verhuist hij in 1892 naar Sappemeer, neemt het weekblad De Volkszaak over en verandert de naam in De Arbeider. Door zijn redenaars talent en propagandatochten ontstaan vele SDB afdelingen in het Oldambt en de veenkoloniën. Mede door zijn propaganda breken in 1892 stakingen en ongeregeldheden uit in Oost Groningen. De staat van beleg wordt afgekondigd en er worden troepen gestuurd om de 'rust' te herstellen. Luitjes deelt het anarchisme met Domela Nieuwenhuis. Hij is de man achter de oost Groningse motie op het kerstcongres van 1893 van de SDB te Groningen. Hierin wordt uitgesproken dat onder geen enkele voorwaarde wordt deelgenomen aan verkiezingen. Johan H.A. Schaper wordt op zijn 18e lid van de SDB. In de jongelingenvereniging 'Ontwikkeling' komt hij andere Groningse socialisten tegen, o.a. Luitjens. Schaper wordt hij in 1890 secretaris van de SDB te Groningen. In 1893 verschijnt zijn weekblad 'De Wachter' dat grote invloed verwerft in socialistische kringen in Groningen en Drenthe. Schaper verzette zich tegen de motie over het parlementarisme tijdens het kerstcongres van de SDB 1893 te Groningen. Hij werd een politieke opponent van zijn oude strijdmakker Luitjes. Schaper behoort tot een van de medeoprichters van de SDAP in 1894 en is hierna lid van het partijbestuur. Hij wordt in 1897 in de gemeenteraad van Groningen verkozen, in 1898 in de Provinciale Staten en in 1901 in de Tweede Kamer. Schaper ontwikkelde zich in de SDAP aan de rechterkant en kreeg naderhand steeds meer kritiek op Troelstra. |
![]() Tjerk Luitjes
Schaper |
De staking 1Eind 1889 broeide er iets onder de arbeiders en arbeidsters bij de machinale vlasspinnerij Dumonceau. Per 1 januari 1890 zou de oude kinderwet van Van Houten vervangen worden door een nieuwe arbeidswet. Hierin zou overmatige en gevaarlijke arbeid door vrouwen en kinderen tegengegaan worden. Normaal werd er in de zomer 14 uur per dag gewerkt, in de winter 12 à 13 uur. Door het nieuwe wetsvoorstel zou dit voor de vrouwen en kinderen 11 uur worden. Er waren nogal wat bezwaren tegen dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gericht, ook door het bestuur van de vlasspinnerij. Het voornaamste bezwaar van het bestuur betrof de verkorting van de arbeidsdag tot 11 uur. Ook de mannen zouden door de verkorte werktijd getroffen worden. Immers, zij zouden uren moeten inleveren omdat de vrouwen en kinderen minder productie draaiden. De mannen zouden dus ook minder gaan verdienen. Het bestuur vond daarom dat de arbeidsduur van de vrouwen aangepast moest worden aan die van de mannen, en pleitte dus voor handhaving van de oude situatie. De werkelijke redenen van het bestuur komen bij het laatste punt dat zij aansnijden aan de orde: door de slechte woon- en verblijfsomstandigheden zouden de vrouwen en kinderen om zeven uur 's avonds al op straat rondlopen. Dat was geen wenselijke situatie. Geen woord over het feit dat de vrouwen minder gingen verdienen. In december 1889 had de directie laten weten dat er niet op een loonsverhoging gerekend hoefde te worden. De arbeidsters hadden via de opzichter Folkers hierom gevraagd. Iedereen ging er dus in uren en inkomsten op achteruit. |
|
De staking 2Twee januari 1890 viel op een donderdag, betaaldag. De dag daarna zou de nieuwe situatie ingaan. Vrijdag 3 januari begon de staking. Opzichter Folkers, een wat onbesuisde man van een jaar of 30, sprak de bejaarde meesterknecht Houtman - die al 37 jaar bij de vlasfabriek in dienst was - er op aan dat er twee machines stilstonden. Deze gooide gelijk de sleutels neer, daarop legden ook de spinsters en haspelaarsters het werk neer. Totaal 70 mensen. De opzichter had een slechte naam, hij schold en vloekte de arbeiders uit, hij had 'losse' handen en hem werd verweten het loonoverleg te hebben laten mislukken. Folkers nam de wijk naar huis, waar zijn woning door de politie werd beschermd om kapotte ruiten te voorkomen. De stakende vrouwen gingen joelend en zingend de stad door naar het gebouw "De Toekomst". Zij worden ondersteund door de SDB-afdeling.
|
|
De staking 3Directeur Dumonceau bleek ziek te zijn. De staaksters brachten het eisenpakket bij de onderdirecteur en aandeelhouder Geertsema.
Hierop verspreidden de staaksters een pamflet onder de burgerij waarin zij uitlegden dat hun toch al karig loon door de nieuwe wet nog verder achteruit ging. De meesten verdienden slechts fl. 1,50 per week. Vooral de houding van de opzichter gaf de doorslag om te gaan staken. De meesterknecht, een oude man van zeventig jaar werd lichamelijk bedreigd. De staaksters namen deze bedreiging hoog op. Recht voor allen (SDB) riep haar lezers op om geld te doneren voor de staaksters. De Nieuwe Groninger Courant en de Nieuwe Provinciale berichtten dat de staking gesteund werd door de SDB. De Nieuwe Rotterdamse Courant merkte op dat dit nou het gevolg was van de nieuwe wetgeving. De Provinciale Groninger Courant (PGC) was van mening dat indien er niet genoeg te verdienen viel, de fabriek beter opgeheven kon worden. De vlasspinnerij werd in Groningen nog steeds als sociale instelling beschouwd vanwege het grote aantal arbeidsplaatsen. |
![]() Woning Dumonceau |
De staking, het eindeOpvallend is het plotselinge einde van de staking na drie weken. Terwijl de SDB op zondagochtend 19 januari een vergadering belegt en een toneelvoorstelling organiseert ten bate van de staking, gaan de staaksters maandag 20 januari weer aan het werk. Zonder dat er ook maar één eis is ingewilligd. Waarschijnlijk is er in het weekend in het geheim toch een soort van overeenkomst gesloten tussen directeur Dumonceau en de staaksters. De op dat moment verraste SDB had de staaksters nog wel een paar weken willen ondersteunen. Wel werden er sindsdien minder boetes opgelegd en was de houding van de opzichter verbeterd. W.H. Vliegen (S.D.A.P. wethouder in Amsterdam) merkt in zijn memoires op dat het aanzien van de fabrieksarbeidsters meespeelde. Zij hadden een slechte naam waardoor er maar weinig mensen waren die het voor hen opnamen. Mr. B. van Royen - burgemeester van Groningen en lid van Eerste Kamer - achtte de Arbeidswet naar aanleiding van de staking bij Dumonceau gevaarlijk. De meerderheid van de Eerste Kamer vond het landsbelang niet bedreigd. De nieuwe arbeidswet werd door de eerste kamer aangenomen. De vrouwenstaking lieten zij voor wat het was. |
Ornamenten in de gevel van De Toekomst |