U bevindt zich hier: Vakbonden/Suikerindustrie

Suikerindustrie

De 'beetwortelsuikerindustrie' is door zijn seizoenmatige karakter een merkwaardige bedrijfstak te noemen. Tijdens de 'campagne', die zo'n twaalf weken duurt, gaat het volcontinu door met de winning van suiker uit de bieten. De rest van het jaar wordt vol gemaakt met onderhoud en reparatie van de fabriek. De behoefte aan personeel wordt door de campagne bepaald. Het kan dan ook niet anders dan dat de CAO in hoge mate is afgestemd op de vraag naar flex-arbeid.

Bietsuiker

De gemiddelde Nederlander consumeert jaarlijks zo'n 40 kilo bietsuiker. We gebruiken het niet alleen in onze dagelijkse kop koffie of thee, maar bijvoorbeeld ook in levensmiddelen als frisdrank, deegwaren en conserven. Bietsuiker is naar verhouding een jong product. Nog in 1790 telt Amsterdam 120 en Rotterdam 40 bedrijven, die ruwe rietsuiker verwerken aangevoerd uit Oost- en West-Indië en uit het Caraïbische gebied. In de tweede helft van de 18-de eeuw heeft Nederland een leidende rol in de wereld van de suikerraffinage. Naast Amsterdam en Rotterdam zijn ook in Dordrecht, Zwolle en Utrecht suikerraffinadeurs actief. In het midden van de 18-de eeuw wordt ontdekt dat er bieten zijn die suiker bevatten vergelijkbaar met suiker uit suikerriet. De ontdekking krijgt vooralsnog weinig aandacht. Nadat Napoleon het continentaal stelsel invoert en de Engelse reageren met een blokkade, stagneert de toevoer van rietsuiker en komen de talrijke raffinadeurs in Holland zonder werk. In 1810 zijn op initiatief van Napoleon enige Nederlandse raffinadeurs bereid de bietsuikerfabricage ter hand te nemen. Als echter in 1813 de handelsbetrekkingen met de rest van de wereld weer 'normaal' worden ebt de belangstelling voor het alternatief weg. Eerst in 1858 verreist in Zevenbergen een fabriek voor de productie van bietsuiker. De belangstelling groeit als blijkt dat in de eerste twee jaar van het bestaan van het bedrijf 10% dividend wordt uitgekeerd. Al spoedig komen er meer bedrijven o.m. te Oudenbosch, Bergen op Zoom, Roosendaal en Standaardbuiten. Vijftien jaar na het oprichten van het bedrijf in Zevenbergen zijn er 33 fabrieken voor suikerwinning uit bietsuiker waarvan vijftien in Brabant met tezamen 2.800 werknemers. Daarmee is de top bereikt, er zullen geen bedrijven meer bijkomen. De teelt van suikerbieten moet worden aangemoedigd. De stimulans is een overheids-subsidie op het verbouwen van bieten en de naar verhouding goede prijzen die de boeren krijgen voor bieten ten opzichte van andere landbouwgewassen. De doorbraak komt als in de landbouwcrisis aan het eind van de 19-de- eeuw alleen voor bieten nog een goede prijs kan worden gemaakt. Suikerbiet is een gewas dat veel van de bodem vraagt en aanvankelijk uitsluitend op zware klei kan worden geteeld. Het verklaart waarom juist in West-Brabant en Zeeland de bietencultuur zo'n hoge vlucht kon nemen en er een concentratie is van suikerfabrieken.

Campagne

In Nederland beheersen twee concerns de bietsuikermarkt. De Suikerunie is de grootste met 60% marktaandeel; de Centrale Suikermaatschappij (CSM) heeft 40% van de markt in handen.

Omdat suikerbieten slecht tegen vorst kunnen, moeten ze in betrekkelijk korte tijd worden verwerkt: de campagne. De rest van het jaar liggen de fabrieken stil, behoudens voor onderhoud en reparatie. De werknemers die ten tijde van de campagne het vaste personeel komen versterken, komen veelal uit de agrarische sector of zijn zelfstandige die hun werk met de campagnetijd kunnen combineren. Tijdens de bietenoogst zijn de toevoerwegen naar de fabrieken modderig. De suikerbieten worden bij miljoenen aangevoerd per trekker en vrachtwagen. Ondanks de ligging aan water van de fabrieken wordt vrijwel geen gebruik meer gemaakt van schepen. Tussen half september en eind december worden alleen al in de Suikerunie, vestiging te Dinteloord, vijftienduizend ton bieten per etmaal verwerkt. Uit vijftienduizend ton suikerbieten wordt 2.400 ton suiker gewonnen en daarnaast melasse, grondstof voor de alcoholindustrie, veevoer en de kalkmeststof Betacal. Zelfs het schoongewassen zand van de bieten wordt verkocht.

De achturendag

Onder druk van de 'mislukte revolutie' in 1918 komt een wet tot stand die de arbeidstijd per dag en per week regelt. Per dag niet meer dan acht uur en per week niet meer dan 45 uur. Natuurlijk houden ook veel bedrijven die binnen de werkingssfeer van de fabrieksarbeidersbonden vallen - de R.K. Fabrieksarbeidersbond 'St. Willibrordus' en de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) - zich niet aan de wet. Met name de steenbakkerijen en de touwslagerijen treden de wet met voeten, maar ook in de suikerindustrie maken de werkgevers geen aanstalten de achturendag in te voeren. Op de meeste bedrijven wordt nog 84 uur per week gewerkt. In juli 1920 komen de kaderleden werkzaam in de suikerindustrie bijeen in een bedrijfsconferentie en bespreken de situatie van de werktijden. Naar aanleiding van deze conferentie wordt een beroep gedaan op de minister van arbeid om ook de suikerindustrie te dwingen de wet uit te voeren. Om te kunnen voldoen aan de achturendag tijdens de campagne moet een ploegendienst worden ingevoerd. De minister geeft vergunning voor het invoeren van een drieploegendienst, onder voorwaarde, dat alle campagnewerknemers voor elke week werken, elf uur extra uitbetaald krijgen. De andere werknemers moeten na de campagne de meer uren boven de 45 uur gecompenseerd krijgen. Slechts in een enkel bedrijf wordt de regeling uitgevoerd. In West-Brabant bij geen enkel bedrijf en in Zeeland alleen in Sas van Gent. De bedrijven lappen de regeling aan hun laars. De minister doet verder niets om naleving van de wet te vorderen. Het kan geen toeval zijn dat juist in deze periode afdelingen van de NVvFA ontstaan. In Oudenbosch en Sas van Gent in 1919 en in Bergen op Zoom in 1920. Die te Oudenbosch gaat in 1920 alweer verloren. St. Willibrordus beschikt dan al over een netwerk van afdelingen. Het is opmerkelijk dat juist in Sas van Gent een regeling kan worden afgesproken juist nu er een bondsafdeling bestaat die duurzaam is. Wat zeker meespeelt is dat in Sas van Gent een aanzienlijk aantal Belgen werken die grotendeels zijn georganiseerd bij de Belgische fabrieksarbeidersbonden. Ook in latere jaren zal de afdeling Sas van Gent een rol spelen binnen de NVvFA. Een van hun afdelingsbestuurders, F.P.J. de Jonghe, die werkt bij de suikerfabriek is vertegenwoordiger in de landelijke ledenraad.

Staking te Oud-Gastel

In juli 1921 stellen St. Willibrordus en de NVvFA gezamenlijk een 'program van actie' op die ze aan de suikerfabrikanten doen toekomen. Deze verwaardigen zich niet voor september te reageren en dan nog met de wens van loonsverlaging. Op de laatste bespreking tussen bonden en fabrikanten wordt van de zijde van de bonden, nadat duidelijk is geworden dat overeenstemming er niet inzit, openlijk gedreigd met staking en wel in die bedrijven die daarvoor het meest in aanmerking komen. Ondanks de dreiging houden de fabrikanten vast aan loonsverlaging. Kort daarna breekt er een staking uit bij de suikerfabriek "St. Antoine" te Oud-Gastel. Midden in de campagne blijkt het een doeltreffend middel, want op zeer korte termijn vinden er opnieuw besprekingen plaats die leiden tot een loonovereenkomst. Ook met de Combinatie van Werkgevers in de Suikerindustrie kunnen nu nieuwe besprekingen worden gehouden. In de cao die kan worden afgesloten worden de lonen voor geschoolde werknemers verhoogd van  24,- tot  27,50 per week.

De winst is maar van korte duur. Op de wereldmarkt zijn de prijzen van suiker sterk gedaald. Het kan dan ook niet uitblijven of er worden door de fabrikanten opnieuw loonsverlagingen aangekondigd en ditmaal zonder dat de bonden het tegen kunnen houden. Zelfs in het vakbondsbolwerk Sas van Gent worden de lonen met  3,- per week verlaagd. Dat organisatie toch loont blijkt uit het feit dat in het Zeeuwse de lonen het minst dalen. In Zeeland dalen de lonen met 11%, in Noord-Nederland met ruim 14% en in Brabant, waar de organisatie het zwakst is, met maar liefst 20%. Kennelijk is het feit dat bij de beide suikerfabrieken in Sas van Gent de lonen het hoogst zijn een doorn in het oog van de directies van deze ondernemingen. Opnieuw komen loonsverlagingen aan de orde. De oproep tot actie wordt door het personeel niet opgevolgd. Het probleem, dat kenmerkend is voor de bedrijfstak, doet zich nu in volle omvang voor; het campagnepersoneel heeft geen belang bij de strijd. Hun loon is t.o.v. het vorige seizoen niet verlaagd. Daarmee is het belangrijke drukmiddel: staken tijdens de campagne, vervallen. De loonsverlaging van het vaste personeel kan dan ook gewoon worden doorgevoerd. In 1928 herhaalt deze gang van zaken zich nog eens. Op een afgekondigde loonsverlaging komt geen verzet ook niet na oproep van de bonden. Opnieuw worden de lonen verlaagd.

Crisis

Het verbondsjaarboek 1932 van St. Willibrordus geeft een overzicht van een jaar waarin geheel industrieel Nederland roept om loonsverlaging. In de suikerindustrie is het niet anders. Besprekingen worden gevoerd met de Centrale Suiker Maatschappij te Breda, de coöperatieve suikerfabriek te Oud-Gastel en de suikerfabriek te Roosendaal over loonsverlaging of ontslag van personeel. Voor de fabriek te Oud-Gastel word gesproken over het in leven roepen van een fabriekscommissie. De suikerfabriek te Zevenbergen blijft gesloten, terwijl het eindelijk is gelukt om bij de suikerfabriek te Roosendaal achterstallige lonen uitbetaald te krijgen. Aan de kandijsuikerfabriek van de firma Van Gilze te Roosendaal worden eveneens onderhandelingen gevoerd in verband met loonsverlaging.

Een week vakantie

In 1938 wordt wat genoemd wordt 'de vakantiekwestie' bij de Eerste Nederlandse Coöp. Beetwortelsuikerfabriek te Sas van Gent aan de orde gesteld. Doel is het bereiken van een aaneengesloten vakantie van zes dagen. Doordat de zaterdag nog een normale werkdag is, gaat het dus om een vakantie van een week. De directie van het bedrijf doet of haar neus bloedt en 'begrijpt' uit het voorstel dat de bonden de zeven betaalde christelijke feestdagen om willen ruilen voor een aaneengesloten vakantie. Met de nodige correspondentie en een conferentie over dit onderwerp tussen de bonden en het bedrijf kan duidelijk gemaakt worden dat doorbetaalde feestdagen in de Nederlandse industrie gebruikelijk is met daarnaast een betaalde aaneengesloten vakantie. Het moeizame overleg levert het beoogde doel op. In 1939 wordt aan het z.g. vaste personeel een vakantie toegekend van zes dagen.

Ook bij N.V. Beetwortelsuikerfabriek te Sas van Gent wordt in 1938 de zes dagen aaneengesloten vakantie voorgesteld. Er is op dit bedrijf tot dan toe sprake van drie dagen vakantie en drie betaalde christelijke feestdagen. Op de voorstellen van de bonden wordt door het bedrijf niet gereageerd, zodat deze enige herinneringsbrieven moeten sturen. Uiteindelijk wordt afgesproken dat in 1938 de vakantie op vier dagen wordt gebracht en in 1939 op zes dagen.

Bij de suikerfabriek Wittouck te Breda is het in 1938 minder mooi dan in Sas van Gent. Een collectief arbeidscontract is er nog niet, de lonen liggen er lager, de christelijke feestdagen worden niet betaald en vakantie geldt slechts voor een deel van het personeel. Een ontwerp collectief contract wordt door de bonden bij het bedrijf ingediend.

Een cao voor de bedrijfstak

In het jaarverslag 1954 van St. Willibrordus is de verbazing nog merkbaar: "Wat maar zelden is voorgekomen, kon dit jaar bereikt worden, n.l. dat tijdens één bespreking van enkele uren partijen het in grote lijnen eens werden over alle wijzigingsvoorstellen." Voor het eerst wordt de overeenkomst een 'cao' genoemd en hij geldt voor de gehele bedrijfstak. Het jaar 1954 is voor wat de 'suiker' betreft een succesjaar. De ploegentoeslagen - en dat geldt alleen voor de campagne periode aangezien er dan in ploegen wordt gewerkt - worden opgetrokken van 25 naar 30%; de tarieven worden verhoogd met 2½% naar 17½%. Voor het vaste personeel - die niet in aanmerking komen voor het tarief van de campagne - wordt een waarderingspremie toegekend; voor jeugdige werknemers onder de 18 jaar worden zes extra vakantiedagen in de cao opgenomen. De vakantietoeslag wordt met 2% verbeterd. De loonschalen worden met 6% opgetrokken.

Het typische van de suikerindustrie: de campagne, komt in veel artikelen tot uiting. Er zijn aanmerkelijke verschillen tussen vast- en campagnepersoneel. Het sterkst komt dat tot uitdrukking in de beloningsopbouw. De campagnewerker is voor meer dan 10% van zijn beloning op premies aangewezen.

De uitzonderlijk slechts weersomstandigheden zijn er de oorzaak van dat in 1954 de campagne niet alleen laat op gang komt, maar ook dat de aanvoer van bieten slecht is en een aantal fabrieken beneden hun capaciteit moeten werken. Buiten hun schuld kunnen campagnewerkers dus niet aan hun tarieven komen. Dat wordt opgelost door een voorschot op hun tarieven uit te betalen. In november draaien alle bedrijven weer op volle capaciteit. Om te zorgen dat het tarief, doordat de voorschotten nu verrekend kunnen worden, niet onder het seizoensgemiddelde zal zakken, stellen de bonden voor niet tot verrekening over te gaan. De werkgevers stemmen daarmee in, maar stellen daartegenover dat het ook niet de bedoeling kan zijn dat daardoor de tarieven boven het gemiddelde uit gaan komen. Om die reden wordt een plafond opgenomen van 12%. Deze zekerstelling zal achteraf niet nodig blijken. Het weer blijft zodanig slecht dat het onmogelijk is de opgelopen achterstand in het verwerken van bieten nog in te halen. In een evaluatie blijkt dat er gemiddeld 10½ tarief is betaald. Tussen de bedrijven zijn er wel opmerkelijke verschillen. De Coöperatieve in Sas van Gent komt niet verder dan 8,7% terwijl bij de C.S.M. in Steenbergen wel 14½% tarief is verdiend.

Literatuur
  • M.S.C. Bakker,'Suiker' in: Geschiedenis van de techniek in Nederland. Deel 1 (Zutphen 1992)
  • Dr. I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19de eeuw ('s-Gravenhage 1929)
  • C.J. Kuiper, Uit het rijk van de arbeid. Ontstaan, groei en werk van de Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland Deel III (Utrecht 1953)
  • M. Schrover, 'Smaakegalisatie, Bossche bollen en koekjes giganten. De voedings- en genotmiddelenindustrie 1850-heden' in: Voedings- en genotmiddelenindustrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993)
  • P. van Tongeren, 'Suiker volautomatisch uit de biet' in: FNV Magazine (24 november 1996)
  • W.G. Versluis, Van klei en zand. Geschiedenis van de K.A.B. in het bisdom Breda (Breda 1959)
  • Jaarverslagen Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders
  • Jaarverslagen St. Willibrordus