De leergang De vakbeweging na 1950 die de VHV najaar 2000 hield in Groningen, leek tevens een geschiedenis van de toekomst. Zo gauw het om heden en toekomst ging werd er dikwijls verwezen naar het individualisme. Dit werd als ondermijnend ervaren voor het solidariteitsprincipe en soms zelfs beschouwd als een bom onder het bestaansrecht van de vakbeweging.
In de voorafgaande leergang was dit thema al genoemd. Dit was de reden naar aanleiding van De toekomst van het individu als sociaal wezen (1996)* mij te vragen in te gaan op de verhouding van individualisme en solidariteit. Een thema dat veel discussie opriep. Een discussie zonder een direct gelijk. We spreken immers over de toekomst. Wel waren er veel herkenningspunten. Hieronder volgen hierover enkele stellingnames.
Individualisme en individualiteitsontwikkeling zijn niet hetzelfde. Wanneer de nadruk op het individuele doorslaat is er sprake van individualisme. Het individu voelt zich oppermachtig en vervreemdt van zijn eigen bestaansvoorwaarden. Immers, men ziet dan niet meer dat er een sociaal geïntegreerde samenleving nodig is om het individu de kans te geven zich te ontplooien.
Individualiteitsontwikkeling is ook een emancipatiebeweging. De arbeidersbeweging heeft hier een grote, succesvolle bijdrage geleverd. Paradoxaal lijkt een identiteitscrisis te ontstaan door het eigen succes van de vakbeweging.
Het is van belang de nauwe relatie tussen individualiteit en het sociale goed te begrijpen. Er is een sociaal geïntegreerde samenleving nodig om de individualiteitsontwikkeling te handhaven. Als voorbeeld: de sinds de jaren zestig toegenomen vrijheidsbeleving was sterk afhankelijk van de sociale integratie en de gunstige economische ontwikkeling van die tijd.
Er moet keer op keer aan sociale integratie worden gewerkt. Een sterke individualiteitsontwikkeling is slechts duurzaam mogelijk op basis van een voortgaand maatschappelijk integratieproces. Solidariteit is hierbij een uitgangspunt.
Er is een balans nodig van het individuele en het sociale. Als deze te veel ontbreekt ontstaan ontsporingen en crises. De vakbeweging heeft tot taak deze balans te helpen handhaven, en deze op een steeds hoger niveau te ontwikkelen. Dit houdt de noodzaak in van een blijvende aandacht voor zowel de individuele belangenbehartiging als de brede maatschappelijke ontwikkeling. Niet alleen aandacht, ook inzet en actie.
De vakbeweging moet aldus een blijvende aandacht hebben voor de sociaal-economische en ecologische voorwaarden die een individuele belangenbehartiging mogelijk maken. Dan kan een duurzame basis bestaan die mogelijk maakt dat de werknemer werkelijk iets te vertellen heeft over zijn eigen arbeidssituatie en de wijze waarop hij zijn arbeid inzet.
Aldus is de vakbeweging per definitie een brede vakbeweging, of zij zal er op den duur niet meer zijn. De maatschappelijke voorwaarden van individuele ontplooiing en belangenbehartiging zullen goed moeten worden begrepen. Wanneer er op dat front geen sterke inzet meer bestaat zal de individuele belangenbehartiging worden overgenomen door andere organisaties. Als voorbeeld: de vakbeweging kan niet blijvend voortbestaan op het commercieel aanbieden van goede verzekeringen alleen, want een verzekeringsmaatschappij zal dat minstens zo goed en goedkoop doen.
Als er op den duur louter individuele belangenbehartiging zou resteren, kan op basis hiervan niet langer een beweging bestaan die honderdduizenden leden omvat. Het bestaansrecht van de vakbeweging raakt in het geding als het nadenken over en optreden in de productie- en reproductieverhoudingen uit zicht raken. Dan zullen velen afhaken, anderen zullen roepen om nieuwe vormen van vakbeweging. Op een zeker moment zal er dan opnieuw worden gebouwd aan een brede solidaire vakbeweging, inclusief een lokale vakbondsorganisatie. Op dergelijke scenario's kan evenwel worden geanticipeerd.
Sociale integratie is nooit een eenvoudige opgave. Veel belangrijke vragen over meer rechtvaardige verhoudingen en ecologische problemen zijn bekend. Ook ten aanzien van ecologische vragen is het solidariteitsprincipe in het geding. En over dit principe bezit de vakbeweging vanuit haar geschiedenis bij uitstek expertise.
Individueel maatwerk moet passen bij collectief maatwerk. Passende voorwaarden creëren kansen voor het individu op zijn werkplek en in zijn verdere leven. De kunst is hierbij het rationele overzicht te bewaren. Louter individuele en dus steeds afwijkende bepalingen ondermijnen de werkverhouding met anderen, waardoor het individu uiteindelijk kwetsbaarder blijkt dan hij voor mogelijk hield. De term maatwerk zegt dus op zichzelf nog niet zoveel, althans niet in een verhaal over een wat langere termijn.
Collectief, maatschappelijk en ecologisch; het leidt tot een bredere inzet dan heden ten dage gangbaar lijkt. Voor de langere termijn zijn er inderdaad veel zaken die er werkelijk toe doen.
Brede inzet én maatwerk moeten eigentijds zijn. Er zijn bewegingen als Attac, vaak geënt op werk in Derde Wereld-landen, die zich uitermate kritisch verhouden ten opzichte van het neo-liberale kapitalisme. Discussies hierover vinden niet of nauwelijks plaats in de vakbeweging, zeker niet met de leden. Dit is tegenstrijdig, ervan uitgaande dat men de leden serieus wil nemen. Velen lezen dagelijks de krant en hebben opinies over politiek en economische ontwikkelingen, maar discussies over belangenbehartiging worden van dergelijke opvattingen losgesneden.
Een toekomstgerichte inzet kan het `verenigingsleven' weer in beeld brengen. CAO-besprekingen en arbeidsconflicten vereisen contact met de leden. Zowel wat betreft de vorm als de inhoud is echter veel meer mogelijk. Leden komen vaak niet meer naar ledenvergaderingen vanwege de grote afstand of doordat bij de uitnodiging blijkt dat men de agenda en vergaderstukken zelf maar moet zien te bemachtigen. Een aansprekende benadering is kennelijk lastig.
Hier speelt het bekende probleem van `communicatie', waar zoveel instellingen en overheden mee worstelen. Toch blijkt elders, bijvoorbeeld bij het werken in de oude en nieuwere wijken in Nederland, dat veel mensen graag willen meedenken en meebeslissen. Vooral wil men serieus worden genomen en dat gebeurt niet altijd. Dus moeten vakbondsbestuurders zoeken naar vormen waarin zij zichzelf dwingen te luisteren, in plaats van onmiddellijk alles zelf te willen presenteren.
Het hedendaagse individu is vaak versnipperd bezig en niet vanzelfsprekend op solidariteit aanspreekbaar. Hier liggen lastige vragen. Maar de sociale voorwaarden die individuele differentiatie mogelijk maken mogen niet worden miskend. Die vereisen solidariteit. Hier ligt een sociale taak voor een vakbeweging, die individualiteit serieus neemt.
Er is een sterker ontwikkelde verhouding nodig waarin zowel een sociale toekomstvisie wordt uitgedragen, én veel intensiever met de leden wordt gecommuniceerd. Beide op een hoger niveau, ondanks de sterke spanning die dat kan opleveren.
Breed en collectief is niet hetzelfde als grootschalig. Er bestaat geen `verenigingsleven' meer, luidt een bekende klacht. Anderzijds bestaat de stelling dat dit achterhaald is en niet meer terug kan komen. Dit is een erg radicaal enerzijds-anderzijds. Waarom zou geen slimmere mix mogelijk zijn van plaatselijke initiatieven en verenigingsvormen naast grootschalige organisatie en centraal onderbouwde dienstverlening? Lokale initiatieven kunnen ook sprankelend en `leuk' zijn. Waarom heeft de FNV nog geen vakbondsinternetcafé in elke stad?
Nooit zullen alle leden betrokken zijn. En altijd zullen leden vragen wat vakbondslidmaatschap voor hen persoonlijk betekent. Vroeger was dit duidelijker een collectieve kwestie dan nu. Die duidelijkheid is niet meer vanzelfsprekend. Individualisering is reëel, in haar positieve en minder positieve vormen. De sociale basis van deze individualiteitsontwikkeling moet echter hecht zijn. Anders wordt een kaartenhuis gebouwd. Juist een historisch verankerde sociale beweging als de vakbeweging kan dit weten.
Jasper Schaaf - 10 februari 2001