De sociale onrust in Nederland was in de jaren twintig van de vorige eeuw groot. De werkloosheid steeg en de economische malaise werd afgewenteld op de arbeiders. In veel bedrijfstakken in Nederland werd actie gevoerd niet voor betere arbeidsomstandigheden, maar tegen slechtere: tegen loonsverlagingen! Vakbondsbladen uit die tijd maakte melding van grimmige confrontaties tussen werkgevers en werknemers.
Niet alleen tussen werkgevers en werknemers, ook tussen werknemers onderling ontstonden soms problemen. Vooral als stakers en onderkruipers tegenover elkaar kwamen te staan. Een dergelijk conflict liep op 4 mei 1922 in de stad Groningen uit de hand. Jacob Pantjes werd doodgestoken.
Jacob Pantjes werkte bij timmerfabriek Schrage en Van der Goot aan het Hoendiep. Daar was, net als bij acht andere houtbedrijven in de stad in april 1922 door de gezamenlijke bonden een staking uitgeroepen. Jacob was lid van de Federatie van Houtbewerkers, een bond die aangesloten was bij het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS). Op de 4-de mei was Jacob een van de drie posters bij de ingang van het bedrijf. Zij stonden daar om werkwilligen van het nut van de actie te overtuigen en werkzoekende te overreden niet in hun plaats te gaan werken.
In de loop van de ochtend was een groep van vijf mannen die wilden werken op de fiets uit Zevenhuizen gekomen. Het liep uit op een gevecht tussen de posters en de onderkruipers. Door de onderkruipers werd met gummislangen geslagen. Enkele hadden ook messen bij zich. Jacob werd door een messteek in het hart geraakt en overleed.
Op de latere rechtzitting spraken de verschillende getuigen elkaar tegen. De officier van justitie noemde in zijn requisitoir het 'onverklaarbaar' dat op een plaats waar tal van getuigen zijn iemand kan worden doodgestoken zonder dat kan worden bewezen wie dat heeft gedaan. Wel achtte de officier bewezen dat de werkwilligen de vechtpartij hadden uitgelokt en vond zij dat gestraft moesten worden op grond van artikel 306 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 306 gaat over het opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechtpartij die veel lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft. De officier eiste tegen alle vijf een gevangenisstraf van drie maanden.
De rechtbank oordeelde enkele weken later anders. In haar uitspraak stelde zij dat niet vast was komen te staan of de vijf verdachten de aanvallers of de aangevallenen waren. En dat het dus mogelijk was dat er verdachten tegen hun wil in de vechtpartij waren betrokken. "Bovendien is het door geen getuige een bepaald feit gezien waarvoor een der beklaagden als dader kan worden aangemerkt." De rechtbank sprak vervolgens de mannen vrij.
Op 8 mei werd Jacob Pantjes begraven op de Zuiderbegraafplaats in Groningen. 's Ochtends had een dichte menigte zich bij het academisch ziekenhuis verzameld om de rouwkoets op te wachten die het stoffelijk overschot van Jacob Pantjes naar zijn ouderlijk huis aan het Winschoterdiep te brengen. Van daaruit begon de eigenlijke begrafenistocht naar Zuiderbegraafplaats. Bij het Winschoterdiep stelden 3000 bestuurders en leden van vakorganisaties zich op. Na de politie, de fanfare en het mannenkoor kwamen de rouwkoets en de volgrijtuigen. Daarachter liepen veertig mannen en vrouwen met de rouwkransen en bloemstukken, gevolgd door de stakers uit het houtbedrijf. Daarna volgden de vertegenwoordigers van de verschillende bonden van alle gezindte: bouw- en houtarbeiders, schilders en stukadoors, sigarenmakers, meubelmakers, transportarbeiders, overheidspersoneel, spoor- en trampersoneel, kledingwerkers, stoelenmakers, metaalbewerkers en typografen. De stoet werd afgesloten door de vrouwen van stakende houtarbeiders, aldus de verslaggever van de Provinciale Groninger Courant.
Ook het S.D.A.P. Tweede Kamerlid Schaper - zelf Groninger van geboorte en voormalig schilder - was erbij. Op de begraafplaats speelde de fanfare de 'marche funèbre' (Chopin) en het koor zong: 'Onze Dooden'. Vervolgens defileerden alle aanwezige langs het met bloemen bedolven graf om de overledene een laatste groet te brengen. Gesproken werd er niet, een familielid bedankte voor de getoonde belangstelling. Op het graf van Jacob Pantjes werd nog datzelfde jaar door het Plaatselijke Arbeidssecretariaat (PAS) een klein monument geplaatst. Het is een beeld van een arbeider die, de vuisten gebald, pal staat in de strijd. Dit monument uit 1922 is enkele jaren geleden opgeknapt door FNV Bouw en staat nu in het portaal van het FNV gebouw in Groningen.
Ed van Eijbergen
mei 2007
Literatuur: